Actualiteiten btw, loonheffingen, vennootschapsbelasting en lokale heffingen

Nieuws

Actualiteiten btw, loonheffingen, vennootschapsbelasting en lokale heffingen

Lokaal- en Middenbestuur - November 2017

In de periodieke nieuwsbrief Lokaal- en Middenbestuur staan we kort stil bij actualiteiten op het gebied van de btw, loonheffingen, vennootschapsbelasting en lokale heffingen

Btw

Verhoging verlaagd btw-tarief

In het op 10 oktober 2017 gesloten regeerakkoord is bekend geworden dat in 2019 het verlaagde btw-tarief van thans 6% wordt verhoogd tot 9%.

Het verlaagde btw-tarief is in Nederland van toepassing op een scala aan goederen en diensten. De verhoging zal dus effect hebben op de prijsstelling van verschillende goederen en diensten. Dit zal onvermijdelijk ook gevolgen hebben voor de in- en verkopen van organisaties in het lokaal- en middenbestuur. Enkele voorbeelden hiervan zijn:

  • Eten en drinken 
  • Water
  • Boeken, tijdschriften, e.d. (o.a. vakliteratuur)
  • Het gelegenheid geven tot sportbeoefening
  • Personenvervoer (o.a. leerlingenvervoer, WMO-vervoer)
  • Het verlenen van toegang tot musea en muziek- en toneeluitvoeringen

Gevolgen voor de praktijk
Er is veel weerstand vanuit de praktijk op de voorgenomen verhoging van het verlaagde btw-tarief. Desondanks is het raadzaam rekening te houden met de aangekondigde verhoging per 2019. Als de verhoging definitief doorgang vindt, zal dat enerzijds budgettaire consequenties hebben. We noemen als voorbeeld de inkoop van leerlingenvervoer door gemeenten, waar thans 6% (kostprijsverhogende) btw op drukt. Door de verhoging van het btw-tarief zullen de kosten (inclusief kostprijsverhogende btw) met ca. 2,8% stijgen. Anderzijds zullen er administratief en contractueel de nodige aanpassingen moeten worden doorgevoerd. Daarbij kan onder andere de vraag worden gesteld in hoeverre de verhoging van het btw-tarief daadwerkelijk wordt doorberekend in tarieven.

Zodra er hierover meer bekend is brengen wij u uiteraard op de hoogte.


Aftrek van btw bij onbelast gebruik door een derde

Recent heeft het Europese Hof van Justitie een arrest gewezen over de vraag of het recht op aftrek van btw op kosten beperkt dient te worden indien de kosten mede worden gemaakt ten behoeve van een derde. In onze nieuwsbrief van 10 mei 2017 bespraken we de conclusie van de Advocaat-generaal in deze zaak.

Situatieschets
Iberdrola (een Bulgaarse ondernemer) is de eigenaar van percelen waarop de bouw van een vakantiecomplex gepland is. Het is de bedoeling dat Iberdrola dit complex btw-belast gaat exploiteren.

In het kader van de bouw van het vakantiepark is Iberdrola met de gemeente overeengekomen dat zij voor eigen rekening een gemeentelijk pompstation saneert. Zonder reparatie kon Iberdrola het afvalwater van het door haar geplande vakantiepark niet verwerken.

Iberdrola heeft vervolgens de btw op kosten die zijn gemaakt bij de sanering van het pompstation in aftrek gebracht. De Bulgaarse Belastingdienst is van mening dat Iberdrola de btw ten onrechte in aftrek heeft gebracht.

Conclusie Advocaat-generaal Hof van Justitie
De Advocaat-generaal heeft in deze zaak geconcludeerd dat Iberdrola de btw in beginsel niet in aftrek kan brengen. Voor meer inzicht in de conclusie verwijzen we naar onze nieuwsbrief van 10 mei jl.

Uitspraak Europese Hof van Justitie
Het Hof van Justitie komt in deze zaak tot een ander oordeel. De verwijzende rechter moet volgens het Hof van Justitie onderzoeken of er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen enerzijds de sanering van het pompstation en anderzijds de latere btw-belaste exploitatie van het vakantiepark. Het is de vraag of Iberdrola zonder de sanering van het pompstation haar economische activiteit kan uitoefenen. Indien er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de sanering en de latere btw-belaste exploitatie van het vakantiepark, maakt het volgens het Hof van Justitie voor het recht op aftrek niet uit dat de sanering (mede) ten goede komt aan de gemeente.

Bij de beoordeling of sprake is van een rechtstreeks en onmiddellijk verband zal moeten worden beoordeeld of de kosten van de sanering een bestanddeel vormen van de prijs van de latere btw-belaste exploitatie van het vakantiepark door Iberdrola. Daarnaast dient de verwijzende rechter in dit kader na te gaan of de sanering van het pompstation beperkt is gebleven tot de noodzakelijke reparatie zodat Iberdrola het afvalwater van het door haar geplande vakantiepark kan verwerken.

Gevolgen voor de praktijk
Het komt in de praktijk vaak voor dat een btw-ondernemer kosten maakt die mede ten goede komen aan een derde. Het zou in algemene zin onredelijk zijn als de btw-aftrek in die gevallen wordt beperkt. Het is daarom positief dat het Hof van Justitie de conclusie van de Advocaat-generaal niet heeft gevolgd. Desondanks moet van geval tot geval worden bekeken of er een rechtstreeks en onmiddellijk verband is tussen gemaakte kosten en btw-belaste activiteiten, bij welke beoordeling gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie meerdere factoren een rol spelen.


Beëindiging verruimde koepelvrijstelling voor gemeentelijke fusieorganisaties

In onze Indirect Tax Alert van 20 september jl. zijn we reeds uitgebreid ingegaan op dit onderwerp. De staatssecretaris van Financiën heeft op 15 september 2017 bekendgemaakt dat de (beleidsmatige) ruimere toepassing van de koepelvrijstelling bij ambtelijke fusies tussen gemeenten zal worden beëindigd naar aanleiding van Europese jurisprudentie.

De Staatssecretaris geeft partijen die gebruikmaken van de verruimde toepassing van de koepelvrijstelling tot 1 januari 2018 de gelegenheid om hun administratie en contracten aan te passen. Per deze datum zal de verruimde toepassing van de koepelvrijstelling worden beëindigd. De diensten van koepelorganisaties die door hun leden niet uitsluitend voor onbelaste/vrijgestelde activiteiten worden gebruikt, zullen na deze overgangsperiode met btw worden belast. De Staatssecretaris acht het niet mogelijk om een splitsing te maken tussen een deel van de prestatie dat bedoeld is voor belaste prestaties van de leden en een deel dat bedoeld is voor de onbelaste/vrijgestelde prestaties van de leden indien sprake is van een onsplitsbare prestatie voor de btw.

Gevolgen voor de praktijk
De beëindiging van de ruime toepassing van koepelvrijstelling stuit op veel weerstand vanuit de praktijk. Zo wordt in de eerste plaats betwijfeld of het naar aanleiding van de Europese rechtspraak wel noodzakelijk is de beleidsmatige ruimere toepassing weer in te perken. Daarnaast zijn er wat ons betreft wel degelijk mogelijkheden om een splitsing te maken tussen prestaties bestemd voor btw-belaste prestaties van de deelnemers en prestaties bestemd voor de overige prestaties van de deelnemers. Op die laatste categorie kan dan de koepelvrijstelling worden toegepast. Op deze manier wordt btw-optimalisatie bereikt. Wij zijn graag bereid hierover met u van gedachten te wisselen.

Uiteraard houden wij u op de hoogte van de verdere ontwikkelingen op dit gebied.


Invoering herziening op kostbare diensten

In onze nieuwsbrief van 4 juli 2017 zijn we ingegaan op het wetsvoorstel dat voorziet in de herziening op kostbare diensten. De inwerkingtreding van het wetsvoorstel werd beoogd op 1 januari 2018. Er is vanuit de praktijk veel weerstand op dit wetsvoorstel, omdat het zal leiden tot een substantiële administratie lastenverzwaring.

Op 24 oktober jl. heeft de staatssecretaris van Financiën nota’s betreffende het Belastingplan 2018 naar de Tweede Kamer gestuurd met antwoorden op de schriftelijke vragen van Kamerleden. In de nota over het wetsvoorstel voor de afschaffing van de landbouwregeling maakt de Staatssecretaris daarbij ook een aantal opmerkingen over het voorstel voor herziening op kostbare diensten.

De belangrijkste opmerking is dat de nieuwe regeling voor herziening voor kostbare diensten “in elk geval niet per 1 januari aanstaande” in werking zal treden. Wanneer de invoering wel plaats zal vinden wordt niet aangegeven.

Daarnaast lijkt het gezien de antwoorden op gestelde vragen twijfelachtig of deze regeling terugwerkende kracht zal hebben. Dit terwijl uit het wetsvoorstel voor de afschaffing van de landbouwregeling voorzichtig zou kunnen worden afgeleid dat deze regeling wél terugwerkende kracht zal hebben. Uiteraard zullen wij u op de hoogte houden van verdere ontwikkelingen.


Bridge geen sport volgens Hof van Justitie

Het Hof van Justitie heeft onlangs geoordeeld dat bridge niet voldoet aan de wezenlijke kenmerken die aan het begrip sport worden gesteld in de zin van de Europese btw-richtlijn. Volgens het Hof van Justitie vergt het
kaartspel intellectuele inspanningen en vaardigheden, maar is de lichamelijke component te verwaarlozen. Het feit dat bridge de lichamelijke en geestelijke gezondheid bevordert, leidt daarom nog niet tot de conclusie dat er sprake is van een sport.

Conclusie Advocaat-generaal Hof van Justitie
De Advocaat-generaal heeft in deze zaak geconcludeerd dat bridge wél voldoet aan de kenmerken die aan het begrip sport worden gesteld. Het Hof van Justitie volgt die conclusie dus niet. Voor meer inzicht in de conclusie verwijzen we naar onze nieuwsbrief van 4 juli jl.

Belang voor de praktijk
Zowel bij toepassing van de btw-sportvrijstelling als bij het gelegenheid geven tot sportbeoefening (toepassing verlaagd tarief) is het van belang dat er sprake is van sportbeoefening door de mens.

In het kader van gelegenheid geven tot sportbeoefening is door de Staatssecretaris van Financiën in een besluit toegelicht wat onder ‘actieve sportbeoefening’ moet worden verstaan. Dit dient aan de hand van het spraakgebruik te worden uitgelegd. Actieve sportbeoefening laat zich omschrijven als een actieve inspanning van lichaam en/of geest met het oogmerk om het lichamelijk en/of geestelijk welzijn te verbeteren, waarbij competitie- en/of spelelementen/spelregels een rol spelen. Denksporten zijn volgens de staatssecretaris ook aan te merken als sport.

De uitspraak van het Hof van Justitie is niet verenigbaar met de visie van de Staatssecretaris van Financiën. Wij verwachten dan ook dat het besluit op korte termijn op dit punt wordt aangepast. Tot die tijd kan er naar onze mening vertrouwen aan het besluit worden ontleend.

Loonheffingen

Regeerakkoord 2017, welke impact heeft dit voor uw organisatie?

Op 10 oktober 2017 is het regeerakkoord voor de periode 2017 -2021 bekend gemaakt. Voor organisaties zal het nodige gaan veranderen. Het kabinet is bijvoorbeeld voornemens de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties opnieuw vorm te geven waarbij afscheid zal worden genomen van de modelovereenkomsten en op een meer praktische manier aansluiting zal worden gezocht bij de markt. Daarnaast zullen de verschillen tussen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde en onbepaalde tijd worden verkleind en zullen naar verwachting werknemers recht krijgen op een ontslagvergoeding vanaf het begin van hun arbeidsovereenkomst. Via deze link kunt u alles lezen over de verwachte wijzigingen met betrekking tot de loonheffing, sociale verzekeringen en het arbeidsrecht.


Masterclass Loonheffingen in de Praktijk bij lokaal en midden bestuur

Hierbij nodigen wij u met genoegen uit voor de verschillende masterclasses welke wij organiseren voor het lokaal en midden bestuur.

Tijdens de eerste masterclass, welke wordt gegeven in februari 2018, zullen wij het thema salarisadministratie en werkkostenregeling behandelen. Daarbij zullen onder andere de volgende vragen centraal staan: “Zitten er fouten in mijn salarisadministratie?”, “In hoeverre heb ik de vergoedingen en verstrekkingen correct beoordeeld onder de Werkkostenregeling?”, “Zie ik geen boekingen over het hoofd die invloed hebben op de werkkostenregeling?”. Bij de tweede masterclass, welke wordt gegeven in mei/juni 2018, staan de verschillende loonheffingenonderdelen in de processen van uw organisatie centraal. Aan welke processen u dan bijvoorbeeld kunt denken zijn het generatiepact, de auto van de zaak, anticiperen op de nieuwe Arbowetgeving en ontslaguitkeringen.

Wilt u meer informatie over de masterclasses welke wij organiseren, danwel wilt u zichzelf inschrijven voor één of beide masterclass(es), dan kunt u contact met ons opnemen via NLArnhemGESSecretariaat@deloitte.nl. Ter informatie hebben wij de uitnodigingen bijgevoegd.


Premiebeschikking Whk

Bent u publiek verzekerd voor de Ziektewet en de WGA? In de maand november ontvangt u de premiebeschikkingen ‘gedifferentieerd premiepercentage Werkhervattingskas’ (hierna Whk premie) met daarop de voor u geldende premiepercentages voor de Ziektewet en WGA voor 2018 van de Belastingdienst.

Controleer deze premiebeschikking goed, met name wanneer er uitkeringslasten worden toegekend. De premieloonsom, sectorindeling en de uitkeringslasten kunnen onjuist zijn vastgesteld waardoor u teveel premie betaalt. Let extra op bij een fusie of overname en bij werknemers met twee dienstverbanden. Staan er onjuistheden in de beschikking, maak dan binnen 6 weken bezwaar. Deloitte kan u helpen bij de controle en/of het indienen van een bezwaarschrift.

Voor meer informatie over de juistheid van de Whk beschikking kunt u contact opnemen met Jolanda Jansen 06-1234 2766 of Jeannette Raben 06-8288 3164


Reparatieregeling eigenrisicodragerschap WGA

Bent u op 1 januari 2017 ongewild teruggekeerd naar een publieke verzekering bij het UWV, doordat uw garantsteller (door de drukte vanwege het samenvoegen van WGA-vast en WGA-flex) niet tijdig een garantieverklaring kon afgeven in 2016, let dan op. In beginsel dien je bij terugkeer naar het publieke verzekering, drie jaar publiek verzekerd te blijven. Door de uitzonderlijke drukte eind 2016 wil Demissionair minister Asscher de nadelige gevolgen hiervan repareren en de terugkeer naar het eigenrisicodragerschap eenmalig versoepelen. Indien u als werkgever gebruik wilt maken van deze reparatieregeling dan dient u zich te melden bij een apart loket van het Verbond van Verzekeraars. Daarnaast dient u vóór 1 april 2018 een aanvraag eigenrisicodragerschap in te dienen bij de Belastingdienst.


Loonkostenvoordeel

Met ingang van 1 januari 2018 vervangt de Loonkostenvoordelen de premiekorting voor de oudere werknemer en de premiekorting voor de arbeidsgehandicapte werknemer. De premiekorting jongere werknemer komt per 1 januari 2018 te vervallen. Net als de premiekortingen moeten de Loonkostenvoordelen ervoor zorgen dat kwetsbare groepen werknemers betere kansen hebben op de arbeidsmarkt. Het voordeel varieert tussen de € 2.000 en de € 6.000 euro, afhankelijk van de doelgroep. Let op: in bijzondere situaties kan het recht op LKV niet van toepassing zijn.

Neemt u een werknemer in dienst of herplaatst u een medewerker die aan de voorwaarden voldoet van het LKV, dan vraagt u het LKV aan via de aangifte loonheffingen. Let hierbij goed op de juistheid van de verloonde uren. De aanvraag via de loonaangifte kan zodra u een doelgroepverklaring van de medewerker heeft. U dient de doelgroepverklaring binnen 3 maanden na datum in dienst treden aan te vragen bij UWV of de gemeente. Als u recht heeft op de LKV, wordt deze in 2019 automatisch uitbetaald over 2018.

Het is belangrijk dat u uw proces zo heeft ingericht dat u tijdig kunt onderkennen dat u recht heeft op de LKV, zodat u niet onnodig geld ‘laat liggen’. Deloitte kan u helpen om de LKV-mogelijkheden zo goed mogelijk te benutten en te kijken met u naar een passend proces om dit in te richten. Voor meer informatie over het Loonkostenvoordeel kunt u contact opnemen met Michel Kooij 06- 1099 9182.

Vennootschapsbelasting

In deze nieuwsbrief zullen wij een aantal recente ontwikkelingen die relevant kunnen zijn voor de vennootschapsbelastingpositie van overheidsbedrijven nader behandelen.


Exploitatie van begraafplaatsen

In de special editie van de nieuwsbrief van 26 september jl. hebben wij u geattendeerd op de uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake de exploitatie van begraafplaatsen, waarbij wij de gevolgen van deze uitspraak met betrekking tot de btw, lokale heffingen en de Vpb hebben beschreven. Naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank Den Haag kan btw niet (meer) worden verhaald op het btw-compensatiefonds (BCF) en is het daardoor de vraag of de overheidstakenvrijstelling in de vennootschapsbelasting nog kan worden toegepast met betrekking tot de exploitatie van begraafplaatsen. Een nadere beschrijving van de fiscale gevolgen ten aanzien van de exploitatie van begraafplaatsen kunt u vinden in de nieuwsbrief special ‘Exploitatie van begraafplaatsen’.


Renteaftrek / ATAD 1

In onze nieuwsbrief van september hebben wij u al geïnformeerd over een nieuwe renteaftrekbeperking, een zogenoemde earningsstrippingregeling. Het betreft een renteaftrekbeperking die op basis van de EU anti-belastingontwijkingsrichtlijn per 1 januari 2019 in de Nederlandse wet geïmplementeerd dient te zijn. Op basis van de nieuwe renteaftrekbeperking is een overschot aan leningskosten, zoals rentelasten en koersresultaten, slechts aftrekbaar tot 30% van het belastbaar inkomen van een belastingplichtige vóór ‘interest, tax, depreciation and amortisation’ (EBITDA), op voorwaarde dat de belastingplichtige deel uitmaakt van een groep.

Dit betekent dat mogelijk ook voor overheidsondernemingen bovenmatige rentekosten in aftrek worden beperkt. De rente is niet aftrekbaar voor zover het saldo van verschuldigde en ontvangen rente meer is dan 30% van de EBIDTA en dit meerdere boven de drempel van € 1 miljoen uit komt. De renteaftrekbeperking geldt niet indien een belastingplichtige als zelfstandige entiteit opereert, geen onderdeel uit maakt van een groep en geen gelieerde entiteiten heeft. Gelet op de vele samenwerkingsverbanden die overheidslichamen aangaan en deelnemingen die ze vaak houden, is de vraag of bij overheidslichamen hiervan sprake kan zijn.

Deze regeling heeft betrekking op de gehele portefeuille van een belastingplichtige en treft derhalve niet alleen nieuwe maar ook bestaande leningen. De nader te implementeren earningsstrippingregeling kan met name een impact hebben op de Vpb-positie van belastingplichtigen met relatief veel vreemd vermogen en rentelasten.

De earningsstrippingregeling is opgenomen in een conceptwetsvoorstel, dat voldoet aan de minimum bepalingen van Europese richtlijnen (ATAD 1). Het vervatten van het concept wetsvoorstel in een formeel wetsvoorstel wordt uitgevoerd door het kabinet Rutte III. Dit is tot op heden nog niet gebeurd. De regeling dient op basis van de (ATAD 1) richtlijn uiterlijk 31 december 2018 in Nederlandse wetgeving geïmplementeerd te zijn.


Parkeertarieven

Gemeente Veenendaal dient op basis van een besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 26 september jl. haar parkeertarieven aan te passen. Gemeente Veenendaal hanteert namelijk niet kostendekkende tarieven, die leiden tot een verlies op de exploitatie van de parkeergarages. Hierdoor is de gemeente in overtreding met de Wet Markt en Overheid (Wet M&O), die een gelijk speelveld beoogt te creëren tussen overheden en particulieren. De door gemeente Veenendaal gehanteerde tarieven hebben geleid tot een structureel verlies op de exploitatie. Dit wordt gezien als oneerlijke concurrentie ten opzichte van commerciële parkeergarages. Gemeente Veenendaal dient derhalve haar parkeertarieven te verhogen, zodat deze tarieven in overeenstemming zijn met concurrerende tarieven van marktpartijen. Het verhogen van de parkeertarieven heeft – in algemene zin - vanzelfsprekend invloed op heffing van vennootschapsbelasting. Doordat de Wet M&O in de kostprijsbepaling een rendement op eigen vermogen vereist, zal in beginsel sprake zijn van een winstgevende exploitatie. Voor het bepalen van de integrale kostprijs dient namelijk sprake te zijn van ‘een passende vergoeding voor het voor de economische activiteit bestemde eigen kapitaal’. Hierbij komt ook de vraag aan de orde, of de vpb-last dient te worden meegenomen in de bepaling van de integrale kostprijs voor de Wet M&O.

Lokale heffingen

Wie heeft belang bij een hogere WOZ-waarde en wat zijn de gevolgen als de WOZ-waarde hoger wordt vastgesteld?

Per 1 oktober 2015 heeft de wetgever de Wet WOZ aangepast. In artikel 29, lid 1, letter b, van de Wet WOZ is opgenomen dat (ook) bezwaar gemaakt kan worden tegen een te lage WOZ-waarde. Er is geen overgangsregeling getroffen voor nog niet onherroepelijke vaststaande WOZ-waarden (b.v. omdat de WOZ-beschikking van voor die tijd nog niet is opgelegd, of omdat de WOZ-beschikking onder bezwaar en/of beroep ligt). De Hoge Raad heeft recent geoordeeld (ECLI:NL:HR:2017:2757 ) dat een ieder aan wie de WOZ-beschikking is uitgereikt belang heeft indien wordt verzocht om een hogere WOZ-waarde. Een hogere WOZ-waarde, leidt niet tot een verhoging van de aanslag OZB (of navordering op grond van artikel 18a AWR).

Casus
Een belastingplichtige heeft een WOZ-beschikking 2013 ontvangen en heeft tegen de WOZ-beschikking bezwaar aangetekend. Belastingplichtige is van mening dat de WOZ-waarde te laag is vastgesteld. De betreffende gemeente en rechtbank oordelen vóór 1 oktober 2015 in bezwaar respectievelijk beroep dat belastingplichtige niet ontvankelijk is in zijn bezwaar (er is geen procesbelang). Ook het Gerechtshof oordeelt dat een procesbelang ontbreekt en geeft aan dat het Hof dient te beoordelen of de waarde (en daarmee samenhangende aanslag) op een lager bedrag moet worden vastgesteld. De uitspraak van het Hof is van ná 1 oktober 2015. Tegen dit oordeel heeft belastingplichtige beroep in cassatie aangetekend. De Hoge Raad oordeelt dat de wetswijziging van 1 oktober 2015 onmiddellijke werking heeft en daarom heeft het Hof ten onrechte het hoger beroep niet ontvankelijk verklaard.

Is er altijd een belang bij een hogere WOZ-waarde
De Hoge Raad geeft het praktische uitgangspunt mee dat iedereen aan wie een WOZ-beschikking op grond van artikel 24 Wet WOZ bekend is gemaakt, geacht wordt een belang te hebben bij de vaststelling van een hogere WOZ-waarde (voor een medebelanghebbende gelden aanvullende eventueel beperkende regels).

Wat zijn de gevolgen voor de aanslag OZB bij vaststelling hogere WOZ-waarde?
In artikel 30 Wet WOZ is vastgelegd, dat wanneer een WOZ-beschikking tegelijk is bekendgemaakt en verenigd in een aanslag OZB, een eventueel bezwaarschrift tegen de WOZ-beschikking ook wordt beschouwd als een bezwaar tegen de aanslag OZB. Echter, zo oordeelt de Hoge Raad, een bezwaar tegen een te lage WOZ-waarde leidt niet tot een verhoging van de aanslag OZB. Evenmin kan een eventuele met succes bepleite verhoging van de WOZ-waarde leiden tot navordering door de gemeente op grond van artikel 18a AWR.


Omzetbelasting in de WOZ-waarde

Hof Arnhem-Leeuwarden deed op 19 september 2017 (ECLI:NLK:GHARL:2017:8188) een interessante uitspraak over de vraag in hoeverre omzetbelasting in de WOZ-waarde zit.
De WOZ-waarde van niet-woningen wordt in principe bepaald op de hoogste van enerzijds de waarde in het economisch verkeer en anderzijds de gecorrigeerde vervangingswaarde. Of en in hoeverre de omzetbelasting WOZ-waardeverhogend is, is afhankelijk van de waarderingsmethode. In onderhavige casus was het WOZ-object gewaardeerd via de gecorrigeerde vervangingswaarde.
Bij de gecorrigeerde vervangingswaarde wordt de waarde berekend exclusief BTW, voor zover de eigenaar van de onroerende zaak de BTW in verband met zijn gebruik kan aftrekken. Voor het geval een onroerende zaak zowel voor belaste als voor vrijgestelde prestaties wordt gebruikt, is op grond van art. 15, lid 6, Wet OB in art. 11, eerste lid, Uitvoeringsbeschikking OB bepaald dat de betaalde BTW voor aftrek in aanmerking komt in dezelfde verhouding als de verhouding waarin de omzet voor de belaste prestaties staat tot de totale omzet (pro rata).

In deze casus verricht een muziekvereniging belaste en vrijgestelde activiteiten en is zowel eigenaar als gebruiker van een muziekschool. De gemeente heeft voor 2015 de WOZ-waarde bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde inclusief 21% BTW. Het Hof oordeelt dat zowel de methodiek van omzetverhouding als werkelijk gebruik van de ruimten inzichtelijk kan maken in hoeverre belanghebbende gerechtigd is tot aftrek van de BTW bij vervanging van de onroerende zaak. In deze casus werd de omzetverhouding het meest van toepassing geacht (pro rata). Dit leidt tot een procentuele vermindering op de te berekenen BTW van de onroerende zaak.

Vond u dit nuttig?