C’est parti - Hof van Justitie over btw-positie Nederlandse pensioenfondsen | Deloitte Nederland

Article

C’est parti - Hof van Justitie over btw-positie Nederlandse pensioenfondsen

Kan de btw-vrijstelling worden toegepast op de beheersdiensten aan Nederlandse pensioenfondsen?

9 oktober 2023

Op 5 oktober 2023 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJ”) in Luxemburg over de toepassing van de btw-vrijstelling op beheersdiensten aan Nederlandse pensioenfondsen die een voorwaardelijke middelloonregeling uitvoeren (DB-regeling zonder bijstortverplichting of CDC-regeling). De kernvraag is of de deelnemers van het pensioenfonds het beleggingsrisico dragen.

Als dit zo is, kwalificeert het pensioenfonds als een gemeenschappelijk beleggingsfonds en is het beheer vrijgesteld van btw.

Achtergrond

De Hoge Raad heeft in 2016 geoordeeld dat de deelnemers in een Nederlands pensioenfonds dat een voorwaardelijke middelloonregeling uitvoert, geen risico van voldoende betekenis lopen. Daardoor kwalificeren dergelijke pensioenfondsen niet als gemeenschappelijke beleggingsfondsen en is het beheer van deze pensioenfondsen niet vrijgesteld van btw.

Het vereiste van de Hoge Raad dat het beleggingsrisico van voldoende betekenis moet zijn, volgt volgens meerdere belanghebbenden niet uit eerdere jurisprudentie van het HvJ. In een zestal zaken heeft Rechtbank Gelderland, door gebruik te maken van de mogelijkheid tot het stellen van prejudiciële vragen, het HvJ gevraagd hier duidelijkheid over te scheppen.

In de kern vraagt Rechtbank Gelderland of het beleggingsrisico ook kan worden gedragen door de collectiviteit van deelnemers en of relevant is dat de hoogte van de pensioenuitkering mede afhankelijk is van factoren zoals het aantal jaren van pensioenopbouw, de hoogte van het salaris en de rekenrente.

Hoorzitting

Ter zitting waren onder andere de (gemachtigden van de) betreffende pensioenfondsen, de Nederlandse regering, de Deense regering en de Europese Commissie (“EC”) aanwezig.

De Nederlandse regering stelt dat voor beleggingsrisico een rechtstreeks verband aanwezig moet zijn tussen de beleggingsrendementen en de hoogte van de pensioenuitkeringen.

De pensioenfondsen en de EC stellen dat de Nederlandse regering een te strikte uitleg geeft aan de rechtspraak van het HvJ. Het is voldoende dat de deelnemers een beleggingsrisico lopen, de mate waarin is niet van belang. Dit doet ook niet af aan de vergelijkbaarheid met icbe’s. Pensioenfondsen hebben naar hun aard ook strengere prudentiële regels dan een icbe. Het is dan ook onredelijk om te stellen dat het risico van een deelnemer in een pensioenfonds gelijk dient te zijn aan het risico dat een deelnemer in een icbe loopt. De deelnemer in een pensioenfonds is immers een lange termijn belegger en het pensioenkapitaal is in beginsel enkel opvraagbaar bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Het gaat om spaargeld dat de levensstandaard dient te beschermen als het arbeidsinkomen van de deelnemer wegvalt. Ondanks deze verschillen heeft het HvJ eerder geoordeeld dat een pensioenfonds vergelijkbaar kan zijn met een icbe (zaak ATP).

De pensioenfondsen stellen dat de regels voor de rekenrente en dekkingsgraad ook niet tot gevolg hebben dat het beleggingsrisico van de deelnemers wordt beperkt of uitgesloten. Ook pensioenfondsen die een individuele DC-regeling uitvoeren (en wel kwalificeren als een gemeenschappelijk beleggingsfonds), dienen zich aan deze regels te houden. De dekkingsgraad en rekenrente zorgen slechts dat het risico en de geldelijke gevolgen evenwichtig over de deelnemers wordt verdeeld.

De Nederlandse pensioenregeling bevat volgens de pensioenfondsen geen garanties zodat beleggingsresultaten altijd ten goede of ten laste komen van de deelnemers. Dat wordt gestreefd naar een bepaalde uitkering betekent niet dat een bepaald minimum rendement of een minimum rente wordt gegarandeerd.

De EC roept ter zitting het HvJ op in deze zaken duidelijkheid te scheppen en invulling te geven aan het criterium “beleggingsrisico”. De Advocaat-Generaal Kokott sluit de hoorzitting met de opmerking dat zij op 11 januari 2024 conclusie zal nemen in deze zaken.

Praktische implicaties en Wet toekomst pensioenen

De hoorzitting was een eerste stap naar duidelijkheid voor de Nederlandse pensioensector. De uitkomst van deze procedure is vanzelfsprekend van belang voor de vele lopende beroep- en bezwaarprocedures met een vergelijkbaar geschil, maar wij denken dat dat de uitkomst van de HvJ zaken een bredere impact kan hebben op de financiële sector. Het HvJ zal, na de conclusie van Advocaat-Generaal Kokott, mogelijk meer toelichting bieden wat het begrip “beleggingsrisico” omhelst en in welke mate de deelnemers van fondsen het beleggingsrisico dienen te dragen.

Overigens dient hierbij in ogenschouw te worden genomen dat deze procedure bij het HvJ verschilt van de discussie voor de btw-behandeling van de transitiekosten naar het nieuwe pensioenstelsel. Zie hiervoor een andere alert waar we uitgebreid op dit onderwerp ingaan.

Slot

De uitkomst van deze procedure zal een grote impact hebben op de beheerkosten die pensioenfondsen in Nederland hebben gemaakt. Wij bespreken de mogelijke gevolgen en afwikkeling bij verschillende uitkomsten graag met u.

Did you find this useful?