Belastingplan 2019 - Overzicht maatregelen loon- en inkomstenbelasting

Article

Overzicht maatregelen loon- en inkomstenbelasting

Belastingplan 2019 - Prinsjesdag

Hierbij een overzicht van de maatregelen in het pakket Belastingplan 2019 met betrekking tot de loon- en inkomstenbelasting.

20 november 2018

Overzicht maatregelen loon- en inkomstenbelasting

English version

Terug naar overzicht Belastingplan 2019

Nieuw tariefstelsel box 1

De lasten voor burgers worden de komende jaren verlaagd. Daartoe worden tarieven in de loon- en inkomstenbelasting fors verlaagd. Als gevolg van deze tariefaanpassingen ontstaat vanaf 2021 een tweeschijvenstelsel met een basistarief van 37,05% en een toptarief van 49,5%. In 2019 wordt de eerste stap richting dit stelsel gezet door middel van een verlaging van de tarieven in de tweede en derde schijf van de loon- en inkomstenbelasting. Het tarief in de eerste schijf stijgt juist iets. Verder heeft het kabinet heeft besloten om het beginpunt van de hoogste tariefschrijf de komende jaren te ‘bevriezen’ op € 68.507. Als gevolg hiervan zullen belastingplichtigen relatief sneller in de hoogste schrijf vallen, waardoor de belastingopbrengst zal stijgen. Hieronder hebben wij de wijzigingen voor 2019 in tabelvorm samengevat. 

Schijfgrenzen

2019

2018

Einde eerste schijf

€ 20.384

€ 20.142

Einde tweede schijf (geboren vóór 1 januari 1946)

€ 34.817

€ 34.404

Einde tweede schijf (geboren na 1 januari 1946)

€ 34.300

€ 33.994

Einde derde schijf

€ 68.507

€ 68.507

 

Gecombineerde tarieven IB/LB en premies  volksverzekeringen

2019

2018

Tarief eerste schijf (onder AOW-leeftijd)

36,65%

36,55%

Tarief eerste schijf (boven AOW-leeftijd)

18,75%

18,65%

Tarief tweede schijf (onder AOW-leeftijd)

38,10%

40,85%

Tarief tweede schijf (boven AOW-leeftijd)

20,20%

22,95%

Tarief derde schijf

38,10%

40,85%

Tarief vierde schijf

51,75%

51,95%

 

Verhoging box 2-tarief

Het tarief voor inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) wordt vanaf 2020 stapsgewijs verhoogd. Het kabinet wil hiermee een te sterke aanzuigende werking naar de bv voorkomen die mogelijk zou optreden als gevolg van de tariefverlaging in de vennootschapsbelasting. Op die manier blijft het globale evenwicht in belastingdruk tussen IB-ondernemers en aandeelhouders in een bv in stand. Het box 2-tarief stijgt in 2020 met 1,25%-punt tot 26,25%. In 2021 komt daar nog eens 0,65%-punt bij, zodat het tarief uiteindelijk op 26,9% uitkomt. De tariefverhoging valt lager uit dan in het regeerakkoord was voorzien (28,5%).

Heffingskortingen

Om ook lagere inkomens de vruchten te laten plukken van de voorgestelde lastenverlichting wordt het maximum van de algemene heffingskorting in de jaren 2019, 2020 en 2021 geleidelijk verhoogd tot uiteindelijk EUR 2.753 (2018: EUR 2.265). De bestaande inkomensafhankelijke afbouw tot nihil in de tweede en derde schijf blijft echter gehandhaafd.
 
Ook het maximale bedrag van de arbeidskorting gaat omhoog tot uiteindelijk EUR 3.945 in 2021 (2018: EUR 3.249). Bovendien loopt het opbouwtraject van de arbeidskorting langer door. Daartegenover staat dat deze heffingskorting boven een arbeidsinkomen van EUR 34.060 wordt afgebouwd met 6% (2018: 3,6%).

De inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt in 2019 enkel gecorrigeerd voor de inflatie. Het opbouwtraject wordt echter wel aangepast. Het basisbedrag van € 1.052 komt te vervallen, terwijl het opbouwpercentage toeneemt tot 11,45% (2018: 6,159%). Het gevolg is dat het maximum van deze heffingskorting bij een lager arbeidsinkomen wordt bereikt.

Ziektewetuitkeringen die worden verstrekt aan personen zonder werk tellen vanaf 2020 niet langer mee voor de hoogte van arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Op die manier ontstaat een gelijke behandeling met WW-gerechtigden, van wie de uitkering ook niet meetelt voor de berekening van deze heffingskortingen.    

In totaal is met bovenstaande maatregelen een budgettair beslag van bijna EUR 4,5 mld. gemoeid. De wijzigingen ten opzichte van het jaar 2018 zijn in onderstaande tabel weergegeven:

Heffingskortingen

Stand 2019

Stand 2018

Maximum algemene heffingskorting (onder AOW-leeftijd)

€ 2.477

€ 2.265

Maximum algemene heffingskorting (boven AOW-leeftijd)

€ 1.268

€ 1.157

Afbouwpercentage algemene heffingskorting

5,147%

4,683%

Minimale algemene heffingskorting

€0

€ 0

Maximum arbeidskorting

€3.399

€ 3.249

Afbouwpercentage arbeidskorting

6,00%

3,60%

Minimale arbeidskorting

€0

€ 0

Maximum inkomensafhankelijke combinatiekorting

€ 2.835

€ 2.801

Jonggehandicaptenkorting

€737

€ 728

Ouderenkorting

€ 1.596

€ 1.418 / € 72

Ouderenkorting afbouwpercentage

15%

n.v.t

Alleenstaande ouderenkorting

€429

€ 423

 

Maximering tarief aftrekposten

Het maximale tarief waartegen aftrekposten in box 1 in aanmerking kunnen worden genomen wordt vanaf 2020 jaarlijks met 3%-punt afgebouwd totdat in 2023 het basistarief van 37,05% is bereikt. Momenteel geldt al een afbouwtraject voor de hypotheekrenteaftrek, maar dit wordt nu versneld. Andere aftrekposten in box 1 die door de maatregel worden geraakt zijn de mkb-winstvrijstelling, de tbs-vrijstelling, de ondernemersaftrek, en de persoonsgebonden aftrek. Ten aanzien van de twee eerstgenoemde posten geldt de maatregel alleen als de winst respectievelijk het resultaat in het betreffende jaar op een positief bedrag uitkomt. Hieronder hebben wij de voorgestelde aanpassingen in tabelvorm opgenomen (cijfers 2018  zijn ter vergelijking).

Jaar

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Maximaal aftrektarief kosten eigen woning

49,5%

49,0%

46,0%

43,0%

40,0%

37,05%

Maximaal aftrektarief overige posten

51,95%

51,75%

46,0%

43,0%

40,0%

37,05%


De budgettaire opbrengst van de versnelde afbouw van het aftrektarief voor kosten in verband met de eigen woning wordt gebruikt om het percentage van het eigenwoningforfait in jaarlijkse stappen te verlagen tot uiteindelijk 0,45% in 2023 voor eigen woningen met een WOZ-waarde tussen EUR 75.000 en EUR 1.060.000. Voor zover de WOZ-waarde hoger is dan laatstgenoemd bedrag blijft het eigenwoningforfait gehandhaafd op 2,35%. De verlaging geldt evenmin voor de bijtelling privégebruik van tot het ondernemingsvermogen behorende woningen.   

Schulden van dga aan bv

Het kabinet heeft aangekondigd om een regeling te gaan uitwerken die dga’s ontmoedigt om bedragen groter dan EUR 500.000 te lenen bij hun bv. Indien het totaalbedrag van de schulden deze drempel overschrijdt, wordt het meerdere namelijk vanaf 1 januari 2022 aangemerkt als een dividenduitkering die in box 2 wordt belast. Aanvankelijk wilde men alleen een overgangsregeling treffen voor reeds bestaande eigenwoningschulden bij de eigen bv. In oktober 2018 heeft het kabinet echter aangekondigd dat ook nieuwe financieringen ten behoeve van de eigen woning buiten de reikwijdte van de maatregel zullen blijven. Financieringen ten behoeve van andere onroerende zaken worden nadrukkelijk niet uitgezonderd.

De voorgenomen wetswijziging maakt overigens geen deel uit van het Belastingplan 2019, maar zal pas in het voorjaar van 2019 bij de Tweede Kamer worden ingediend. Voorafgaand zal nog een internetconsultatie plaatsvinden. Het kabinet heeft ervoor gekozen om de maatregel nu al aan te kondigen, zodat dga’s zo lang mogelijk de tijd krijgen om excessieve schuldverhoudingen met hun bv af te wikkelen, bijvoorbeeld door middel van een dividenduitkering. Wanneer dga’s in 2019 dividend uitkeren, is hierover nog 25% inkomstenbelasting verschuldigd.

Conserverende aanslag lijfrenten en pensioenen

De wetgever codificeert een arrest van de Hoge Raad uit 2017, waarin ons hoogste rechtscollege oordeelde dat het opleggen van een conserverende aanslag bij emigratie ter zake van pensioen- en lijfrenteaanspraken onder omstandigheden in strijd met de goede verdragstrouw kan komen. Het gaat om gevallen waarin het toepasselijke belastingverdrag in een exclusieve woonstaatheffing voorziet, en

  • premies voor de lijfrenteaanspraak zijn betaald vóór 1 januari 1992, danwel in de periode 1 januari 2001 tot en met 15 juli 2009; of
  • aanspraken op en bijdragen voor een pensioenregeling in de periode vóór 16 juli 2009 niet tot het loon zijn gerekend.


Achtergrond hiervan is dat Nederland in voornoemde tijdvakken de waarde in het economische verkeer van de betreffende aanspraken in de heffing betrok en daarmee zich een heffingsrecht toe-eigende dat eigenlijk aan de verdragspartner toebehoorde. Ook had de premieaftrek in die periode geen voorwaardelijk karakter. Wanneer een conserverende aanslag mede betrekking heeft op premies welke in die periode zijn betaald, moet compartimentering plaatsvinden.

Verlenging vrijstelling pleegzorgvergoedingen

Pleegzorgvergoedingen die worden toegekend voor het opvangen van pleegkinderen zijn vanaf 2019 definitief vrijgesteld van de heffing van inkomstenbelasting. De wetgever beoogt hiermee discussies te voorkomen over de vraag of sprake is van een bron van inkomen. Eerder had het kabinet voorgesteld om de nu geldende tijdelijke vrijstelling te verlengen tot 1 januari 2020, in afwachting van nadere besluitvorming. Inmiddels is de knoop echter doorgehakt ten gunste van een structurele vrijstelling.

Beperking looptijd 30%-regeling

De looptijd van de zogenoemde 30%-regeling voor extraterritoriale werknemers wordt per 1 januari 2019 ingekort van acht tot vijf jaar. De looptijdverkorting werkt ook door naar de mogelijkheid om te opteren voor partiële buitenlandse belastingplicht in de inkomstenbelasting. Aanleiding voor de wetswijziging is dat uit een evaluatie van de 30%-regeling is gebleken dat deze door circa 80% van de gebruikers niet langer dan vijf jaar wordt toegepast.

In eerste instantie wilde het kabinet bestaande gevallen niet tegemoetkomen. Echter, nadat het besluit was gevallen om de dividendbelasting te handhaven heeft men toch financiële ruimte gevonden voor een overgangsregeling. Werknemers voor wie de looptijd van de 30%-regeling zonder wetswijziging in 2019 of 2020 zou verstrijken, mogen de oorspronkelijke einddatum van de beschikking blijven aanhouden. Werknemers van wie de einddatum van de 30%-beschikking in 2021, 2022 of 2023 ligt, mogen de regeling nog tot en met 31 december 2020 blijven toepassen. Als de huidige einddatum van de 30%-beschikking op of na 1 januari 2024 wordt de looptijd met drie jaar ingekort. In dat geval sorteert de overgangsregeling geen effect.

Forfaitaire bijtelling ter beschikking gestelde fiets van de zaak

Het gebruik van de fiets voor woon-werkverkeer wordt gestimuleerd door vanaf 1 januari 2020 de waarde van het privévoordeel van de fiets van de zaak vast te stellen met behulp van een forfait. De fiscale bijtelling wordt gesteld op 7% van de consumentenadviesprijs.

Verhogen maximumbedragen vrijwilligersregeling

Op dit moment kunnen vrijwilligers een vergoeding van ten hoogste EUR 150 per maand (tot een maximum van EUR 1.500) per jaar ontvangen zonder dat hierover loonheffingen verschuldigd zijn. Het kabinet stelt voor om deze bedragen per 1 januari 2019 te verhogen tot respectievelijk EUR 170 per maand en EUR 1.700 per jaar.

Heffingskorting buitenlands belastingplichtigen

In het Belastingplan 2018 is geregeld dat in de loonbelasting vanaf 2019 alleen nog het belastingdeel van de heffingskortingen wordt toegepast waarop niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen uit het betreffende land in de inkomstenbelasting recht hebben. Dit betekent dat kwalificerende buitenlands belastingplichtigen hun aanspraak op het belastingdeel van de niet-arbeidsgerelateerde heffingskortingen in de inkomstenbelasting geldend zullen moeten maken.

Om de wetgeving in overeenstemming met EU-recht te brengen, wordt nu vastgelegd dat niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen die inwoner zijn van een EU/EER-lidstaat in voorkomende gevallen steeds recht hebben op het belastingdeel van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting in de inkomstenbelasting.

S&O-afdrachtvermindering

Inhoudingsplichtigen die een onderneming drijven waarbinnen R&D-activiteiten worden verricht, kunnen voor de kosten en uitgaven die hiermee gemoeid zijn gebruik maken van de zogenoemde S&O-afdrachtvermindering. Zij moeten dan wel beschikken over een zogenoemde S&O-verklaring en aan diverse administratieve voorwaarden voldoen. Nu de afschaffing van de dividendbelasting niet doorgaat, heeft het kabinet besloten om extra geld vrij te maken voor het stimuleren van innovatieve werkzaamheden. Daartoe wordt het percentage van de afdrachtvermindering in de tweede schijf (S&O-grondslag > € 350.000) per 2020 verhoogd van 14% naar 16%.

Vond u dit nuttig?