150 km-grens van toepassing op lopende 30%-regeling

Article

150 km-grens van toepassing op lopende 30%-regeling

Volgens A-G Wattel was de inspecteur bevoegd om vanaf het zesde jaar van de looptijd van een 30%-beschikking die vóór 1 januari 2012 was afgegeven te toetsen aan de per die datum ingevoerde 150 km-grens.

12 juli 2017

English version

Ingekomen werknemer

Een werkneemster woonde voorafgaande aan haar indiensttreding bij een Nederlandse werkgever op minder dan 150 kilometer van de Nederlandse grens. Voor haar was een goedkeurende beschikking afgegeven om de 30%-regeling toe te passen van 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2017. Per 1 januari 2012 is het begrip ‘ingekomen werknemer’ voor de 30%-regeling echter gewijzigd. Vanaf die datum geldt als voorwaarde om als ‘ingekomen’ werknemer te kwalificeren, dat de werknemer in de twee jaar voorafgaand aan het begin van de tewerkstelling in Nederland gedurende ten minste 18 maanden verder dan 150 kilometer van de Nederlandse grens woonde.


Tussentijdse toets 

Sinds 1 januari 2012 mag de inspecteur bovendien vanaf het zesde jaar van de looptijd van een afgegeven 30%-beschikking opnieuw toetsen of de werknemer nog een ingekomen werknemer is. Indien dat niet meer het geval is, mag de inspecteur toepassing van de regeling beëindigen. Voor de werkneemster in kwestie gold overgangsrecht, dat kort samengevat inhield dat als op 31 december 2011 minder dan vijf jaar van de looptijd van de 30%-beschikking was verstreken, pas na afloop van die vijf jaar aan de nieuwe criteria zou worden getoetst. Dit wetende heeft de werkgever vanaf 1 juli 2012 de 30%-regeling niet meer toegepast. De werkneemster ging in bezwaar en beroep en kwam uiteindelijk bij de Hoge Raad.


A-G Conclusie

A-G Wattel heeft geconcludeerd concludeerde in zijn conclusie dat de tekst van de diverse bepalingen in het Uitvoeringsbesluit LB 1965 geen schoonheidsprijs verdienen, maar dat duidelijk was dat vanaf 1 januari 2012 nieuwe criteria golden voor het begrip ‘ingekomen werknemer’. De werkneemster voldeed daar duidelijk niet aan.

De werkneemster had ook nog aangevoerd dat het in strijd met het vertrouwensbeginsel is om een beschikking die zonder voorbehoud voor een periode van tien jaar is afgegeven, te beëindigen omdat de wetgeving is gewijzigd. Volgens de A-G was het echter redelijkerwijs kenbaar dat na 1 januari 2012 niet kon worden gerekend op nakoming van de beschikking, omdat die duidelijk in strijd was met de wet. Bovendien was het ook na 1 januari 2012 mogelijk om extraterritoriale kosten onbelast te vergoeden of gericht vrij te stellen, zij het dat de werkneemster die dan aannemelijk moest maken. Uit recent onderzoek is echter gebleken dat de vergoeding op basis van de 30%-regeling geen ‘systematische overcompensatie’ van de werkelijk gemaakte kosten is, waardoor het materiële belang van het wegvallen van de 30%-regeling geringe materiële gevolgen heeft. Het is nu aan de Hoge Raad om uitsluitsel te geven.


Slotbeschouwing

Hoewel bovengenoemde wetswijziging al enige tijd geleden is doorgevoerd, is de vraag die in deze zaak aan de orde is nog altijd relevant voor 30%-beschikkingen met uiterlijk 31 december 2011 als startdatum. Het zesde jaar is dan op 31 december 2016 begonnen. Vanaf die datum kan, als de Hoge Raad de A-G volgt, de 30%-regeling in vergelijkbare gevallen niet meer worden toegepast.

Bron: Conclusie A-G Wattel 15 juni 2017, nr. 16/05970, ECLI:NL:PHR:2017:565

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen