Belasten van digitale diensten | Deloitte Nederland

Article

Belasten van digitale diensten

Deloitte Perspective

De Europese Commissie heeft op 21 maart 2018 twee conceptrichtlijnen gepubliceerd die regels bevatten hoe in de toekomst moet worden omgegaan met het belasten van digitale diensten.

3 mei 2018

Digitaal belasten

De Europese Commissie heeft op 21 maart 2018 een tweetal conceptrichtlijnen gepubliceerd die regels bevatten hoe in de toekomst moet worden omgegaan met het belasten van digitale diensten. Het gaat daarbij om goederen en diensten die langs digitale wijze worden geleverd. Het huidige fiscale stelsel is daar niet voldoende op afgestemd, wat in veel gevallen tot gevolg heeft dat geen of onvoldoende belasting kan worden geheven, of belasting wordt geheven in landen waar in feite niet de eigenlijke winst wordt behaald (of beter gezegd: waar de waarde wordt toegevoegd).

Initiatief Europese Commissie

De OESO is in het kader van de zogenoemde BEPS-actieplannen al geruime tijd aan het onderzoeken op welke wijze het fiscale stelsel in dit verband moet worden aangepast. Het gaat daarbij zowel om winstbelastingen als om belastingen gerelateerd aan omzet. De OESO komt hier echter vooralsnog niet goed uit, hetgeen voornamelijk lijkt te worden veroorzaakt doordat de belangen van de diverse landen te ver uiteenlopen. Naast de OESO is ook de EU hierop ingesprongen. In dat kader heeft de Europese Commissie de twee genoemde conceptrichtlijnen gepubliceerd. Of deze ook tot concreet resultaat gaan leiden, staat overigens nog niet vast. De lidstaten moeten zich hier namelijk unaniem achter scharen. En op dit moment is het de vraag of dat ook gaat gebeuren. Dat zal binnenkort moeten blijken.

Kernprobleem

Het kernprobleem kan als volgt worden samengevat: de omzet en de winst van ondernemingen die met name digitaal handelen (bijvoorbeeld Google en Amazon) slaat veelal neer in landen waar betrekkelijk weinig activiteiten plaatsvinden en het tarief van de winstbelasting laag is. Dit terwijl in landen waar veel omzet wordt gerealiseerd weinig of zelfs geen winstbelasting wordt betaald, eenvoudigweg omdat de onderneming daar geen fiscale vestigingsplaats heeft. En als de onderneming daar wel een vestigingsplaats heeft, is het maar de vraag hoe de winst precies moet worden toegerekend aan dat land. Denk bijvoorbeeld aan het geval dat in het land alleen een server staat, of slechts een distributiecentrum aanwezig is voor goederen die via een server in weer een ander land zijn besteld. Een ‘juiste’ winsttoerekening is dan nog niet zo eenvoudig.

Uitgangspunten conceptrichtlijn

In de conceptrichtlijnen is het uitgangspunt dat de winst met name moet worden belast daar waar de waardecreatie plaatsvindt. Dat is volgens deze voorstellen het land waar de omzet uiteindelijk wordt gerealiseerd, dus waar de uiteindelijke afnemers zijn gevestigd. Deze afnemers kunnen consumenten zijn, maar ook bedrijven. Traditioneel is de fiscale regel dat in zo’n land ook een fysieke vestiging (een filiaal) van het bedrijf dat de diensten of goederen verkoopt, aanwezig is. Daaraan wordt dan winst toegerekend en die kan in dat land dan worden belast. Maar in de digitale wereld is er in het land van de afnemer nu juist veelal geen filiaal en is daarmee belastingheffing in dat land ook onmogelijk. Dit probleem wil de EU – en hetzelfde geldt in beginsel voor de OESO – oplossen door een zogenoemd fictief filiaal – in fiscale termen: een fictieve vaste inrichting - te introduceren in de wetgeving en in belastingverdragen. Van een degelijk fictief filiaal is, kort gezegd, sprake indien in een land digitale diensten worden aangeboden of leveringen worden verricht. Het land waar zich een dergelijk fictief filiaal bevindt – fiscalisten noemen dat een fictieve vaste inrichting – kan daar dan belasting bij heffen. Die heffing komt uiteraard terecht bij het bedrijf waarvan het fictieve filiaal is, bijvoorbeeld dus Google. Hiervoor is nodig dat er nieuwe regels komen teneinde te bepalen welk deel van de omzet en de winst moet worden toegerekend aan het fictieve filiaal (transfer pricing regels). Dergelijke regels kennen we nu ook en worden breed toegepast. Deze zijn echter nog niet afgestemd op de digitale economie en behoeven aanpassing.

Digitale dienstenbelasting

Het zal geen verbazing wekken dat dit een nogal ingrijpende operatie is met allerlei voetangels en klemmen. Het kost dan ook wel een aantal jaren voordat deze opzet wereldwijd is uitgerold. Bovendien zijn landen het inhoudelijk nog niet eens over de vormgeving, en soms zelfs niet over de wenselijkheid om überhaupt tot regels te komen. Omdat met name de EU haast wil maken, heeft zij een tijdelijke variant bedacht: de digitale dienstenbelasting (DDB). Deze DDB zou dan als overbrugging moeten gelden totdat de fictieve vaste inrichting wereldwijd kan worden uitgerold.
Kort gezegd komt de DDB erop neer dat indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan een bedrijf dat omzet behaalt met digitale diensten en producten in een lidstaat van de EU daarover een heffing is verschuldigd van 3% van die omzet. Daarbij is dus niet vereist dat het bedrijf is gevestigd in de lidstaat waar de diensten en producten worden geleverd. Het gaat hier niet om een btw-achtige heffing want die is verschuldigd per levering. De DDB is een heffing over de bruto opbrengsten per jaar: kosten e.d. kunnen dus niet in aftrek worden gebracht en ook eventueel eerder geheven belasting komt niet in mindering. Indien over de omzet ook een belasting naar de winst is geheven, zou deze DDB daarop als aftrekpost in mindering moeten worden gebracht. Het zal duidelijk zijn dat de DDB daarmee geheven wordt naast de in de lidstaten geheven BTW. De heffing is verschuldigd door alle ondernemingen die digitale goederen en diensten verkopen en actief zijn in de EU. Wel moet het bedrijf een wereldwijde omzet hebben van minimaal € 750 miljoen en moeten in de EU digitale leveringen plaatsvinden van minimaal € 50 miljoen.

Commentaar Deloitte

De Europese Commissie heeft met de twee concept richtlijnen een ambitieus plan neergelegd. Men heeft niet willen wachten op de OESO. Waar het nu wel naar uitziet is dat de voorstellen van de EU als een soort breekijzer fungeren teneinde ook op het niveau van de OESO tot een definitieve oplossing te komen. Die definitieve oplossing kan eigenlijk niet anders zijn dan de structurele oplossing zijn zoals die is voorgesteld door de Europese Commissie, ofwel de invoering van een fictieve vaste inrichting. Daartoe moeten de nationale wetgevingen worden gewijzigd, maar daarnaast vooral ook de verdragen ter voorkoming van dubbele belasting. En vooral dat laatste is iets dat op het bord van de OESO ligt, omdat die nu eenmaal over de modelverdragen gaat.

Een ander lastig punt is de DDB: dit is een weinig aantrekkelijke heffing die geheel niet past in het raam van belastingstelsels. Wat er in feite gebeurt, is dat de winstbelasting bij een aantal ondernemingen wordt vervangen door een omzetgerelateerde belasting. Maar omzet en winst zijn bepaald geen parallelle grootheden. Daardoor is de heffing gemakkelijk onevenwichtig. Bovendien vindt de heffing ook plaats in gevallen waarin een lage winstbelasting is verschuldigd. Er zijn dan twee heffingen naast elkaar verschuldigd. Er zou daarom een vorm van verrekening moeten plaatsvinden, omdat anders in feite sprake is van dubbele belasting. In de conceptrichtlijn wordt daar overigens wel enigszins aan tegemoet gekomen.

Een derde bijzonder punt is uiteraard het naast elkaar bestaan van deze omzetgerelateerde heffing en de BTW: beide gaan over de omzet, zij het volgens een sterk verschillende methodiek. Maar vanuit economisch perspectief is in feite sprake van dubbele belasting.

Het meest belangrijke punt is echter van politieke aard: de bedrijven die door de DDB worden getroffen zijn de facto vermoedelijk alleen Amerikaanse bedrijven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de weerstand tegen de heffing vooral uit de Verenigde Staten komt. De vraag is daarmee of dat opgelost zou kunnen worden doordat de Verenigde Staten akkoord gaan met de invoering van een fictieve vaste inrichting op het niveau van de OESO. Indien dat het geval is kan de DDB terzijde worden geschoven. Zo niet dan ligt het voor de hand dat de EU de DDB zal doorzetten, hoewel daarbij nog wel de vraag is of daarvoor ook bij alle EU-landen voldoende draagvlak bestaat. Vermoedelijk ontstaat nog voor de zomer duidelijkheid.

Vond u dit nuttig?