Belastingplan 2019 - Looptijd 30%-regeling per 1 januari 2019 verkort naar vijf jaar

Article

Looptijd 30%-regeling per 1 januari 2019 verkort naar vijf jaar

Belastingplan 2019 - Prinsjesdag

Op Prinsjesdag heeft het kabinet het pakket Belastingplan 2019 gepresenteerd. Een van de voorgestelde maatregelen is een verkorting van de looptijd van de 30%-regeling naar vijf jaar.

2 oktober 2018

Voorstellen pakket Belastingplan 2019

In het Belastingplan 2019 stelt het kabinet (definitief) voor om de maximale looptijd van de 30%-regeling met ingang van 1 januari 2019 te verkorten van acht naar vijf jaar, zonder overgangsrecht voor bestaande gevallen. De verkorting van de looptijd werkt door naar de keuzeregeling voor de zogenoemde partiële buitenlandse belastingplicht. Op grond van deze keuzeregeling kan een ingekomen werknemer voor de belastingheffing in box 2 en box 3 worden aangemerkt als buitenlands belastingplichtige waardoor deze inkomsten niet worden belast.

Het voorgaande houdt in dat de ingekomen werknemer die vanwege de looptijdverkorting per 1 januari 2019 geen recht meer heeft op de 30% regeling, vanaf die datum eveneens de mogelijkheid verliest om te kiezen voor partiële buitenlandse belastingplicht. Gevolg is dat hij in Nederland belastingplichtig wordt ter zake van zijn wereldinkomen.

Wel beperkt overgangsrecht voor schoolgelden

Met of zonder de 30%-regeling was het al mogelijk om belastingvrij schoolgelden voor een internationale school of internationale afdeling van een reguliere school te vergoeden aan een ingekomen werknemer. Hoewel ook deze mogelijkheid beperkt leek te worden tot vijf jaar, stelt het kabinet op dit punt toch enig overgangsrecht voor. Dit overgangsrecht houdt in dat de werkgever met betrekking tot het schooljaar 2018/2019 nog onbelast schoolgelden mag vergoeden, mits dit gebeurt binnen de oorspronkelijke looptijd van de 30%-regeling.

Commentaar

De verkorting van de looptijd van de 30%-regeling was al aangekondigd in het Regeerakkoord. De maatregel vloeit voort uit eerdere onderzoeken die waren gericht op het vinden van mogelijke beperkingen van de 30%-regeling. Met name de Tweede Kamer vond deze faciliteit te royaal. De inkorting van de looptijd was de minst nadelige ingreep van diverse alternatieven, zoals aftopping van de hoogte van het inkomen waarover de tegemoetkoming wordt berekend of aanpassing, dan wel afbouw, van de hoogte van het percentage.

In het algemeen bestaat er niet heel veel bezwaar tegen deze maatregel, ook al omdat is gebleken dat veel werknemers niet langer dan vijf jaar worden uitgezonden. Niettemin heeft het ontbreken van overgangsrecht wel veel kwaad bloed gezet. Het is inderdaad niet erg sympathiek om bestaande gevallen niet te respecteren. Het ligt evenwel niet in de lijn der verwachting dat de Tweede Kamer dit nog wijzigt, maar uitgesloten is het uiteraard niet.

Veel werknemers zullen zich afvragen welke invloed de voorgestelde wijzigingen hebben op hun financiële positie. Het is dan ook aan te raden om te inventariseren welke werknemers worden getroffen door de looptijdverkorting en deze groep proactief te informeren.

Aangezien de 30%-regeling in de salarisadministratie moet worden toegepast, dient de werkgever een nieuwe looptijd vast te stellen. Dit kan door (per 1 januari 2019) de op de beschikking inzake de 30%-regeling vermelde looptijd te verkorten met drie jaar, uitgaande van een op de beschikking vermelde looptijd van acht jaar. Is de vermelde looptijd korter dan moet uiteraard ook met een kortere periode worden gekort. Voor beschikkingen met een einddatum vóór 1 januari 2022, kan de 30%-regeling vanaf 1 januari 2019 sowieso niet meer worden toegepast.

Afspraken over de 30%-regeling kunnen zijn opgenomen in arbeidsovereenkomsten, 30%-addenda en andere met de werknemer overeengekomen afspraken. Het kan nodig zijn om deze documenten in het licht van de voorgestelde wijzigingen opnieuw te beoordelen.

Vond u dit nuttig?