Aanpak belastingontwijking en belastingontduiking | Deloitte Nederland

Article

Aanpak belastingontwijking en belastingontduiking

De Staatssecretaris van Financiën heeft op 23 februari 2018 zijn fiscale beleidsagenda gepubliceerd. Daarin ontvouwt hij zijn plannen met betrekking tot de aanpak van belastingontwijking en belastingontduiking.

13 maart 2018

Fiscale beleidsagenda

Op 23 februari 2018 heeft Staatssecretaris van Financiën Snel zijn fiscale beleidsagenda naar de Tweede Kamer gestuurd. De aanpak van belastingontwijking en belastingontduiking neemt daarbij een belangrijke plaats in. Deze aanpak bestaat uit twee pijlers, te weten het beschermen van de (Nederlandse) belastinggrondslag en maatregelen in de sfeer van transparantie en integriteit.

Het beschermen van de belastinggrondslag bestaat uit diverse onderdelen. Zo wil de staatssecretaris uitholling van de Nederlandse belastinggrondslag voorkomen, hybride mismatches aanpakken en oneigenlijk gebruik van het Nederlandse internationaal georiënteerde belastingstelsel tegengaan. In het kader van transparantie en integriteit steunt Nederland onder andere diverse initiatieven van de Europese Unie.

Webcast 28/2 - Uitspraak HvJ over fiscale eenheid

Kijken

Uitholling belastinggrondslag

Enerzijds wil de staatssecretaris uitholling van de Nederlandse belastinggrondslag voorkomen door per 2019 diverse antimisbruikmaatregelen in te voeren in het kader van de implementatie van de eerste Europese richtlijn ter bestrijding van belastingontwijking (ATAD 1). De Nederlandse invulling van deze bepalingen wordt op onderdelen zelfs strikter dan voorgeschreven door de Europese Unie. Het implementatiewetsvoorstel zal naar verwachting in de eerste helft van 2018 bij de Tweede Kamer worden ingediend.

Een van de onderdelen van ATAD 1 is een algemene renteaftrekbeperking (earningsstripping). Deze maatregel houdt in dat de fiscale aftrek van de per saldo verschuldigde rente wordt beperkt tot maximaal 30 procent van het bruto bedrijfsresultaat (EBITDA). Nederland zal daarbij geen enkele groepsuitzondering invoeren. Ook komt er geen eerbiedigende werking voor bestaande leningen. Tot een per saldo verschuldigd bedrag van € 1 miljoen is de rente echter sowieso aftrekbaar. Specifiek voor banken en verzekeraars wordt per 2020 een minimumkapitaalregel ingevoerd.

Daarnaast bevat ATAD 1 een maatregel die voorkomt dat winsten worden verschoven naar dochterondernemingen gevestigd in landen met een laag belastingtarief (CFC-maatregel, waarbij CFC staat voor Controlled Foreign Company). Winstverschuiving wordt voorkomen door dergelijke inkomsten ook te belasten in Nederland. In dat kader moet worden beoordeeld of sprake is van een CFC, welk inkomen aan de Nederlandse belastinggrondslag moet worden toegerekend en of sprake is van een wezenlijke economische activiteit. De bewindsman kiest voor het vaststellen van de in aanmerking te nemen voordelen voor passieve inkomsten die laag worden belast en/of zich bevinden in een land dat zich bevindt op de zwarte lijst van de EU (optie A).

Anderzijds wil de staatssecretaris de Nederlandse belastinggrondslag beschermen door middel van de spoedreparatiemaatregelen ten aanzien van het Nederlandse fiscale-eenheidsregime. Hierover hebben wij al eerder bericht naar aanleiding van het gevoegde arrest van het Hof van Justitie van 22 februari 2018 in de zaken X en X.

Aanpak kwalificatieverschillen

Belastingontwijking met behulp van kwalificatieverschillen (hybride mismatches) tussen belastingstelsels gaat de staatssecretaris aanpakken door per 1 januari 2020 de tweede Europese richtlijn ter bestrijding van belastingontwijking (ATAD 2) in de Nederlandse belastingwetgeving te implementeren. Het implementatiewetsvoorstel wordt naar verwachting begin 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Ook worden Nederlandse belastingverdragen in het kader van het zogenoemde Multilateraal Verdrag voorzien van een bepaling die ervoor zorgt dat verdragsvoordelen alleen worden toegekend als het inkomen van een hybride entiteit bij de deelnemers in de belastingheffing wordt betrokken (hybride-entiteitenbepaling).

Oneigenlijk gebruik belastingstelsel

De staatssecretaris wil oneigenlijk gebruik van het Nederlandse belastingstelsel in internationale structuren tegengaan door invoering van een bronbelasting op uitgaande dividend-, rente- en royaltystromen naar ‘low tax jurisdictions’. Ook in misbruiksituaties zal bronbelasting worden geheven. Daartoe wordt vanaf 2020, tegelijkertijd met de afschaffing van de reguliere dividendbelasting, een bronbelasting ingevoerd ter zake van dividendbetalingen binnen concernverband aan entiteiten die zijn gevestigd in zogenoemde ‘low tax jurisdictions’ of in landen die staan vermeld op de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties. Per 2021 wordt vervolgens ook een bronbelasting ingevoerd ter zake van rente- en royaltybetalingen in deze situaties.

Een andere belangrijke pijler om oneigenlijk gebruik van Nederlandse belastingverdragen te voorkomen is het hiervoor al genoemde Multilateraal Verdrag, waarmee alle verdragen kunnen worden aangepast aan de in het BEPS-project ontwikkelde antimisbruikbepalingen. Het implementatiewetsvoorstel ligt op dit moment bij de Tweede Kamer.

In reactie op een motie van de Tweede Kamer geeft de staatssecretaris aan dat hij voornemens is om de zogenoemde ‘substance-eisen’ voor aanwezigheid van bedrijven in Nederland aan te scherpen (in lijn met de substance-eisen die zijn geïntroduceerd bij de Wet inhoudingsplicht houdstercoöperaties). Hierdoor wordt in meer gevallen dan nu informatie uitgewisseld met andere landen. Daarnaast worden strengere voorwaarden gesteld aan het bieden van zekerheid vooraf.

Transparantie

In het kader van transparantie steunt het kabinet de Europese initiatieven voor ‘Mandatory disclosure’ en publieke ‘Country-by-Country Reporting’.

Mandatory disclosure houdt in dat financiële tussenpersonen (waaronder belastingadviseurs) verplicht worden om informatie aan de Belastingdienst te verstrekken over grensoverschrijdende – mogelijk agressieve – belastingstructuren. Als de tussenpersoon niet aan deze verplichting kan voldoen, bijvoorbeeld vanwege een wettelijk verschoningsrecht, verschuift de meldingsplicht naar de belastingplichtige zelf. De verwachting is dat in de eerste helft van 2018 in EU-verband overeenstemming wordt bereikt over de maatregel.

Publieke ‘Country-by-Country Reporting’ houdt in dat multinationals met een wereldwijde omzet van meer dan € 750 miljoen jaarlijks openbare informatie moeten publiceren, bijvoorbeeld over de aard van hun activiteiten, het resultaat voor belastingen en de betaalde winstbelastingen. Deze informatie moet de belastingplichtige uitsplitsen per EU-lidstaat en per derde land dat op de lijst staat van non-coöperatieve fiscale jurisdicties.

Ten slotte geeft de staatssecretaris aan dat het van belang is dat ook andere landen internationale belastingontwijking aanpakken. In dat kader heeft Nederland meegewerkt aan de zogenaamde EU-lijst met non-coöperatieve belastingjurisdicties (ook wel de ‘zwarte lijst’ genoemd). EU-lidstaten hebben zich gecommitteerd om in dat kader bepaalde administratieve tegenmaatregelen toe te passen, zoals het verhogen van het risico op belastingcontroles voor belastingplichtigen die gebruik maken van structuren waarin landen voorkomen die op de ‘zwarte lijst’ staan.

Commentaar

Het is duidelijk dat hier sprake is van een omvangrijk pakket maatregelen dat deel uitmaakt van de zogenoemde Fiscale beleidsagenda die op 23 februari 2018 is gepubliceerd. De andere onderwerpen van die agenda zijn lagere lasten op arbeid, het verbeteren van het vestigingsklimaat, verdere vergroening van het belastingstelsel en een goede uitvoerbaarheid van het belastingstelsel.

Wij hebben ons hierboven beperkt tot het onderdeel aanpak van belastingontwijking en belastingontduiking. Toch maken we een opmerking over een van de andere vier thema’s, te weten het aantrekkelijker maken van het vestigingsklimaat. De reden daarvoor is tweeërlei. In de eerste plaats stelt dat thema inhoudelijk niet veel voor. Er worden althans weinig concrete voorstellen gedaan; eigenlijk gaat het alleen om een herhaling van hetgeen in het Regeerakkoord 2017-2021 is opgenomen. De belangrijkste punten daarvan zijn de verlaging van het (gewone) tarief van de vennootschapsbelasting van 25% tot 21% en de vrijwel volledige afschaffing van de dividendbelasting. In de tweede plaats betekent het hierboven uiteengezette pakket maatregelen ter bestrijding van belastingontwijking en belastingontduiking niet direct een verbetering van het vestigingsklimaat. Dat hoeft niet erg te zijn, maar is wel jammer, zeker als Nederland zich strenger opstelt dan andere landen en tegelijkertijd geen substantiële andere maatregelen treft ter verbetering van het vestigingsklimaat. En wat dat betreft zou van de Fiscale beleidsagenda meer verwacht mogen worden.

Daarnaast is het stuk ook minder uitdagend dan menigeen wellicht zou hebben verwacht. Het overgrote deel van hetgeen in de agenda is vermeld, en ook een groot deel van het pakket maatregelen gericht op het tegengaan van belastingontwijking en belastingontduiking, is een herhaling van zetten uit het Regeerakkoord 2017-2021. De voorstellen houden niet veel meer in dan het nakomen verplichtingen die Nederland al eerder is aangegaan jegens de EU en de OESO (in het kader van het BEPS-project). Slechts sporadisch worden wat concretere punten aangedragen. Deze zijn overigens typerend voor de aanpak van de bewindsman. Zo worden de substance-eisen aangescherpt, waardoor in bijna alle gevallen een loonsomcriterium (minimaal € 100 000 salaris) en een kantoorruimtecriterium (aanhouden van een kantoor voor ten minste 24 maanden) van toepassing wordt. Een ander voorbeeld is de franchise voor de earningsstrippingmaatregel van slechts € 1 mln., waar de EU-richtlijn een franchise van € 3 mln. aanvaardbaar acht. Ook het feit dat geen enkele groepsuitzondering wordt opgenomen terwijl de EU die mogelijkheid wel biedt is jammer. Bij toepassing van die uitzondering wordt kort gezegd de positie van de groep wat betreft financiering vergeleken met de financiering van de entiteit binnen de groep waar de rentaftrekbeperking geldt. Is de groepsverhouding gunstiger, dan mag die ook bij het individuele bedrijf binnen de groep worden toegepast.

Vervolgens wijzen we op de CFC-regeling en wel op het feit dat men kiest voor optie A in geval van ‘oneigenlijk gebruik’ (zie hiervoor). Algemene toepassing van optie B lijkt echter aantrekkelijker omdat alleen correcties hoeven plaats te vinden als niet ‘at arms’length’ prijzen zijn vastgesteld. Optie A is voor de overheid ten aanzien van de oneigenlijk gebruik gevallen vermoedelijk daarentegen eenvoudiger uitvoerbaar en levert minder discussies op met belastingplichtigen. Blijft overigens wel van belang vast te stellen dat voor alle niet-misbruikgevallen de gunstiger optie B wordt toegepast die vooral voorziet in aanpassing van de verrekenprijs. Dat is dus een goede ontwikkeling.

Tot slot worden er voorwaardelijke bronheffingen op interest en royalty’s ingevoerd. Tezamen met de aangescherpte substance-eisen leiden die er waarschijnlijk toe dat financieringsstromen in veel minder gevallen dan nu via Nederland zullen lopen. Dat hoeft allemaal niet zo heel erg te zijn, als er ook een duidelijke agenda voor de verbetering van het investerings- en vestigingsklimaat ligt. Het zou mooi zijn als die alsnog tot stand komt. Wellicht dat het parlement hier een rol bij kan spelen.

Vond u dit nuttig?