Titel

Article

A-G adviseert tot stellen prejudiciële vragen over in rekening gebrachte btw over ‘schadevergoeding’

Op 19 december 2017 heeft Advocaat-Generaal (A-G) Ettema conclusie genomen in een zaak waarbij een woningcorporatie grond had gekocht van een gemeente om daarmee met btw belaste prestaties te verrichten (verkoop van woningen) maar later de koopovereenkomst voor een deel van de grond wilde ontbinden. De gemeente wilde wel akkoord gaan tegen betaling van een vergoeding ter grootte van het verschil tussen oorspronkelijke koopsom en de koopsom waarvoor zij de grond aan een derde kon verkopen. Over deze vergoeding heeft de gemeente btw gerekend hetgeen terecht was volgens de woningcorporatie. Deze btw is volledig afgetrokken door de woningcorporatie omdat zij belaste prestaties met de grond wilde gaan verrichten. Volgens de fiscus kon deze aftrek slechts op basis van de algemene pro rata van de woningcorporatie plaatsvinden. De fiscus kreeg gelijk van de rechtbank. Tegen dat oordeel heeft de woningcorporatie (sprong)cassatieberoep ingesteld.

12 februari 2018

De A-G gaat in op twee interessante vraagstukken, namelijk de belastbaarheid van een (schade)vergoeding en de aftrekbaarheid van btw bij het niet-doorgaan van een project. Hoewel niet in geschil is of de vergoeding belast is met btw meent de A-G dat sprake kan zijn van een onbelaste schadevergoeding en dat de Hoge Raad, mede op grond van andersluidende jurisprudentie van het Hof van Justitie, hierover toch een oordeel moet geven. Omdat volgens A-G Ettema een vergelijkbare kwestie nog niet aan het Hof van Justitie is voorgelegd, adviseert zij tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie.

De A-G behandelt vervolgens de omvang van het aftrekrecht. Zij oordeelt dat aan de jurisprudentie van het Hof van Justitie voldoende argumenten kunnen worden ontleend om te kunnen concluderen dat in de onderhavige situatie de in rekening gebrachte btw volledig in aftrek kan worden gebracht. Toch is de situatie niet helemaal gelijk aan de situaties die aan de orde zijn gekomen in die jurisprudentie, waardoor zij er niet geheel zeker van is of de onderhavige vergoeding buiten redelijke twijfel rechtstreeks en onmiddellijk voortvloeit uit de beoogde verkoop van nieuwbouwwoningen door de woningcorporatie. De A-G adviseert de Hoge Raad derhalve ook met betrekking tot dit punt het Hof van Justitie om een prejudiciële vraag te stellen beslissing te vragen.

Het oordeel van de Hoge Raad over voornoemde kwesties kan voor ondernemers van groot belang zijn nu op dit moment de beoordeling of sprake is van een onbelaste schadevergoeding verre van helder is evenals de gevolgen van het niet doorgaan van een bepaalde activiteit voor de aftrek van btw op gerelateerde kosten.

Wanneer u een vergoeding betaalt, in het kader van het niet doorgaan van een activiteit, is het van belang om na te gaan of de vergoeding belast is en zo ja, in welke mate u recht op aftrek heeft. Deze lopende zaak is voor het antwoord op deze twee vragen van belang.

Vond u dit nuttig?