Implementatie btw e-commerce richtlijn

Article

Implementatie btw e-commerce richtlijn

Belastingplan 2019 - Prinsjesdag

De te implementeren onderdelen zien op vereenvoudiging van het huidige btw-regime voor telecommunicatiediensten, omroepdiensten en elektronische diensten en dan specifiek op de laatstgenoemde soort diensten.

2 oktober 2018

Implementatie btw e-commercerichtlijn

Het wetsvoorstel implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel voorziet in de tijdige integratie van een deel van de op 5 december 2017 door de EU-lidstaten aanvaarde e-commerce richtlijn in de Nederlandse belastingwetgeving. De te implementeren onderdelen zien met name op vereenvoudiging van het huidige btw-regime voor telecommunicatiediensten, omroepdiensten en elektronische diensten en dan specifiek voor de laatstgenoemde soort diensten.

Het grootste deel van de e-commercerichtlijn, dat ziet op afstandsverkopen aan consumenten, moet geïmplementeerd worden met ingang van 1 januari 2021. De staatssecretaris van Financiën geeft aan op termijn met een afzonderlijk wetsvoorstel te komen met de bepalingen hiervoor. Aangezien het gaat om de implementatie van de door de EU-lidstaten aanvaarde e-commercerichtlijn, worden weinig problemen verwacht bij de behandeling van dit wetsvoorstel door het parlement.

Na de invoering van de btw-regelgeving voor telecommunicatiediensten, omroepdiensten en elektronische diensten in 2015, kregen ondernemers al gauw te maken met administratieve lasten. Ondernemers die elektronische diensten verkopen aan consumenten in andere lidstaten zijn sinds 2015 de btw verschuldigd in de lidstaten waar die consumenten wonen, tegen de geldende tarieven van die lidstaten. Voor de afdracht kunnen ondernemers kiezen voor de vereenvoudigde regeling van het mini One-Stop Shop System (MOSS), waarbij ondernemers de mogelijkheid hebben om in de eigen lidstaat alle verschuldigde buitenlandse btw aan te geven en te voldoen. Bij verkoop van deze B2C-diensten via het internet is echter niet altijd eenvoudig vast te stellen in welke lidstaat de consument woont en welk btw-tarief de ondernemer in rekening moeten brengen en afdragen. Afdracht doen via het MOSS betekent bovendien dat een extra aangifte, naast de reguliere binnenlandse btw-aangifte, in de eigen lidstaat moet worden ingediend. Om deze ondernemers, die veelal voor kleine bedragen verkopen aan consumenten in andere lidstaten, tegemoet te komen, worden per 1 januari 2019 vier vereenvoudigingen doorgevoerd.

Omzetdrempel van € 10.000

Ondernemers die elektronische diensten verrichten aan consumenten in andere lidstaten zijn onder de huidige regels btw verschuldigd in die lidstaten. Van de vereenvoudiging via de MOSS-aangifte maken volgens de Staatssecretaris nu circa 1.300 in Nederland gevestigde ondernemers gebruik. Toch kan dit administratief bezwaarlijk zijn voor ondernemers die een gering aantal elektronische diensten verrichten aan buitenlandse consumenten. Zij moeten namelijk bijhouden wat de woonplaats van hun consument is en welke btw-tarieven in de lidstaat van die consument gelden.

De vereenvoudiging houdt in dat ondernemers die deze online B2C-diensten verrichten en in één lidstaat zijn gevestigd het btw-tarief mogen hanteren dat geldt in de eigen lidstaat. Van deze vereenvoudiging kan echter enkel gebruik worden gemaakt indien een ondernemer onder de totale grensoverschrijdende omzetdrempel van € 10.000 blijft. Voor toepassing van deze omzetdrempel tellen alleen transacties mee waarbij de afnemers niet-belastingplichtigen zijn. Ondernemers die onder de omzetdrempel van € 10.000 blijven, kunnen overigens ook gebruik blijven maken van de eerdere MOSS-vereenvoudiging. Hiertoe moet een verzoek bij de inspecteur worden ingediend. De optie geldt dan voor ten minste twee kalenderjaren. De staatssecretaris geeft in de memorie van toelichting aan dat deze keuze aantrekkelijk kan zijn voor ondernemers wanneer de btw-tarieven in andere lidstaten aanzienlijk lager zijn dan het btw-tarief in Nederland.

Uitbreiding toepassingsbereik MOSS

Ondernemers die niet in de EU zijn gevestigd noch aldaar een vaste inrichting hebben, maar die wel in de EU (zouden moeten) zijn geregistreerd voor btw-doeleinden, kunnen momenteel geen gebruik maken van de MOSS wanneer zij elektronische diensten verrichten aan consumenten in de EU. Door het wetsvoorstel wordt het toepassingsbereik van MOSS uitgebreid en kunnen ook deze niet in de EU gevestigde ondernemers gebruikmaken van de niet-Unieregeling binnen MOSS. Meer niet-EU-ondernemers kunnen vanaf 1 januari 2019 gebruik maken van MOSS, waardoor de controle op deze ondernemers zal verbeteren. Deze wetswijziging is ook belangrijk voor Britse ondernemers, die de dag na de verwachte Brexit op 29 maart 2019 in het geval van een ‘no deal’ niet meer in de EU gevestigde ondernemers zijn. Zij kunnen vanaf dat moment gebruik maken van de niet-Unieregeling binnen MOSS.

Factureringsregels eigen lidstaat

Naast de actuele btw-tarieven in andere lidstaten moeten ondernemers die elektronische diensten verrichten aan consumenten in andere lidstaten ook op de hoogte zijn van de factureringsregels die in die andere lidstaten gelden. De naleving van al die verschillende regels is belastend voor deze ondernemers. Als vereenvoudiging wordt daarom voorgesteld dat ondernemers die gebruikmaken van MOSS mogen uitgaan van de factureringsregels van de eigen lidstaat, in plaats van de lidstaat van de afnemer. Aangezien MOSS ook kan worden toegepast door niet-EU-ondernemers, kan het bij de keuze voor de lidstaat van registratie van belang zijn welke factureringsregels aldaar gehanteerd worden. Voor ondernemers gevestigd in Nederland of niet-EU-ondernemers die zich in Nederland registreren voor de MOSS houdt dit bijvoorbeeld in dat zij niet verplicht zijn facturen uit te reiken bij transacties met particuliere afnemers. Ondernemers die geen gebruik maken van MOSS moeten in beginsel de factureringsregels van de lidstaten van de consumenten toepassen.

De omzetdrempel van € 100.000

De huidige wetgeving bepaalt dat ondernemers die elektronische diensten verrichten aan consumenten in andere lidstaten moeten beschikken over twee afzonderlijke niet-tegenstrijdige bewijsstukken om te kunnen bepalen waar de consument gevestigd is. Als bewijsstukken gelden een factuuradres, een IP-adres, bankgegevens, simkaartgegevens, de plaats van de vaste telefoonlijn en andere zakelijk relevante gegevens. Ook het verkrijgen van deze bewijsstukken vormt een administratieve hindernis voor deze ondernemers. Om dit proces te vereenvoudigen wordt de bestaande bewijsregeling aangepast. Ondernemers van wie de omzet ter zake van elektronische diensten aan consumenten in andere lidstaten het drempelbedrag van € 100.000 niet overschrijdt in het lopende of het voorgaande kalenderjaar, mogen vanaf 1 januari 2019 de woonplaats van hun consumenten vaststellen op basis van één bewijsstuk. Opvallend daarbij is dat dit bewijsstuk afkomstig moet zijn van een bij de transactie betrokken persoon die niet de dienstverrichter of de afnemer is.

Vond u dit nuttig?