10%-eis geldt volgens A-G ook voor vangnetbepaling in lucratiefbelangregeling | Deloitte Nederland

Article

10%-eis geldt volgens A-G ook voor vangnetbepaling in lucratiefbelangregeling

In de vangnetbepaling van de lucratiefbelangregeling is volgens de A-G ook een hefboommechanisme van toepassing. Voor met aandelen vergelijkbare rechten geldt als voorwaarde dat de inleg minder dan 10% mag belopen van het totale door eigenvermogensverschaffers ingelegde vermogen.

29 oktober 2021

Lucratief belang

Met de lucratiefbelangregeling wordt beoogd om bepaalde vermogensrechten in box 1 te belasten die, gelet op de omstandigheden waaronder zij verkregen zijn, moeten worden geacht een beloning te zijn voor werkzaamheden van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon. Zowel aandelen, vorderingen, schulden als daarmee vergelijkbare rechten kunnen onder de werking van de regeling vallen. Voor aandelen geldt als aanvullende eis dat de soort van de verkregen aandelen moet zijn achtergesteld bij andere soorten aandelen en eerstgenoemde soort minder dan 10% van het totale geplaatste kapitaal van de vennootschap mag uitmaken. Ook als de aandelen recht geven op een preferent dividend van minimaal 15%, kunnen ze onder de lucratiefbelangregeling vallen.

Indien de verkregen aandelen niet aan deze voorwaarden voldoen, maar in economische zin overeenkomen met vermogensrechten die wél aan de vereisten voldoen, kunnen de verkregen vermogensrechten op grond van de vangnetbepaling alsnog een lucratief belang vormen. Van belang hierbij is dat met de vermogensbestanddelen een extreem hoog rendement gehaald kan worden ten opzichte van het ingelegde kapitaal en het gelopen risico. Maar onduidelijk is of ook aan het voor lucratiefbelangaandelen kenmerkende hefboommechanisme moet zijn voldaan. Recentelijk heeft Advocaat-Generaal Niessen een conclusie genomen waarin hij ingaat op deze problematiek.

Managementparticipatieplan

In casu was sprake van een CFO in een onderneming in de modebranche, die van zijn werkgever in het kader van een managementparticipatieplan de mogelijkheid kreeg om twee soorten certificaten van aandelen in zijn werkgever te verkrijgen. De onderneming verkeerde in financieel zwaar weer, waardoor de waarde van deze certificaten daalde van €630.000 naar €1. Belanghebbende wenste de certificaten ten laste van zijn box 1-inkomen af te waarderen.

De rechtbank oordeelde dat dit niet kon, aangezien de certificaten geen lucratief belang vormden. Het Hof overwoog echter dat de certificaten wel degelijk een lucratief belang vormden, aangezien de certificaten in staat stelden om een rendement te behalen dat in geen enkele verhouding stond tot het ingelegde kapitaal en het met de investering gelopen risico. De staatssecretaris ging hierop in cassatieberoep, met als voornaamste argument dat ook in de vangnetbepaling de eis geldt dat de soort aandelen waarop de rechten betrekking hebben minder dan 10% van het kapitaal van de vennootschap uitmaken (het zogenoemde hefboommechanisme). Deze eis zou in de vangnetbepaling wel ruimer zijn opgezet dan in de hoofdregel.

Conclusie A-G Niessen

A-G Niessen gaat mee in de argumentatie van de staatssecretaris. Hij overweegt dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de lucratiefbelangregeling blijkt dat ook in de vangnetbepaling sprake moet zijn van een hefboommechanisme, zij het in aangepaste vorm. Vereist is niet dat de soort aandelen waarop de rechten betrekking hebben minder dan 10% van het nominaal geplaatste kapitaal uitmaakt, maar wel dat de soort aandelen minder dan 10% vertegenwoordigt van het totale vermogen dat is ingelegd door verschaffers van eigen vermogen. De vangnetbepaling is hiermee ruimer opgezet dan de hoofdregel, aangezien voor toepassing van de vangnetbepaling ook agio en informeel kapitaal meegenomen moeten worden. Volgens de A-G is het cassatieberoep van de staatssecretaris gegrond. Het is nu wachten op het oordeel van de Hoge Raad.


Bron: Conclusie A-G 4 oktober 2021, 20/04413, ECLI:NL:PHR:2021:926

Did you find this useful?