Antimisbruikbepaling staat niet in de weg aan toepassing liquidatieverliesregeling | Deloitte Nederland

Article

Antimisbruikbepaling staat niet in de weg aan toepassing liquidatieverliesregeling

De Hoge Raad oordeelt dat de antimisbruikbepaling van art. 13d, lid 4, Wet Vpb 1969 het nemen van een liquidatieverlies in casu niet verhindert, nu de deelneming in de relevante periode niet in waarde is gedaald.

3 oktober 2018

Liquidatieverliesregeling

De deelnemingsvrijstelling zorgt ervoor dat zowel positieve als negatieve voordelen uit een deelneming buiten aanmerking blijven bij het bepalen van de winst van de moedermaatschappij. De deelnemingsvrijstelling is echter niet van toepassing ten aanzien van een verlies op een deelneming dat tot uitdrukking komt nadat het lichaam waarin de belastingplichtige deelneemt is ontbonden. In dat geval mag het liquidatieverlies ten laste van de winst worden gebracht. Het liquidatieverlies wordt daarbij bepaald als het verschil tussen het voor de deelneming opgeofferde bedrag en het totaal van de liquidatie-uitkeringen.

De liquidatieverliesregeling kent echter wel beperkingen, ter voorkoming van misbruik. Een daarvan ziet op de situatie waarin een tussenhoudstermaatschappij wordt geliquideerd en tot het vermogen van deze tussenhoudster een deelneming heeft behoord die sinds de verkrijging van het belang in het ontbonden lichaam in waarde is gedaald. Er is dan slechts sprake van een liquidatieverlies voor zover dit verlies de waardedaling van de deelneming te boven gaat. Recentelijk heeft de Hoge Raad duidelijkheid verschaft over het toepassingsbereik van deze antimisbruikbepaling.

Afwaardering deelneming niet verplicht

Belanghebbende is onderdeel van een groep. De tophoudster van deze groep hield samen met een B.V. het volledige aandelenbelang in de tussenhoudster, welke op haar beurt alle aandelen in een in Zwitserland gevestigde AG houdt. Als gevolg van een reorganisatie heeft belanghebbende op 24 juni 2004 het volledige belang in de tussenhoudster verkregen en zijn deze maatschappijen een fiscale eenheid aangegaan. De AG maakte geen onderdeel uit van deze fiscale eenheid. De aandelen in de AG zijn in de loop van de tijd in waarde gedaald. Die waardedaling heeft echter al plaatsgevonden in de periode voorafgaande aan de verkrijging van de deelneming in de tussenhoudster door belanghebbende.

In maart 2009 heeft de tussenhoudster haar activa en passiva binnen fiscale eenheid overgedragen aan belanghebbende, met uitzondering van de deelneming in de AG en een bedrag aan liquiditeiten. Nog in diezelfde maand is de tussenhoudster uit de fiscale eenheid ontvoegd en vervolgens in juni 2009 geliquideerd. In geschil is of belanghebbende een verlies mag nemen ter grootte van het verschil tussen de liquidatie-uitkering en het opgeofferde bedrag.

Hof Den Bosch heeft geoordeeld dat goed koopmansgebruik niet in de weg staat aan het blijven waarderen van de deelneming in de AG op de historische kostprijs, aangezien een eventuele afwaardering de jaarwinst van de fiscale eenheid niet zou raken. Deze waardering mocht ook na ontvoeging van de tussenhoudster uit de fiscale eenheid worden gehandhaafd. Een en ander leidt tot een opgeofferd bedrag van ruim EUR 119 mln. De Hoge Raad onderschrijft deze uitkomst, maar geeft aan dat de tussenhoudster na ontvoeging zelfs verplicht was de door de moedermaatschappij gehanteerde boekwaarde van de deelneming in de AG te volgen. Dit op grond van de zogenoemde indeplaatstredingsbepaling.

Antimisbruikbepaling

Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de bewoordingen van eerdergenoemde antimisbruikbepaling niet in de weg staan aan het nemen van een liquidatieverlies. De waarde van de deelneming in de AG is namelijk niet gedaald sinds belanghebbende de aandelen in de tussenhoudster heeft verkregen. Desondanks heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende geen liquidatieverlies mag nemen, omdat dit in strijd zou komen met doel en strekking van de liquidatieverliesregeling.

De Hoge Raad kijkt daar echter duidelijk anders tegenaan en geeft aan dat het oordeel van het Hof berust op een onjuiste rechtsopvatting. De wetgever heeft bij de vormgeving van de regeling bewust gekozen voor een duidelijke en nauwkeurig afgebakende antimisbruikbepaling. De omvang van het liquidatieverlies wordt slechts beperkt wanneer tot het vermogen van het ontbonden lichaam een deelneming heeft behoord die in waarde is gedaald sinds de verkrijging van de deelneming in het ontbonden lichaam. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat de door het Hof geconstateerde spanning met doel en strekking van de liquidatieverliesregeling veroorzaakt wordt door het samenstel van wettelijke bepalingen voor het vaststellen van het opgeofferde bedrag bij ontvoeging uit de fiscale eenheid. De wetgever heeft ook hier echter welbewust gekozen voor een eenvoudige regeling teneinde de hoogte van het opgeofferd bedrag te bepalen. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat hij de voor belastingplichtige voordelige en nadelige gevolgen van deze regeling heeft willen aanvaarden. De slotsom is dat het gelijk aan belanghebbende is, hetgeen resulteert in een aftrekbaar liquidatieverlies van ruim EUR 94 mln.

Wetswijziging

Opmerking verdient ten slotte dat de wetgever de uitkomst van deze procedure niet heeft willen afwachten en per 1 januari 2018 een wetswijziging heeft doorgevoerd. In de tekst van art. 13d, achtste lid, Wet Vpb 1969 is nu vastgelegd dat ter vaststelling van het eigen vermogen van een ontvoegde vennootschap een deelneming moet worden gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer op het ontvoegingstijdstip, indien deze lager is dan de boekwaarde.


Bron: HR 28 september 2018, 16/05706, ECLI:NL:HR:2018:1791

Vond u dit nuttig?