Belastingplan 2018 – Overzicht maatregelen vennootschapsbelasting en dividendbelasting

Article

Overzicht maatregelen vennootschapsbelasting en dividendbelasting

Belastingplan 2018 - Prinsjesdag

Hierbij een overzicht van de in het pakket Belastingplan 2018 voorgestelde maatregelen met betrekking tot de vennootschapsbelasting en de dividendbelasting.

4 december 2017

Overzicht maatregelen vennootschapsbelasting en dividendbelasting

Terug naar overzicht Belastingplan 2018

English version

Aanpassing bereik dividendbelasting en buitenlandse vennootschapsbelastingplicht

Voorgesteld wordt de dividendbelasting in principe ook van toepassing te doen zijn op coöperaties. Daarnaast wordt de inhoudingsvrijstelling van dividendbelasting uitgebreid tot belastingverdragen met niet EU/EER-landen. Tevens bevat het voorstel specifieke regels betreffende belangen die worden gehouden in een Nederlandse bv/nv of houdstercoöperatie via hybride entiteiten. Tot slot wordt een antimisbruikbepaling toegevoegd. Hieronder is een en ander nader uitgewerkt.

Het wetsvoorstel stelt verder voor het vennootschapsbelastingregime voor buitenlands belastingplichtigen te wijzigen. De voorstellen houden in dat niet-ingezeten belastingplichtigen die een aanmerkelijk belang houden in een Nederlandse bv/nv of coöperatie in algemene zin onderworpen zijn aan de Nederlandse vennootschapsbelasting over het Nederlandse inkomen en over hun vermogenswinsten indien het belang wordt gehouden met de belangrijkste reden (of een van de belangrijkste redenen) om Nederlandse inkomstenbelasting te voorkomen op het niveau van de (indirecte) aandeelhouder. Deze versmalling van de belastinggrondslag wordt gecompenseerd door het opnemen van een antimisbruikbepaling in de Wet op de dividendbelasting. De bedoeling is dat de wet op 1 januari 2018 in werking treedt.

Houdstercoöperaties en dividendbelasting

Volgens de huidige wet zijn dividenden die een Nederlandse coöperatie uitkeert in principe niet onderworpen aan Nederlandse dividendbelasting, behalve in bepaalde misbruiksituaties. Nederlandse bv’s/nv’s moeten daarentegen in principe 15% belasting inhouden over aan aandeelhouders uitgekeerde dividenden.

Het wetsvoorstel beoogt om houdstercoöperaties dividendbelasting in te laten houden indien één van de leden van de coöperatie een kwalificerend lidmaatschapsrecht houdt. Een kwalificerend lidmaatschapsrecht doet zich voor indien een lid een belang houdt in de coöperatie van ten minste 5% en daardoor gerechtigd is tot eventuele winsten en/of liquidatieopbrengsten. De belangen van verbonden partijen, inclusief natuurlijke personen, zouden ook voor deze kwantitatieve test in aanmerking moeten worden genomen.

Een coöperatie kwalificeert als houdstercoöperatie indien de feitelijke werkzaamheden voor 70% of meer bestaan uit het houden van deelnemingen of het (in)direct financieren van verbonden lichamen. Of een coöperatie voldoet aan de definitie van een houdstercoöperatie wordt in beginsel bepaald op basis van de balans. Ook andere factoren moeten echter in aanmerking worden genomen, zoals de aard van de activa, de passiva, de omzet, de winst genererende werkzaamheden en de tijd die haar personeel kwijt is aan hun werkzaamheden. Een coöperatie die zich actief bezighoudt met het beheer van haar investeringen en die in verband hiermee voldoende substance heeft in Nederland (zoals personeel, een kantoor), zal in Nederland mogelijk niet als houdstercoöperatie kwalificeren. Zij zou daarom niet binnen de reikwijdte van de Wet op de dividendbelasting vallen. Erkend wordt dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin coöperaties die onderdeel zijn van private-equity-structuren zouden kunnen kwalificeren als niet-houdstercoöperaties.

De bovengenoemde criteria voor de werkzaamheden en het kwantitatieve eigendom zijn niet van toepassing op bv’s/nv’s. Deze lichamen blijven onverkort binnen de reikwijdte van de Wet op de dividendbelasting vallen. Bv’s/nv’s kunnen, net als houdstercoöperaties, profiteren van een volledige binnenlandse inhoudingsvrijstelling van dividendbelasting (zie ook hieronder). Indien een houdstercoöperatie deel uitmaakt van een bestaande structuur, is het mogelijk voordelig om de houdstercoöperatie om te zetten in een Nederlandse vaste inrichting, waaraan de aandelen in de gehouden vennootschappen worden toegewezen. Of dit inderdaad voordelig is, zou per geval moeten worden beoordeeld.  

Uitbreiding reikwijdte inhoudingsvrijstelling dividendbelasting

Indien een buitenlandse moedermaatschappij een belang houdt in een bv/nv of een houdstercoöperatie (‘Nederlands lichaam’) via een Nederlandse vaste inrichting waaraan het belang kan worden gealloceerd, dan geldt onder huidig recht al een inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting, onder de voorwaarde dat het belang kwalificeert voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening. Naast de nieuwe inhoudingsplicht die van toepassing is op houdstercoöperaties, voorziet het wetsvoorstel ook in een uitbreiding van de reikwijdte van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting. De vrijstelling zou van toepassing zijn op uitkeringen door bv’s/nv’s en houdstercoöperaties aan moedermaatschappijen die belastingplichtig zijn in (i) de EU, of (ii) een derde land dat een belastingverdrag heeft gesloten met Nederland waarin kwalificerende bepalingen met betrekking tot de dividendbelasting zijn opgenomen. Het belang in de houdstercoöperatie zou in beide gevallen een belang moeten zijn dat kwalificeert voor de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening indien de ontvangende partij een Nederlands belastingplichtige zou zijn geweest.

De volledige binnenlandse inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting is zelfs van toepassing wanneer het zou gaan om belastingplichtigen van verdragslanden waar het relevante verdrag voorziet in een gereduceerd dividendbelastingtarief in plaats van een volledige vrijstelling (zoals wanneer een verdrag met een niet in de EU/EER gelegen land voorziet in een dividendbelastingtarief van 5%).

Het wetsvoorstel gaat gepaard met een tegemoetkoming met betrekking tot een belang dat wordt gehouden in een Nederlandse entiteit door een hybride entiteit die kwalificeert als niet-transparant voor Nederlandse belastingdoeleinden. Ook al kwalificeert de ontvanger van het dividend vanuit een Nederlands perspectief niet voor de vrijstelling, omdat de ontvanger niet gevestigd is voor fiscale doeleinden in een EU/EER lidstaat of een verdragsland, dan is de vrijstelling toch toepasselijk onder de voorwaarde dat alle deelnemers in de hybride entiteit zouden kwalificeren wanneer ze de Nederlandse entiteit rechtstreeks zouden hebben gehouden. Met name in situaties waarin een US Inc een belang in de Nederlandse entiteit houdt door een transparante LLC kan de vrijstelling van toepassing zijn. Aan de andere kant, als de hybride entiteit voor Nederlandse fiscale doeleinden als transparant wordt aangemerkt maar als niet transparant vanuit het perspectief van de participanten, dan wordt geregeld dat de deelnemers niet kwalificeren als ontvangers vanuit Nederlands fiscaal perspectief. Voor de toepasselijkheid van de vrijstelling zou de hybride entiteit zelf moeten kwalificeren als inwoner in de EU/EER of een verdragsland.

Antimisbruikbepaling

Het wetsvoorstel stelt eveneens een nieuwe antimisbruikbepaling voor in het kader van de dividendbelastingvrijstelling. Voor toepassing van de vrijstelling voor in de EU/EER en/of in een verdragsland gevestigde ontvangende partijen, dient in wezen te worden vastgesteld of het (directe) belang in de Nederlandse entiteit wordt gehouden met de belangrijkste reden of een van de belangrijkste redenen om Nederlandse dividendbelasting te ontwijken (‘subjectieve toets’), en, indien dat het geval is, of de structuur of transactie als kunstmatig kan worden beschouwd (‘objectieve toets’). Een structuur of transactie wordt niet als kunstmatig aangemerkt voor zover daaraan zakelijke motieven ten grondslag liggen die de economische realiteit weerspiegelen. Dit kan, bijvoorbeeld, het geval zijn wanneer de rechtstreekse deelgerechtigde of aandeelhouder of de aandeelhouder van het lichaam zich actief bezighoudt met het bedrijf of de activiteiten waaraan het belang kan worden toegewezen. Wanneer het belang in het Nederlandse lichaam als een passieve investering wordt aangemerkt, is de vrijstelling in beginsel slechts van toepassing als niet is voldaan aan de subjectieve toets.

Aangezien de bepaling van valide zakelijke overwegingen die de economische realiteit weerspiegelen gemaakt zou worden door een beroep te doen op de bestaande regels, zouden ook private-equity-investeringsbedrijven worden aangemerkt als actieve ondernemingen. Dit kan aldus geldige zakelijke motieven opleveren. Daar komt bij dat indien de deelgerechtigde of aandeelhouder van een lichaam een zogenaamde hoogste houdstermaatschappij is die zich bezighoudt met het bestuur, het beheer en/of de financiële activiteiten voor de groep, dit eveneens geldige zakelijke motieven kan opleveren. Dit geldt eveneens voor buitenlandse tussenholdings met de vereiste substance, die een schakelfunctie vervullen tussen de bedrijfs- of hoofdkantooractiviteiten van de (uiteindelijke) aandeelhouder en de lagere (binnen- of buitenlandse) ondernemingen binnen de holdingstructuur.

De factoren die in aanmerking moeten worden genomen om te bepalen of een buitenlandse tussenholding de vereiste substance heeft, worden aangepast. Naast de vereiste substance voor het verkrijgen van een ruling (d.w.z. ten minste 50% van de leden van de raad van bestuur moet inwoner van Nederland zijn, de administratie moet in Nederland worden gevoerd, enz.), zou ook aan de volgende voorwaarden moeten worden voldaan: de buitenlandse tussenholding dient ten minste EUR 100.000,- te verlonen en dient een eigen kantoor en eigen bedrijfsfaciliteiten te hebben en te gebruiken voor de functie van tussenholding. Het wetsvoorstel voorziet in een overgangsperiode van drie maanden in relatie tot de additionele substance voorwaarden.

Indien de vrijstelling niet van toepassing is, is slechts (volledige of gedeeltelijke) verrekening ingevolge een toepasselijk belastingverdrag mogelijk. Er is echter al aangekondigd dat het niet de bedoeling is dat de mogelijkheid een beroep te doen op de voordelen van een belastingverdrag zou kunnen leiden tot een gunstiger uitkomst dan het geval zou zijn volgens binnenlandse regelgeving.


Zie ook bij gerelateerde artikelen:

Uitsluiting FBI van inhoudingsvrijstelling dividendbelasting

Voorgesteld wordt om een fiscale beleggingsinstelling (FBI) alsnog uit te sluiten van de inhoudingsvrijstelling voor dividendbelasting. Die systematiek lijkt niet goed te werken voor FBI’s. Door de wetswijziging blijft de oude regeling van toepassing, waarin een FBI de ten laste van haar ingehouden dividendbelasting en buitenlandse bronbelasting tot bepaalde bedragen mag verrekenen met de af te dragen dividendbelasting bij uitkering door de FBI.

Geen verlenging eerste tariefschijf vennootschapsbelasting

Het nieuwe kabinet heeft een forse verlaging van de VPB-tarieven aangekondigd. Daartegenover staat onder meer dat de geleidelijke verlenging van de eerste tariefschijf tot uiteindelijk € 350.000, zoals in het Belastingplan 2017 was voorzien, geen doorgang vindt. Voor het boekjaar 2018 betekent dit dat de eerste tariefschijf eindigt bij een belastbaar bedrag van € 200.000, in plaats van de eerder voorziene € 250.000.

Verhoging effectief tarief innovatiebox

Winsten die worden behaald met kwalificerende innovatieve activiteiten worden door toepassing van de innovatiebox in 2017 effectief belast tegen een tarief van 5%. De regering stelt voor om dit effectieve tarief per 1 januari 2018 te verhogen naar 7%. Er is in een overgangsregeling voorzien voor situaties waarin vóór die datum genoten voordelen op een later tijdstip moeten worden teruggedraaid. In de toelichting bij de nota van wijziging wijst de wetgever op de situatie waarin een in 2017 ingediende aanvraag voor een octrooi of kwekersrecht in een later jaar wordt afgewezen.

Aanpassing antiwinstdrainageregeling

In april 2017 heeft de Hoge Raad een aantal spraakmakende arresten gewezen in een zaak waarin een bankenconcern een ingewikkelde fiscale constructie had opgetuigd. In één van deze zaken kwam aan de orde of rente op grond van de antiwinstdrainageregeling niet van de winst aftrekbaar was. Deze regeling betreft een beperking voor rente ter zake van schulden die verband houden met bepaalde besmette rechtshandelingen. Het ging hier om een lening aan een verbonden lichaam die op zijn beurt de daarvoor benodigde gelden op de markt had geleend. In deze zaak stond vast dat er sprake was van ‘parallelliteit’ tussen de interne en externe lening. In het arrest besliste de Hoge Raad dat een dergelijke lening in beginsel onder het bereik van de antiwinstdrainageregeling valt, maar dat bij een lening die in feite van een derde afkomstig is de rente toch niet in aftrek wordt beperkt omdat dan aan de zogenoemde dubbele zakelijkheidstoets is voldaan. Volgens die toets is de antiwinstdrainageregeling niet van toepassing als de belastingplichtige zowel de (overwegende) zakelijkheid van de rechtshandeling als de (overwegende) zakelijkheid van de beslissing om de rechtshandeling met een schuld te financieren aannemelijk kan maken.

Het kabinet stelt nu voor om in de wet vast te leggen dat de belastingplichtige bij een lening die feitelijk van een derde is betrokken, alsnog de zakelijkheid van de rechtshandeling aannemelijk moet maken. Hierbij wordt opgemerkt dat de beoordeling of de schuld in feite is verschuldigd aan een derde hiermee niet wijzigt.  

Aftrekbaarheid verliezen op schuldvorderingen en fiscale eenheid

Een bv die een schuldvordering heeft op een andere bv kan een afwaarderingsverlies op die schuldvordering in beginsel van de winst aftrekken. Het kabinet stelt nu voor om dergelijke afwaarderingsverliezen in bepaalde specifieke situaties niet aftrekbaar te maken. Het gaat hierbij om situaties waarin de crediteur van de lening tot een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting behoort en het afwaarderingsverlies verband houdt met een verlies dat door een andere in de fiscale eenheid opgenomen maatschappij is geleden. Het aftrekverbod geldt bij een vordering op een lichaam dat verbonden is, of verbonden is geweest. Als dat lichaam op zijn beurt weer een vordering heeft op de andere gevoegde maatschappij, zou zonder de wetsaanpassing het verlies tweemaal ten laste van de winst van de fiscale eenheid kunnen worden gebracht.

Liquidatieverliesregeling

Verliezen die een bv leidt bij de liquidatie van een dochtermaatschappij waarin de bv een deelneming heeft, zijn in beginsel aftrekbaar. Als de desbetreffende dochtermaatschappij een vordering heeft (gehad) op een debiteur die met de eerstgenoemde bv in een fiscale eenheid is opgenomen, kan hierdoor sprake zijn van een dubbele verliesneming. Dat doet zich voor als de debiteur van die lening een verlies heeft geleden dat door de werking van de fiscale eenheid kan worden verrekend met de winst van de eerstgenoemde bv. Het voorstel is om de liquidatieverliesregeling zo aan te passen dat dit niet (meer) kan.

De liquidatieverliesregeling wordt tevens aangepast om misbruik te voorkomen in bepaalde situaties waarin sprake is van een samenloop met de fiscale eenheid. Dit betreft een situatie die in de rechtspraak aan de orde is geweest en momenteel aanhangig is bij de Hoge Raad. Er is in die zaak sprake van een geconstrueerd liquidatieverlies, doordat een in de fiscale eenheid opgenomen dochtermaatschappij (tussenhoudster) wordt ontvoegd en vervolgens (na enkele maanden) wordt geliquideerd. Voorgesteld wordt om de wettelijke regeling zo aan te passen dat in dergelijke samenloopsituaties geen  liquidatieverlies kan worden geclaimd.

Interne gebruiksvergoedingen fiscale eenheid vennootschapsbelasting

Het kabinet stelt voor om de regeling inzake de fiscale eenheid te wijzigen wat betreft de berekening van de voorkomingswinst. Het gaat om de samenloop tussen de fiscale eenheid en de zogenoemde objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten ingeval van interne gebruiksvergoedingen. Zonder de aanpassing zou in bepaalde situaties een onjuist bedrag zijn vrijgesteld op grond van de objectvrijstelling. Een soortgelijke benadering geldt al langer voor interne financieringskosten. De Hoge Raad heeft vorig jaar geoordeeld dat zich hetzelfde effect kan voordoen bij royaltybetalingen. Het kabinet stelt nu voor om de regeling voor financieringskosten door te trekken naar (andere) interne gebruiksvergoedingen, zoals royaltybetalingen, huur- en leasebetalingen.

Documentatieverplichtingen (Country-by-Country Reporting)

Nederland heeft op 1 januari 2016 de in OESO verband overeengekomen gestandaardiseerde documentatieverplichtingen genaamd ‘Country-by-Country Reporting’ ingevoerd. Op grond hiervan moeten Nederlandse entiteiten van grote multinationale ondernemingen jaarlijks ten behoeve van de belastingdiensten onder andere de wereldwijde fiscale winstverdeling inzichtelijk maken, en aangeven hoeveel belasting in welk land wordt betaald. Niet alle landen hebben tijdig hun wetgeving aangepast. Om te voorkomen dat groepsentiteiten van een multinationale groep (tijdelijk) terugvallen op de verplichting om het landenrapport te verstrekken aan de belastingdiensten van de landen waarin de groepsentiteiten zijn gevestigd (‘local filing’), geeft de OESO aan dat landen kunnen toestaan dat het landenrapport toch wordt ingediend door de uiteindelijke moederentiteit in het land waarin zij fiscaal gevestigd is (het zogeheten ‘voluntary filing’ of ‘parent surrogate filing’). In die situaties zal de uiteindelijkemoederentiteit het landrapport verstrekken aan de belastingdienst van haar vestigingsland. Vervolgens zal dat land het landenrapport uitwisselen met Nederland. Voorgesteld wordt nu dat Nederland zijn wetgeving hiermee in lijn brengt, waardoor in dergelijke situaties voor Nederlandse groepsentiteiten geen verplichting geldt om het landenrapport te verstrekken aan de inspecteur.

Prinsjesdag 2017 - Webcast

De dag na Prinsjesdag, op woensdag 20 september 2017, publiceerde Deloitte belastingadviseurs een webcast over de nieuwe wetsvoorstellen. Bekijk hier de uitzending: Prinsjesdag 2017 webcast.

Vond u dit nuttig?