HvJ orakelt over de Duitse fiscale eenheid btw | Deloitte Nederland

Article

HvJ orakelt over de Duitse fiscale eenheid btw

Meerderheid van de stemrechten als vereiste voor de financiële verwevenheidseis is in strijd met EU-recht

6 december 2022

Het Hof van Justitie EU (“HvJ”) heeft op 1 december 2022 twee arresten gewezen met betrekking tot de toepassing van de fiscale eenheid btw in Duitsland (C-141/20 en C-269/20).

In deze alert gaan wij nader in op de zaak C-141/20 (Norddeutsche Gesellschaft für Diakonie) (“NGD”) en staan wij kort stil bij de zaak C-269/20 (Finanzamt T). Hieruit volgt dat een lidstaat niet mag eisen dat een meerderheid van de stemrechten (zeggenschap) in een andere onderneming in bezit is om een fiscale eenheid te vormen voor de btw. Bovendien gaat het HvJ in op de zelfstandigheid voor de btw van de onderdelen van de fiscale eenheid.

Achtergrond

Op grond van de Btw-richtlijn kan een lidstaat personen die binnen het grondgebied van deze lidstaat gevestigd zijn als één belastingplichtige aanmerken.

Lidstaten mogen in het kader van hun beoordelingsmarge wel bepaalde voorwaarden voor de toepassing van de regeling inzake btw-groepen stellen, mits die voorwaarden stroken met de doelstellingen van de Btw-richtlijn die erin bestaan misbruik te voorkomen en belastingfraude of -ontwijking te bestrijden

In de onderhavige arresten staat de toepassing van de fiscale eenheid btw in Duitsland (de “Organschaft”) ter discussie. De Organschaft wordt gevormd wanneer uit het geheel van de feitelijke omstandigheden blijkt dat een rechtspersoon financieel, economisch en organisatorisch gezien is opgenomen in de onderneming van het overkoepelende orgaan.

De zaak NGD

In de zaak NGD staat met name de “financiële verwevenheidseis” ter discussie. Conform de Duitse wetgeving, dient onder andere de meerderheid van de stemrechten en de meerderheid van de stemrechten in bezit te zijn van het overkoepelende orgaan.

De economische activiteiten van de entiteiten die zijn opgenomen in het overkoepelende orgaan worden geacht niet zelfstandig te worden uitgeoefend. De leden van de Organschaft die in een ondergeschikte positie staan ten opzichte van het overkoepelende orgaan worden namelijk geacht geen eigen wil te hebben. De gezamenlijke omzet van die entiteiten wordt dan ook toegerekend aan het overkoepelende orgaan, dat gehouden is tot voldoening van de over die totale omzet verschuldigde btw.

Prejudiciële vragen

Het HvJ beantwoordt in het arrest drie van de gestelde vier prejudiciële vragen:

  1. Mag een lidstaat niet de fiscale eenheid zelf, maar een lid ervan (het overkoepelende orgaan) als enige belastingplichtige aanwijzen?
  2. Mag een lidstaat voor het vormen van fiscale eenheid eisen dat het overkoepelende orgaan niet alleen een meerderheidsbelang in het kapitaal van een entiteit heeft, maar ook beschikt over de meerderheid van de stemrechten daarvan?
  3. Mag een lidstaat de gecontroleerde leden van de fiscale eenheid als niet-zelfstandige entiteiten aanmerken voor de btw?

Oordeel HvJ

Lidstaat mag één onderdeel als belastingplichtige aanwijzen

Het HvJ oordeelt dat Duitsland het overkoepelende orgaan als enige belastingplichtige mag aanwijzen aangezien (i) de aangifteplicht hetzelfde is als wanneer de fiscale eenheid zelf als belastingplichtige zou worden aangemerkt en (ii) omdat in het Duitse recht bepalingen zijn opgenomen waardoor de Duitse belastingautoriteiten zich kunnen wenden tot de andere entiteiten van die fiscale eenheid om de btw-verplichtingen te voldoen.

Meerderheid stemrechten mag niet wordt vereist om aan de financiële verwevenheidseis te voldoen

De financiële verwevenheidseis dient autonoom en uniform te worden uitgelegd binnen de EU. Daarbij mag de financiële verwevenheidseis niet restrictief worden uitgelegd.

De Uniewetgever heeft volgens het HvJ de fiscale eenheid regeling niet willen beperken tot entiteiten die zich in een verhouding van ondergeschiktheid bevinden ten opzichte van het overkoepelende orgaan. Dat een verhouding van ondergeschiktheid bestaat wekt wel het vermoeden dat het verband tussen de betrokken entiteiten nauw is, maar mag niet als noodzakelijke voorwaarde worden vereist voor de vorming van een fiscale eenheid. Dit zou slechts anders zijn in het uitzonderlijke geval dat deze voorwaarde nodig en geschikt zou zijn om misbruik en belastingfraude of -ontwijking te bestrijden.

Het HvJ oordeelt dan ook dat de meerderheid van de stemrechten niet als voorwaarde mag worden gesteld om te voldoen aan de financiële verwevenheidseis als het controlerende orgaan al een meerderheidsbelang heeft in de betrokken entiteit.

Niet geoorloofd om via categorisering bepaalde entiteiten als niet-zelfstandig aan te wijzen

Het is niet toegestaan dat een lidstaat bepaalde entiteiten via categorisering als niet-zelfstandige entiteiten aanmerkt, wanneer die entiteiten financieel, economisch en organisatorisch zijn opgenomen in het overkoepelende orgaan van de fiscale eenheid.

Het HvJ overweegt dat lidmaatschap van een fiscale eenheid niet meebrengt dat die ondergeschikte leden geen zelfstandige economische activiteiten meer verrichten.

De zaak Finanzamt T

In de zaak Finanzamt T is ook sprake van een overkoepelend orgaan. Deze is deels btw-ondernemer en deels niet-ondernemer als gevolg van het uitvoeren van overheidstaken. Dit orgaan ontvangt schoonmaakdiensten van een dochtervennootschap. Samen voldoen zij aan de verwevenheidsvereisten.

Ook in dit geval oordeelde het HvJ dat Duitsland een overkoepelend orgaan als enige belastingplichtige mag aanwijzen.

Op de tweede prejudiciële vraag of de dochtervennootschap btw-vrij diensten kan verlenen ten behoeve van het niet-economische deel van het overkoepelende orgaan antwoordt het HvJ dat deze dienstverlening die bestemd is voor het uitvoeren van een overheidstaak inderdaad niet belast is met btw.

Implicaties praktijk

Met name uit het arrest NGD blijkt nogmaals dat er een beperking bestaat op de discretionaire bevoegdheid van EU-lidstaten bij het inrichten van het fiscale eenheid btw. Duidelijk is dat de financiële verwevenheidseis een communautair begrip is en derhalve in beginsel door alle lidstaten op eenzelfde wijze dient te worden uitgelegd.

Nederland hanteert op basis van een Hoge Raad arrest uit 1989 de eis dat de meerderheid van de stemrechten (on)middellijk in dezelfde handen dient te zijn om te kunnen voldoen aan de financiële verwevenheidseis. Uit het HvJ arrest NGD blijkt dat deze voorwaarde in principe niet geoorloofd is. Dit betekent dat het voldoende zou moeten zijn om slechts de meerderheid in het aandelenkapitaal in bezit te hebben. Dit zou een versoepeling inhouden voor de Nederlandse praktijk.

Het oordeel van het HvJ rondom de zelfstandigheid blinkt wat ons betreft niet uit in helderheid. Duidelijk is dat ieder onderdeel van de fiscale eenheid niet zijn zelfstandigheid verliest als het een economische activiteit uitvoert. Het HvJ geeft vervolgens niet aan wat de gevolgen zijn hiervan voor de btw heffing (bijvoorbeeld of onderlinge transacties dan ook impact kunnen hebben op de pro rata berekening of zelfs belast kunnen zijn).

De impact van het antwoord op de vraag over zelfstandigheid is voor de praktijk dus nog onduidelijk.

Did you find this useful?