Bent u Klaar voor de Nieuwe Regels | Deloitte Nederland

Article

Bent u Klaar voor de Nieuwe Regels?

Update over gevolgen loonheffingen bij inhuur ZZP

9 juli 2024

Is uw organisatie voorbereid op de handhaving per 1 januari 2025 en de verduidelijking van wetgeving vanaf 2026?

Zoals via meerdere media al bekend is gemaakt en u zeker niet ontgaan kan zijn, wordt in alle overheidscommunicatie aangegeven dat het handhavingsmoratorium voor het inhuren van zzp-ers per 1 januari 2025 wordt opgeheven. De Belastingdienst bereid zich op dit moment nauwgezet voor om per 1 januari controles voor de loonheffingen in te kunnen stellen en naheffingsaanslagen loonheffingen op te leggen op het moment dat volgens haar inzicht een zzp’er niet buiten (fictieve) dienstbetrekking werkt.

Naast de opheffing van het handhavingsmoratorium loopt het wetgevingstraject om de huidige wetgeving zoals opgenomen in het Burgerlijk Wetboek (BW) te verduidelijken. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna; de Minister) heeft op 27 juni 2024 advies gevraagd aan de Raad van State inzake het aangepaste wetsvoorstel ‘Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden’ (hierna: wet Vbar). Met de aanpassing wordt het wettelijke vereiste voor een arbeidsovereenkomst ‘werken in dienst van’ (gezag) volgens de Minister verder verduidelijkt. Daarnaast is nu in het wetsvoorstel geregeld dat voor het rechtsvermoeden van een (civielrechtelijke) arbeidsovereenkomst het tarief op hele bedragen wordt afgerond. Voor het jaar 2023 wordt uitgegaan van € 33,- per uur.

In deze nieuwsbrief lichten we de aanpassingen en verduidelijkingen van het nieuwe wetsvoorstel toe. Daarnaast geven we u handvaten welke acties u kunt ondernemen om per 1 januari 2025 voorbereid te zijn op het handhavingsmoratorium en op de invoering van de wet Vbar.

Doelstelling wetsvoorstel

Het wetsvoorstel bevat een toetsingskader waarmee aan de hand van elementen bepaald kan worden of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Daarnaast wordt een civielrechtelijk rechtsvermoeden geïntroduceerd bij een uurtarief onder € 33,-.

Door de open norm van ‘werken in dienst van’ (gezag) te verduidelijken, wil de wetgever de beoordeling van de arbeidsrelatie inzichtelijk en hanteerbaar maken voor partijen en moet deze bijdragen aan de naleving en de handhaving van de wetgeving. Daarnaast moet deze maatregel leiden tot een consistente beoordeling van arbeidsrelaties.

Het wetsvoorstel streeft twee hoofddoelen na met de verduidelijking van de scheidslijn tussen zelfstandigen en werknemers en de introductie van het rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst:

  • Het verminderen van schijnzelfstandigheid; en
  • Werkenden meer duidelijkheid bieden omtrent hun rechtspositie door het bieden van een duidelijk toetsingskader, zodat zelfstandigen (en hun opdrachtgevers) van te voren duidelijk weten aan welke voorwaarden zij moeten voldoen om het werk als zelfstandige te kunnen uitvoeren.

Met het wetsvoorstel wordt verder gepoogd de contractuele vrijheid van werkende en werkgevende te begrenzen als het gaat om de kwalificatie van de arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat een arbeidsovereenkomst van rechtswege bestaat als in de praktijk (de feitelijke arbeidsverhouding) sprake is van arbeid, loon en werken in dienst van. Wezen (de feitelijke situatie) gaat daarbij altijd voor schijn (de papieren weergave van de arbeidsrelatie).

Werken in dienst van (gezag)

De norm ‘werken in dienst van’ (gezag) wordt gestructureerd en ingevuld door twee hoofdelementen, waarbij het ene hoofdelement wijst op werknemerschap en het andere hoofdelement contra-indicaties bevat die wijzen op het werken als zelfstandige. Het betreft de volgende hoofdelementen:

  • werkinhoudelijke en organisatorische sturing (W van werknemerschap), en
  • werken voor eigen rekening en risico (Z van zelfstandige).

Op een later moment worden de indicaties hoe de twee hoofdelementen (W en Z) moeten worden ingevuld nog nader uitgewerkt in de regelgeving.

De beoordeling van ‘werken in dienst van’ start met de toetsing aan hoofdelement W (werkinhoudelijke en organisatorische sturing). Alleen als dit hoofdelement in enige mate aanwezig is, kan er sprake zijn van een arbeidsovereenkomst. Andersom geldt dat, als er in een casus geen indicaties zijn van werkinhoudelijke of organisatorische sturing, er ook geen sprake is van werken in dienst van en daarmee niet van een arbeidsovereenkomst. De beoordeling kan dan stoppen. Indien wel in enige mate sprake is van indicaties die wijzen op de aanwezigheid van werkinhoudelijke dan wel organisatorische sturing (hoofdelement W), dan worden deze indicaties in samenhang bezien en gewogen met de contra-indicaties (hoofdelement Z). Vervolgens wordt beoordeeld waar het zwaartepunt in een arbeidsrelatie ligt, ofwel op werkinhoudelijke en organisatorische sturing, dan wel op werken voor eigen rekening en risico. In deze benadering wordt hoofdelement W nadrukkelijk tegenover hoofdelement Z geplaatst en wordt gewogen waar het zwaartepunt ligt.

De indicaties die voor de hoofdelementen W en Z beoordeeld worden, zijn als volgt:

(W) Werkinhoudelijke en organisatorische aansturing

  • De werkgevende is bevoegd om aanwijzingen en instructies te geven over de wijze waarop de werkende de werkzaamheden moet uitvoeren en de werkende moet deze ook opvolgen.
  • De werkgevende heeft de mogelijkheid om de werkzaamheden van de werkende te controleren en is bevoegd om op basis daarvan in te grijpen.
  • De werkzaamheden worden verricht binnen het organisatorisch kader van de organisatie van de werkgevende.
  • De werkzaamheden hebben een structureel karakter binnen de organisatie.
  • Werkzaamheden worden zij-aan-zij verricht met werknemers die soortgelijke werkzaamheden verrichten.


(Z) Eigen rekening en risico

  • De financiële risico’s en resultaten van de werkzaamheden liggen bij de werkende.
  • Bij het verrichten van de werkzaamheden is de werkende zelf verantwoordelijk voor gereedschap, hulpmiddelen en materialen.
  • De werkende is in het bezit van een specifieke opleiding, werkervaring, kennis of vaardigheden, die in de organisatie van de publieke instelling niet structureel aanwezig is.
  • De werkende treedt tijdens de werkzaamheden zelfstandig naar buiten
    Er is sprake van een korte duur van de opdracht en/of een beperkt aantal uren per week.

Beide zijden van de medaille (W versus Z) kunnen in potentie evenveel gewicht in de schaal leggen. In dat geval worden de indicaties van ondernemerschap gelegen buiten de specifieke arbeidsrelatie bij de beoordeling betrokken. De indicaties die wijzen op ondernemerschap in het economisch verkeer (arbeidsrelatie overstijgend) worden OP indicaties genoemd (ondernemerschap van de persoon). Deze OP indicaties kunnen dan uitsluitsel bieden. Dit komt naar verwachting in een relatief beperkt aantal gevallen voor.

In het wetsvoorstel wordt het toetsingskader als volgt samengevat:

Rechtsvermoeden arbeidsovereenkomst bij laag tarief

Met het wetsvoorstel wordt ook een civielrechtelijk rechtsvermoeden geïntroduceerd. Dat rechtsvermoeden werkt als volgt. Als een werkende aan kan tonen dat sprake is van een uurtarief lager dan € 33,00, wordt ervan uitgegaan dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en is het aan de werkgever om te bewijzen dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.

In de adviesaanvraag is aangegeven dat het uurtarief altijd op een rond bedrag wordt afgerond. Bij een uurtarief onder € 33,00 (peildatum 1 juli 2023) kan een werkende het rechtsvermoeden inroepen. Hiermee wordt beoogd om het voor de werkenden aan de basis van de arbeidsmarkt makkelijker te maken een arbeidsovereenkomst op te eisen. Daarnaast zorgt het rechtsvermoeden voor een preventief effect.

Dit rechtsvermoeden kan alleen worden ingeroepen door de werkende zelf (of zijn vertegenwoordiger). Een vakbond of pensioenuitvoerder kan zich er in beginsel niet op beroepen. Wanneer het rechtsvermoeden is bevestigd door de rechter, kunnen de Belastingdienst en het UWV zich echter wel baseren op een dergelijke uitspraak.

Wacht niet af, kom in actie

Uitgaande van het wetsvoorstel wordt de mogelijkheid voor organisaties om zzp’ers op basis van een overeenkomst van opdracht in te huren, beperkter. Het gaat hier vooralsnog om een wetsvoorstel, echter hierin zijn ook de huidige beleidsuitgangspunten van de Belastingdienst met betrekking tot de invulling van de gezagsverhouding (deels) terug te vinden.

Het is de bedoeling dat het wetgevingstraject in het 1e kwartaal van 2025 is afgerond. Inwerkingtreding als zodanig is voorzien voor 1 januari 2026. Er komt geen overgangsrecht, zodat de wetgeving per direct van toepassing is, ook op al bestaande overeenkomsten die nu of in het verleden zijn aangegaan en nog niet beëindigd zijn per 1 januari 2026.

Hierbij merken wij op dat los van de verdere behandeling van het wetsvoorstel en het advies van de Raad van State het handhavingsmoratorium van de Belastingdienst uiterlijk vervalt met ingang van 1 januari 2025 en de Belastingdienst de handhaving op dit moment voorbereidt.

Kortom, wacht niet af tot het laatste moment, en onderneem actie. Bepaal voor uw zzp’ers of sprake is van werkinhoudelijke en/of organisatorische aansturing en hoe deze zich verhouden tot het werken voor eigen rekening en risico van de opdrachtnemer.

Deloitte Stappenplan en AI-tool Clause

Deloitte heeft een stappenplan ontwikkeld waarmee uw organisatie zich kan voorbereiden op de aanpassingen die nodig zijn in uw inhuurproces. Daarnaast kan Deloitte helpen bij de beoordeling van uw individuele casussen via onze AI-tool Clause. Clause is een tool die op basis van het contract en de beschrijving van de feitelijke situatie een eerste inschatting maakt of een werkende al dan niet voldoet aan de criteria voor het werken als zelfstandige en aangeeft waar eventuele risicofactoren liggen.

Wilt u meer informatie over ons stappenplan of over Clause, of heeft u andere vragen? Neem dan contact met ons op.

Did you find this useful?