Renteaftrek op groepsleningen toegestaan ongeacht fiscale motieven | Deloitte Nederland

Article

Renteaftrek op groepsleningen toegestaan ongeacht fiscale motieven

De Hoge Raad oordeelt dat de aftrek van rente op groepsleningen ter financiering van interne en externe acquisities is toegestaan, ongeacht de fiscaal voordelige motieven voor de financieringsstructuur.

15 juli 2021

De rente die wordt betaald over leningen verstrekt tussen groepsvennootschappen kan, op grond van art. 10a Wet VPB 1969, in aftrek beperkt worden indien er sprake is van winstdrainage. Het gaat dan om situaties waarbij binnen een concern financieringsstructuren gericht zijn op het behalen van een fiscaal voordeel door middel van het optimaal gebruikmaken en creëren van renteaftrek in combinatie met onbelaste of laagbelaste rentebaten. De Hoge Raad heeft recent arrest gewezen over de beoordeling die in het kader van de tegenbewijsregeling van art. 10a plaats moet vinden. De Hoge Raad laat zich in het arrest tevens uit over de zakelijkheid van de rentelasten en de toepassing van fraus legis.

Renteaftrek bij groepsleningen

X bv, een naar Amerikaanse fiscale maatstaven transparante entiteit, maakt onderdeel uit van een wereldwijd opererend concern. Binnen het concern is X bv de moedermaatschappij van een fiscale eenheid. In de jaren 2007-2010 vinden er binnen het concern verschillende geldstromen plaats die worden aangewend voor kapitaalstortingen in en leningen aan groepsvennootschappen, ten behoeve van onder meer interne en externe acquisities. In dit kader leent X bv in 2009 een bedrag van € 482.000.000 van haar Amerikaanse moedermaatschappij. Deze moedermaatschappij had het geld geleend van een tot het concern behorende Luxemburgse financieringsmaatschappij, die op haar beurt het geld via een externe obligatielening heeft verkregen. De lening van € 482.000.000 is in december 2010 omgezet in twee leningen van respectievelijk € 191.000.000 en € 291.000.000, die door de Luxemburgse financieringsmaatschappij zijn verstrekt aan twee gevoegde dochters van X bv.

In haar aangiften over 2009 en 2010 heeft X bv de rente die zij verschuldigd was over de lening van haar Amerikaanse moedermaatschappij en de rente die haar dochtervennootschappen verschuldigd waren aan de Luxemburgse groepsmaatschappij in aftrek gebracht. De inspecteur weigert deze renteaftrek echter en voert daartoe drie redenen aan. Allereerst zou de rente van aftrek zijn uitgesloten omdat het onzakelijke rentelasten betreft. In de tweede plaats zou toepassing van de anti-winstdrainageregeling (art. 10a Wet VPB 1969) aan renteaftrek in de weg staan. Ten slotte is er volgens de inspecteur sprake van fraus legis. Nadat Hof Den Haag had geoordeeld dat de betaalde rente wel ten laste van de winst van X bv mocht komen, heeft de Staatssecretaris van Financiën cassatieberoep ingesteld.

Zakelijke rentelasten

In cassatie laat de Hoge Raad het oordeel van Hof Den Haag dat de rentelasten als zakelijke rentelasten kwalificeren in stand. De Hoge Raad stelt hierbij voorop dat een belastingplichtige keuzevrijheid toekomt bij de vorm van financiering van een vennootschap waarin hij deelneemt en dat deze vrijheid ook geldt voor de inrichting van een concern. Dit maakt dat de financiering van het verwerven en houden van deelnemingen via leningen in beginsel een zakelijke aangelegenheid van een concernvennootschap betreft. De betaalde rente is dan een zakelijke last, ook als deze aan een groepsvennootschap is verschuldigd. Dat de manier waarop de financiering van de bv plaatsvindt is ingegeven door het concernbelang om wereldwijd zo min mogelijk belasting te betalen, doet hier niets aan af. De Hoge Raad overweegt verder dat het begrip concern niet is beperkt tot vennootschappen waarin de belastingplichtige direct of indirect deelneemt.

Geen art. 10a bij parallelle lening

Voorts werd in cassatie het oordeel van het Hof dat art. 10a niet in de weg staat aan de renteaftrek bestreden. Doordat de voorwaarden van de groepsleningen vrijwel identiek waren aan de voorwaarden van de externe obligatielening van de Luxemburgse groepsmaatschappij, oordeelde het Hof dat er voldoende parallellie was tussen de groepsleningen en de externe financiering daarvan. De rente is dan materieel verschuldigd aan derden. In dat geval wordt voldaan aan de tegenbewijsregeling van art. 10a, derde lid, onderdeel a en vindt de renteaftrekbeperking geen toepassing. De Hoge Raad gaat mee in dit oordeel en voegt eraan toe dat de beoordeling van parallellie in het kader van art. 10a naar Nederlandse maatstaven dient te gebeuren, waardoor het voor die beoordeling niet relevant is dat er een hybride entiteit bij de lening is betrokken. Ook het gegeven dat X bv door het concern om fiscale redenen is ingeschakeld, is volgens de Hoge Raad niet van belang voor de beoordeling van de aanwezigheid van zakelijke beweegredenen voor de betreffende rechtshandeling en de geldlening.

Geen fraus legis

Ten slotte oordeelt de Hoge Raad dat het oordeel van het Hof dat van fraus legis geen sprake is, evenmin blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het belastingvoordeel dat X bv behaalt met de renteaftrek is hoofdzakelijk te wijten aan gebruikmaking van het destijds tot het stelsel van de Wet Vpb behorende Bosalgat. Er is dan ook geen sprake van uitholling van de VPB-grondslag, waardoor het in aftrek toestaan van de rente volgens de Hoge Raad niet leidt tot strijd met doel en strekking van de wet. De Hoge Raad voegt hieraan toe dat dit anders zou zijn indien de rentelasten zouden worden afgezet tegen gekochte winsten of tegen andere voordelen die op gekunstelde wijze tot stand zijn gekomen. Het namens de staatssecretaris ingestelde cassatieberoep is ongegrond.


Bron: HR 9 juli 2021, 19/05112, ECLI:NL:HR:2021:1102.

Did you find this useful?