A-G Wattel neemt conclusie in zaak van Letse zeevarende | Deloitte

Article

A-G Wattel neemt conclusie in zaak van Letse zeevarende

Gedurende een deel van 2013 werkte een inwoner van Letland als zeevarende aan boord van een schip dat voer onder de vlag van de Bahama’s. Hij was in dienst bij een Nederlandse werkgever. In geschil is of de werknemer in Nederland verzekerd is geweest voor de volksverzekeringen.

22 augustus 2017

English version

Gevolgen inwerkingtreding EU-Verordening 883/2004

Advocaat-Generaal Wattel heeft een conclusie genomen in de zaak waarin Rechtbank Zeeland-West-Brabant prejudiciële vragen heeft gesteld aan de Hoge Raad. Het gaat hierbij om de beslissing van de Rechtbank van 20 april 2017 in de zaak van de Letse zeevarende.

Gedurende een deel van het jaar 2013 werkte een inwoner van Letland als zeevarende aan boord van een schip dat voer onder de vlag van de Bahama’s. Hij was in dienst bij een Nederlandse werkgever. In geschil is de vraag of de werknemer in Nederland verzekerd is geweest voor de volksverzekeringen. De achterliggende vraag is of deze werknemer op grond van de arresten Aldewereld en Kik sociaal verzekerd was in Nederland, aangezien dit het land was waar zijn werkgever is gevestigd, of dat hij in zijn woonland Letland verzekerd was op grond van EU-Verordening 883/2004. Indien dit laatste het geval is, hebben de arresten Kik en Aldewereld hun werking verloren met de inwerkingtreding van EU-Verordening 883/2004.


Verschillende opvattingen

In de praktijk zijn de meningen hierover verdeeld. De Belastingdienst, de Sociale Verzekeringsbank en het UWV zijn de opvatting toegedaan dat de sociale zekerheid op grond van de arresten Kik en Aldewereld wordt toegewezen aan het land waar de werkgever is gevestigd, in casu Nederland. De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) is daarentegen van mening dat de sociale zekerheid op grond van EU-Verordening 883/2004 dient te worden toegewezen aan het woonland. Ook in de fiscale literatuur bestaat op dit punt verdeeldheid tussen verschillende gezaghebbende auteurs.

Advocaat-Generaal Wattel concludeert echter dat hier sprake is van een ‘acte clair’. Zijns inziens bestaat er sinds de invoering van de restbepaling (artikel 11, lid, 3, onderdeel b) van EU-Verordening 883/2004 geen onduidelijkheid meer en dient in dergelijke gevallen toewijzing aan het woonland plaats te vinden. Het wachten is nu op het oordeel van de Hoge Raad.


Grote gevolgen

Het overnemen van de conclusie van de A-G door de Hoge Raad zou grote gevolgen hebben. Artikel 11a van het Besluit uitbreiding en beperking volksverzekeringen zou dan bijvoorbeeld zijn werking verliezen. In de praktijk zou dit ook een grote lastenverzwaring betekenen voor Nederlandse werkgevers met zeevarenden op schepen onder een niet-Europese vlag. Zij zouden dan premies moeten gaan afdragen in alle verschillende woonlanden van hun werknemers in plaats van in Nederland. In de meeste landen is hiervoor een registratie van de werkgever vereist en dienen de premies verwerkt te worden in een (maandelijkse) loonadministratie. De werkgever zal echter doorgaans niet beschikken over de daarvoor benodigde kennis en zal dus al snel ondersteuning nodig hebben van een derde partij om aan zijn lokale verplichtingen te voldoen.

Voor de rechtsontwikkeling en de bevordering van de rechtszekerheid van werkgevers binnen Europa is het dan ook te hopen dat de Hoge Raad in deze zaak prejudiciële vragen zal stellen aan het Europese Hof van Justitie.


Bron: Conclusie A-G Wattel 3 augustus 2017, 17/01041, ECLI:NL:PHR:2017:723

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen