Belanghebbende mocht in beroepsprocedure nieuwe grieven aanvoeren

Article

Belanghebbende mocht in beroepsprocedure nieuwe grieven aanvoeren

Volgens de Hoge Raad staat hieraan niet in de weg dat de heffingsambtenaar volledig aan het bezwaar van belanghebbende tegemoet was gekomen.

15 maart 2017

Beroep

Een belastingplichtige die het niet eens is met een uitspraak op bezwaar tegen een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking kan daartegen in beroep gaan bij de rechtbank. Maar hoe zit het eigenlijk wanneer de inspecteur (rijksbelastingen) of de heffingsambtenaar (lokale heffingen) volledig tegemoetkomt aan het bezwaarschrift van een belastingplichtige. Staat dan ook nog de gang naar de rechter open? De Hoge Raad heeft zich hierover recentelijk uitgelaten.


WOZ-waarde

Belanghebbende is eigenaar van een bedrijfsruimte, die bestaat uit een productieruimte op de begane grond en een kantoorruimte op de eerste verdieping. De heffingsambtenaar van de gemeente Westland heeft de WOZ-waarde van deze onroerende zaak voor het kalenderjaar 2014 vastgesteld op € 220.000 (waardepeildatum: 1 januari 2013). In bezwaar stelt belanghebbende dat de WOZ-waarde moet worden verlaagd tot € 175.000. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar gegrond verklaard en de aanslag onroerendezaakbelasting verminderd. Desondanks gaat belanghebbende in beroep bij de rechtbank. Die heeft het beroep echter ongegrond verklaard.


Procesbelang

In hoger beroep neemt de heffingsambtenaar de stelling in dat belanghebbende niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, omdat een procesbelang zou ontbreken. Hof Den Haag gaat echter niet mee in deze redenering en heeft geoordeeld dat partijen in beroep of hoger beroep hun grieven mogen wijzigen. Niet gebleken is dat belanghebbende in de bezwaarfase rechten heeft prijsgegeven of een vaststellingsovereenkomst met de heffingsambtenaar heeft gesloten. Het hof stelt vervolgens de WOZ-waarde van de bedrijfsruimte met toepassing van de huurwaardekapitalisatiemethode vast op € 126.000. Belanghebbende krijgt echter geen proceskostenvergoeding omdat hij de huurovereenkomst reeds in de procedure bij de rechtbank had kunnen inbrengen.


Hoge Raad

In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat een bezwaar, beroep of hoger beroep alleen dan niet-ontvankelijk is wanneer de daarin aangevoerde stellingen belanghebbende niet in een betere positie kunnen brengen. Een verdere verlaging van de WOZ-waarde kan echter juist wel tot een positieverbetering leiden. Dat de heffingsambtenaar in zijn uitspraak op bezwaar volledig tegemoetgekomen is aan het toenmalige standpunt van belanghebbende is niet van belang.

De Hoge Raad casseert de hofuitspraak wel op het punt van de proceskostenvergoeding. Belanghebbende heeft reeds in de beroepsprocedure gesteld dat de overeengekomen huurprijs als uitgangspunt moest dienen voor het bepalen van de WOZ-waarde. De heffingsambtenaar heeft echter pas tijdens de zitting van de rechtbank de realiteitswaarde van de huurprijs betwist. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat belanghebbende onzorgvuldig heeft gehandeld door de huurovereenkomst pas in hoger beroep te overleggen. De noodzaak tot het instellen van hoger beroep vloeide derhalve niet uitsluitend voort uit de handelwijze van belanghebbende. De Hoge Raad kent daarom alsnog een proceskostenvergoeding toe.
 

Bron: Hoge Raad 10 maart 2017, 16/03646, ECLI:NL:HR:2017:392

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen