Reikwijdte aanpassing zakelijkheidsbeginsel verduidelijkt door de staatssecretaris | Deloitte Nederland

Article

Reikwijdte aanpassing zakelijkheidsbeginsel verduidelijkt door de staatssecretaris

Art. 8bd Wet Vpb 1969 is onder voorwaarden niet van toepassing in de situatie waarbij sprake is van een verkrijging van een subjectief vrijgesteld lichaam of een lichaam dat niet is onderworpen aan een winstbelasting.

25 januari 2023

Inhoud en achtergrond van de wettelijke regeling

Op 1 januari 2022 is de Wet tegengaan mismatches bij toepassing van het zakelijkheidsbeginsel ingevoerd. Deze wet beoogt de mismatches die ontstaan door een verschil in toepassing van het zakelijkheidsbeginsel in de vennootschapsbelasting weg te nemen. De wet bestrijkt verschillende soorten verrekenprijsverschillen. In situaties dat er geen verrekenprijs is, omdat bijvoorbeeld sprake is van een kapitaalstorting, kunnen echter ook mismatches ontstaan. Dit is het geval als voor de belastingheffing bij de overdrager van het vermogensbestanddeel en de verkrijger daarvan van verschillende waarden wordt uitgegaan.

Art. 8bd Wet Vpb 1969 beoogt dubbele niet-heffing als gevolg van een waarderingsverschil te voorkomen. De bepaling is kort gezegd van toepassing als:

  • er sprake is van de verkrijging van een vermogensbestanddeel;
  • van een gelieerd lichaam als bedoeld in art. 8b Wet Vpb 1969;
  • door middel van een kapitaalstorting, winstuitdeling, teruggaaf van gestort kapitaal, liquidatie-uitkering of een daarmee vergelijkbare rechtshandeling; waarvan
  • de waarde in het economische verkeer hoger is dan de waarde die bij het betrokken gelieerde lichaam ter zake van de overdracht van dat vermogensbestanddeel wordt betrokken in een naar de winst geheven belasting (ook wel de afrekenwaarde).


Als de waarde in het economische verkeer hoger is dan de afrekenwaarde,  vindt de waardering bij de verkrijger plaats tegen de afrekenwaarde. Het gaat daarbij niet om het bedrag dat in de heffing is betrokken bij de overdrager, maar om de waarde van het vermogensbestanddeel aan de hand waarvan de heffing is bepaald bij de overdrager.

Subjectief vrijgestelde lichamen en staten zonder winstbelasting

De vraag rijst wat de afrekenwaarde is als de overdrager subjectief is vrijgesteld (de gehele door het lichaam behaalde winst valt dan buiten de heffing) of is gevestigd in een staat waar het lichaam niet is onderworpen aan een winstbelasting (staten zonder winstbelasting). Letterlijke toepassing van art. 8bd, lid 1, Wet Vpb 1969 brengt met zich mee dat de belastingplichtige het vermogensbestanddeel dan moet waarderen op nihil. Immers, de waarde van het overgedragen vermogensbestanddeel die bij de overdrager wordt betrokken in een naar de winst geheven belasting is nihil.

Verduidelijking bepaling

De Staatssecretaris van Financiën heeft een besluit gepubliceerd ter verduidelijking van de toepassing van art. 8bd Wet Vpb 1969. Hierin staat samengevat het volgende:

  • Als de belastingplichtige een vermogensbestanddeel verkrijgt door middel van een kapitaalstorting, winstuitdeling, teruggaaf van gestort kapitaal, liquidatie-uitkering of een daarmee vergelijkbare rechtshandeling van een overdragend lichaam dat subjectief is vrijgesteld van winstbelasting of is gevestigd in een staat waar het lichaam niet is onderworpen aan een winstbelasting, blijft toepassing van art. 8bd Wet Vpb 1969 achterwege als zowel in de civielrechtelijke vormgeving van de kapitaalstorting, als in de jaarrekening van de overdrager en de belastingplichtige, voor de kapitaalstorting de waarde in het economische verkeer wordt gehanteerd.
     

Bron: Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 11 januari 2023, nr. 2022-322315, Stcrt. 2023, 2621.

Did you find this useful?