Hoge Raad oordeelt of een bank de werkelijk gebruik methode mag toepassen voor zijn btw aftrek op algem | Deloitte Nederland

Article

Hoge Raad oordeelt of een bank de werkelijk gebruik methode mag toepassen voor zijn btw aftrek op algemene kosten

De Hoge Raad staat de werkelijk gebruik methode niet toe, ruimte hiervoor blijft bestaan.

12 november 2022

De Hoge Raad heeft op 11 november 2022 geoordeeld dat een Nederlandse bank voor zijn bepaling van het recht van aftrek van voorbelasting de werkelijk gebruik methode niet mag toepassen (in plaats van de omzetmethode).

In een vorig alert hebben wij hier al aandacht aan besteed naar aanleiding van de conclusie van A-G Ettema in deze zaak.

Achtergrond

De bank is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting en bestaat uit twee groepen vennootschappen, namelijk A NV met haar dochtervennootschappen (Bankbedrijf A) en B NV met haar dochtervennootschappen (Bankbedrijf B). De bank bestaat dus uit twee bankbedrijven die afzonderlijk btw-aangifte doen en hun recht op aftrek van btw op kosten ook afzonderlijk hebben vastgesteld. In geschil is of het recht op aftrek voor bankbedrijf A kan worden vastgesteld aan de hand van een werkelijk gebruik methode in plaats van de omzetmethode.

Bankbedrijf A heeft een bedrijfseconomische analyse gemaakt van de rentabiliteit (P&L) per product. Op basis van de rentabiliteit van deze producten, zijn de kosten op grond van drie verdeelsleutels gealloceerd aan de diverse productgroepen. Deze sleutels zijn bepaald op basis van tijdsregistratie, daadwerkelijke productafname en evenredige verdeling. Dit resulteerde in een toerekening van algemene kosten aan de twee belangrijkste omzetcategorieën, de provisiebaten en interestbaten.

Hof Den Bosch oordeelde dat Bankbedrijf A de werkelijk gebruik methode mag toepassen. De werkelijk gebruik methode leidt volgens het Hof tot een nauwkeuriger bepaling van het aftrekbare bedrag aan omzetbelasting dan de omzetmethode. De gehanteerde berekening van de rentabiliteit per product is volgens het Hof ook gebaseerd op voldoende objectieve en nauwkeurig vast te stellen gegevens die leiden tot een nauwkeuriger bepaling van het werkelijke gebruik van de door de bank gemengd gebruikte goederen en diensten.

Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat de werkelijk gebruik methode moet berusten op objectief en nauwkeurig vast te stellen gegevens. Deze gegevens moeten van dien aard zijn dat het werkelijk gebruik daarmee ook objectief en nauwkeurig is vast te stellen. Deze interpretatie is strikter dan benoemd in Europese rechtspraak, maar is volgens de Hoge Raad wel toegestaan door de ruimte die de richtlijn biedt aan Lidstaten om voorwaarden te stellen wanneer een aftrekpercentage op basis van werkelijk gebruik is geïmplementeerd in de nationale wetgeving. De uitleg die het Hof heeft gegeven is dan ook onjuist. Om van de omzetmethode te kunnen afwijken is het niet voldoende om slechts een berekeningsmethode te hanteren die een nauwkeuriger resultaat geeft dan de omzetmethode.

Voor de beoordeling of de pro rata naar werkelijk gebruik kan worden toegepast, moet het gebruik van de kosten van alle gemengd gebruikte goederen en diensten “als geheel genomen” niet overeenkomen met de omzetmethode. Voor de bank geldt dat dit per bankbedrijf kan worden vastgesteld, maar dan moeten wel alle gemengd gebruikte goederen en diensten van alle entiteiten van dat bankbedrijf worden meegenomen. De Inspecteur heeft voor het Hof gesteld dat belanghebbende dit heeft nagelaten en gemengde kosten van dochtervennootschappen niet in de berekening heeft opgenomen. Belanghebbende heeft deze stelling van de Inspecteur niet weersproken en ook het Hof is hier niet op ingegaan. Daarom moet volgens de Hoge Raad in cassatie ervan worden uitgegaan dat belanghebbende bij de berekening van de pro rata naar werkelijk gebruik niet alle (gemengde) kosten heeft meegenomen in zijn berekening. Dit betekent volgens de Hoge Raad dat niet voldaan is aan het begrip “als geheel genomen”.

De overige klachten doet de Hoge Raad af met artikel 81 R.O. aangezien volgens de Hoge Raad bij de beoordeling van deze klachten het namelijk niet nodig is om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht.

Implicaties praktijk

De praktijk heeft lang uitgekeken naar het oordeel van de Hoge Raad over de werkelijk gebruik methode en in hoeverre deze door belanghebbende kon worden toegepast op basis van de bedrijfseconomische analyse van de rentabiliteit (P&L) per product. De Hoge Raad bevestigt dat belanghebbende het werkelijk gebruik per bankbedrijf kan vaststellen maar komt helaas niet toe aan het oordeel of de gebruikte P&L methode in de basis daarvoor zou kunnen volstaan. De Hoge Raad strandt bij de vaststelling dat daarvoor de kosten van alle gemengd gebruikte goederen en diensten van Bankbedrijf A moeten worden meegenomen, hetgeen belanghebbende heeft nagelaten.

Hiermee valt het doek voor belanghebbende, maar dit betekent geenszins dat daarmee een pro rata berekening op basis van werkelijk gebruik niet mogelijk is. Zolang de werkelijk gebruik methode berust op objectief en nauwkeurig vast te stellen gegevens en het gebruik van de kosten van alle gemengd gebruikte goederen en diensten “als geheel” zijn meegenomen dan kan naar onze mening een aftrek op basis van werkelijk gebruik worden toegepast.

Did you find this useful?