Hoogte liquidatieverlies bij aankoop deelneming vóór ontstaan belastingplicht | Deloitte Nederland

Article

Hoogte liquidatieverlies bij aankoop deelneming vóór ontstaan belastingplicht

De Hoge Raad oordeelt over de hoogte van het opgeofferd bedrag in de situatie waarin de vennootschap belastingplichtig geworden is tijdens de bezitsperiode van de geliquideerde deelnemingen.

10 november 2022

Feiten en achtergrond

Belanghebbende is een naamloze vennootschap (N.V.) die door de inwerkingtreding van de Wet modernisering vennootschapsbelastingplicht overheidsondernemingen (WmVpbO) per 1 januari 2016 vennootschapsbelastingplichtig is geworden. Op die datum hield belanghebbende aandelen in een tweetal besloten vennootschappen. Deze aandelenbelangen kwalificeerden als deelneming. In de loop van 2016 zijn beide bv’s echter geliquideerd en vereffend. De historische kostprijs van deze deelnemingen bedroeg € 5.469.888. Aangezien geen liquidatie-uitkeringen hebben plaatsgevonden, heeft belanghebbende de kostprijs van de aandelen in de aangifte Vpb 2016 met toepassing van de liquidatieverliesregeling (art. 13d Wet Vpb 1969) ten laste van de winst gebracht.

De Inspecteur weigerde de aftrek van het liquidatieverlies en stelde dat voor het bepalen van de aftrek gekeken moet worden naar de waarde in het economische verkeer van de deelnemingen op het moment dat de vpb-plicht ontstaat, oftewel de openingsbalanswaarde. Die bedroeg in dit geval nihil. Verder voert de Inspecteur aan dat het verlies materieel geleden is vóór 2016. Het nemen van een liquidatieverlies zou onder die omstandigheden in strijd komen met doel en strekking van de Wet Vpb 1969. Met toepassing van de compartimenteringsleer zou slechts het verlies in aftrek mogen worden genomen dat is ontstaan in de periode dat belanghebbende belastingplichtig was.

Rechtbank Noord-Nederland volgde de redenatie van de Inspecteur echter niet en oordeelde dat een grammaticale uitleg van de wettekst (art. 13d Wet Vpb 1969) gevolgd moet worden. Er is in de WmVpbO geen overgangsrecht opgenomen met betrekking tot de liquidatieverliesregeling. Ook ziet de rechtbank in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten voor een uitleg die afwijkt van de wettekst. De rechtbank stelt de belanghebbende in het gelijk en verklaart het beroep gegrond. Namens de staatssecretaris is tegen deze uitspraak sprongcassatie ingesteld.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad volgt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat noch de tekst noch de strekking van de liquidatieverliesregeling (art. 13d Wet Vpb 1969) aanleiding geeft om aan te nemen dat een liquidatieverlies van aftrek is uitgesloten voor zover dat verlies is toe te rekenen aan een periode waarin de belastingplichtige nog niet vennootschapsbelastingplichtig was. Voor de rechter bestaat er geen grond om met een redelijke wetstoepassing het liquidatieverlies te beperken tot het gedeelte dat is toe te rekenen aan de periode waarin de belanghebbende belastingplichtig is. De omvang van het opgeofferde bedrag knoopt immers niet aan bij een balanspost, maar is een extracomptabele grootheid. Voor de bepaling van een liquidatieverlies is dan ook niet van belang op welke wijze de belastingplichtige de deelneming op haar balans heeft gewaardeerd. De liquidatieverliesregeling zoekt geen aansluiting bij de totaalwinst, maar strekt ertoe een lichaam een tegemoetkoming te geven voor verrekenbare verliezen van deelnemingen die voorgoed verloren zijn gegaan.

Gelet op het bovenstaande verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond. Voor de bepaling van de hoogte van het opgeofferde bedrag moet in deze situatie – waar de verkrijging van de deelneming vóór het ontstaan van de belastingplicht ligt – gekeken worden naar de historische kostprijs van de geliquideerde deelnemingen.


Bron: HR 4 november 2022, 21/02980, ECLI:NL:HR:2022:1578

Did you find this useful?