Dossier Vpb - Aanname SVLO over vermogensverhouding gemeenten blijkt onjuist

Article

Dossier Vpb - Aanname SVLO over vermogensverhouding gemeenten blijkt onjuist

De plicht om aangifte te doen voor de vennootschapsbelasting treft sinds 1 januari 2016 ook overheden, voor zover zij ondernemingen drijven. Belastingdienst en koepelorganisaties (verenigd in de SVLO) hebben specifiek voor grondexploitaties een handreiking gepubliceerd, mede gebaseerd op enkele aannames. Deloitte toetste de aanname over het aandeel eigen vermogen van gemeenten aan de praktijk en komt tot een verrassend inzicht.

Voor het bepalen van de disconteringsvoet bij de openingsbalanswaardering is onder meer de verhouding eigen vermogen:vreemd vermogen (EV:VV) binnen een gemeente van cruciaal belang. Het SVLO gaat in haar rekenvoorbeelden uit van het landelijke gemiddelde (cijfers 2013) en stelt de verhouding EV:VV op gemiddeld 34%:66%. Gemeenten mogen volgens de handreiking uitgaan van de werkelijke verhouding, indien het EV zich binnen de bandbreedte van 30-40% van het totaal vermogen beweegt.

In het document ‘Vragen en antwoorden bij de Handreiking Vpb en het gemeentelijk grondbedrijf’ (SVLO, d.d. 14 december 2015) wordt nader toegelicht: “De handreiking is bedoeld om algemene kaders te geven gebaseerd op deze gemiddelden. We zijn er daarbij van uitgegaan dat het overgrote deel van de gemeenten binnen de genoemde bandbreedte zouden vallen.”

 

Onderzoek

Deloitte heeft onderzocht of deze aanname van de SVLO juist is. Daarvoor zijn de jaarrekeningen 2015 van alle gemeenten geanalyseerd, een compleet beeld dus. Voor de afbakening van vreemd vermogen en eigen vermogen is aangesloten op de definitie volgens het BBV, zoals die ook wordt gehanteerd bij het bepalen van het toerekenbare rentepercentage voor grondexploitaties. Voorzieningen zijn daarbij aangemerkt als vreemd vermogen. Vanuit fiscale optiek zou gesteld kunnen worden dat (delen van) sommige voorzieningen het karakter kunnen hebben van eigen vermogen. Om dit te onderbouwen zou per gemeente elke voorziening moeten worden geanalyseerd. Dit valt buiten de scope van dit onderzoek.

Deze data analyse (met peildatum ultimo 2015) leidt tot de volgende conclusies:

  • Het gemiddelde aandeel eigen vermogen t.o.v. totaal vermogen van gemeenten is 34,5%. Dat is in lijn met het gemiddelde, zoals de SVLO in haar handreiking stelde (gebaseerd op cijfers 2013).
  • Van 230 gemeenten (59%) is het EV-aandeel lager dan het gemiddelde, 163 gemeenten (41%) hebben een hoger EV-aandeel.
  • Er zijn 81 gemeenten die met hun verhouding EV:VV daadwerkelijk binnen de SVLO bandbreedte (30-40% EV) vallen. Dat staat gelijk aan slechts 20,6% van alle gemeenten. De stelling van de SVLO, dat het merendeel van de gemeenten binnen de gestelde bandbreedte zou vallen, blijkt daarmee onjuist te zijn.
  • Gemiddeld genomen ligt het EV in krimpgemeenten marginaal hoger dan in groeigemeenten (afhankelijk van de uitgangspunten zit er 3,0% tot 5,7% verschil tussen)
  • Het gemiddelde EV ligt het hoogst voor gemeenten in de provincie Flevoland (43,5%) en het laagst in de provincie Zeeland (24,3%). Zie tabel 2.

Wat betekent dat nu?

Niet alle gemeenten gaan met hun grondexploitatieactiviteiten door de spreekwoordelijke ‘poort’ en worden Vpb-plichtig. Dat maakt het lastig om de impact van met name de derde conclusie concreet te duiden. In zijn algemeenheid is de verwachting echter legitiem dat de druk op de Belastingdienst, om in individuele gevallen uitspraken te doen, verder toeneemt. In het eerder aangehaalde document ‘Vragen en antwoorden…’ d.d. 14 december 2015 wordt over de bandbreedte namelijk het volgende gesteld: “Indien een gemeente niet binnen de bandbreedte valt kan niet automatisch worden uitgegaan van de (uitkomst) van de berekening. Voor het bepalen van de waarde van de openingsbalans zult u zich moeten baseren op de feiten en omstandigheden zoals die zich in uw gemeente voordoen. Op dit punt is, in voorkomende gevallen, nadere afstemming met uw competente inspecteur noodzakelijk.”

Het merendeel van de gemeenten kan op het punt van EV:VV-verhouding dus niet steunen op de relatieve veiligheid die de handreiking lijkt te bieden. Voor hen is uitsluitsel van de Belastingdienst noodzakelijk. Nog los van alle andere uitgangspunten betekent dit in voorkomende gevallen onzekerheid over de hoogte van de WACC en daarmee over de openingsbalanswaardering. Met het einde van het eerste belastingjaar in zicht, is dat geen gelukkige positie.

 

WACC

Met de EV:VV verhouding van gemeenten in beeld, is de eerste stap gezet richting inzicht in de feitelijke WACC die gemeenten moeten hanteren om de openingsbalanswaarde te kunnen bepalen. Om die WACC daadwerkelijk te berekenen is nog een tweede gegeven nodig: inzicht in de werkelijke gemiddelde rentepercentages per gemeente (ultimo 2015).

Deze gegevens zijn niet sluitend op te maken uit de gemeentelijke jaarrekeningen 2015. Ook de IV3 registratie (een verplichting voor gemeenten om specifieke gegevens gestructureerd aan het CBS te leveren) biedt geen uitkomst. De beschikbare IV3-lijsten blijken op dit punt niet voldoende betrouwbaar dan wel niet volledig genoeg gevuld om de analyse te kunnen maken. Deloitte onderzoekt andere wegen om deze gegevens te achterhalen, zodat we ook op dit punt de veronderstelling van de SVLO kunnen toetsen aan de praktijk. De resultaten publiceren we wederom in een artikel.

 

Meer weten?

Wilt u meer weten over Vpb-plicht voor grondbedrijfsactiviteiten? Neem dan contact op met Hakan Celik via +31 (0)88 2883734 of Arnold Joost via +31 (0)88 2882872

Vond u dit nuttig?