Hoge Raad scherpt voorwaarden voor immateriële schadevergoeding aan | Deloitte Nederland

Article

Hoge Raad scherpt voorwaarden voor immateriële schadevergoeding aan

Als het financiële belang bij een procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden overschreden is, hoeft niet langer een immateriële schadevergoeding te worden toegekend.

17 juni 2024

Immateriële schadevergoeding boetezaken

Art. 6, eerste lid, EVRM bepaalt dat eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging (‘criminal charge’) binnen een redelijke termijn recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Uitgangspunt is dat de rechtbank binnen twee jaar uitspraak moet doen nadat de belastingdienst een kennisgeving heeft uitgebracht waarin een boete wordt aangekondigd. Dit betekent dat in deze tweejaarstermijn niet alleen de bezwaarfase is inbegrepen, maar ook de periode die verstrijkt tussen de kennisgeving van de boete en het daadwerkelijk opleggen daarvan. Het gerechtshof moet binnen twee jaar uitspraak doen nadat hoger beroep is ingesteld. Voor de behandeling van het beroep in cassatie door de Hoge Raad geldt eenzelfde termijn. Wordt de redelijke termijn overschreden, dan leidt dit doorgaans tot vermindering van de boete. Bedraagt de boete minder dan € 1.000, dan kan de rechter echter volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Immateriële schadevergoeding belastingzaken

In 2011 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat belastingplichtigen ook in procedures waar geen boete in het geding is aanspraak kunnen maken op berechting binnen een redelijke termijn en dat ingeval van termijnoverschrijding aanspraak bestaat op een immateriële schadevergoeding. De vergoeding bedraagt als uitgangspunt € 500 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, tenzij het financiële belang bij de procedure zeer gering is (minder dan € 15). Een belangrijk verschil met boetezaken is dat belastingplichtigen uitdrukkelijk om een schadevergoeding moeten verzoeken en dat de redelijke termijn aanvangt met de indiening van het bezwaarschrift.

Aangescherpte regels

Omdat gebleken is dat er steeds meer procedures worden gevoerd over kleine financiële belangen met als belangrijkste doel om een immateriële schadevergoeding en een proceskostenvergoeding in de wacht te slepen, heeft de Hoge Raad de regels op dit punt recentelijk aangescherpt. Voortaan kan de rechter in belastingzaken bij een financieel belang van minder € 1.000 volstaan met de enkele constatering dat de termijn is overschreden, althans indien de termijnoverschrijding minder dan twaalf maanden bedraagt. Ook bij een termijnoverschrijding met meer dan twaalf maanden is een vergoeding in die gevallen niet meer vanzelfsprekend. De belastingrechter moet dan een afweging maken van alle belangen op basis van de omstandigheden van het geval.

Volgens de Hoge Raad is deze nieuwe lijn niet in strijd met rechtspraak van het EHRM. De nieuwe regels gelden echter niet voor zaken waarin een belastingplichtige reeds voorafgaand aan de datum van het arrest (14 juni 2024) om immateriële schadevergoeding hadden verzocht en de redelijke termijn op dat moment reeds was overschreden.

Financieel belang

De Hoge Raad gaat ten slotte in op de vaststelling van het financiële belang bij een procedure. Daarbij gaat het om het gezamenlijke bedrag van de belastingaanslagen en voor bezwaar vatbare beschikkingen (zoals belastingrente) waartegen het beroep van belastingplichtige zich richt, met uitzondering van een eventuele omdat daarvoor een afzonderlijke regeling geldt. Het financiële effect van een standpunt telt echter niet mee als dit tegen beter weten in wordt ingenomen.

Als de rechter meerdere zaken van dezelfde belastingplichtige gezamenlijk behandelt, moet worden beoordeeld of deze hoofdzakelijk over hetzelfde onderwerp gaan. Zogenoemde nevenbeslissingen, zoals ten aanzien van de proceskosten, griffierechten, wettelijke rente en (immateriële) schade tellen echter niet mee als financieel belang, zelfs als in hoger beroep of cassatie alleen nog die nevenbeslissingen in geding zijn.

In de voorliggende zaak is Hof Den Bosch volgens de Hoge Raad terecht tot de conclusie gekomen dat het financiële belang bij de procedure zeer gering is. Daarom kon het gerechtshof volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.


Bron: HR 14 juni 2024, 22/04592, ECLI:NL:HR:2024:853

Did you find this useful?