Belastingplan 2019 – Overzicht maatregelen vennootschapsbelasting en dividendbelasting

Article

Overzicht maatregelen vennootschapsbelasting en dividendbelasting

Belastingplan 2019 - Prinsjesdag

Hierbij een overzicht van de maatregelen in het pakket Belastingplan 2019 met betrekking tot de vennootschapsbelasting en de dividendbelasting.

19 november 2018

Overzicht maatregelen vennootschapsbelasting en dividendbelasting

English version

Terug naar overzicht Belastingplan 2019

Handhaving dividendbelasting

Het kabinet presenteert maatregelen die gericht zijn op het tegengaan van grondslagverschuiving van of via Nederland naar laagbelastende jurisdicties. Tegelijkertijd worden maatregelen geïntroduceerd die beogen te zorgen voor het behouden en verstevigen van een aantrekkelijk ondernemings- en investeringsklimaat voor ondernemingen met reële activiteiten in Nederland.

Met het oog op het behouden én het aantrekken van hoofdkantoren van internationaal opererende bedrijven stelde het kabinet aanvankelijk voor om de dividendbelasting per 1 januari 2020 af te schaffen. In directe samenhang hiermee zouden directe beleggingen in Nederlands vastgoed door fbi’s niet langer worden toegestaan, omdat de wetgever vreesde voor een heffingslek. Nu de afschaffing van de dividendbelasting niet doorgaat, vervalt ook deze voorgestelde beperking.

Verder zou per 1 januari 2020 een bronbelasting worden ingevoerd op dividenden ingeval een in Nederland gevestigde entiteit binnen concernverband dividenden betaalt aan een entiteit die gevestigd is in een land met een laag statutair tarief of indien sprake is van misbruik. Nu de dividendbelasting blijft bestaan, wordt de invoering van deze bronbelasting echter uitgesteld. Het kabinet wil eerst de gevolgen onderzoeken van de samenloop tussen beide belastingen. Het voornemen om per 2021 een conditionele bronbelasting op rente en royalty’s in te voeren vindt overigens gewoon doorgang. Dat wetsvoorstel wordt echter pas volgend jaar gepubliceerd. Hierna lichten wij het voorstel voor de bronheffing op dividenden toe zoals dat er nu ligt.

De bronbelasting wordt volgens het voorstel enkel van toepassing op dividenduitkeringen aan gelieerde lichamen. Volgens het kabinet is het risico op belastingontwijking voornamelijk aanwezig in gelieerde verhoudingen. Er is sprake van gelieerdheid als het ontvangende lichaam een kwalificerend belang heeft in het uitkerende lichaam. Een dividendontvangend lichaam heeft een kwalificerend belang als het – direct of indirect – zodanig invloed op de besluitvorming kan hebben, dat de activiteiten van de gelieerde vennootschap kunnen worden bepaald. Van gelieerdheid zal in ieder geval sprake zijn als het belang meer dan de helft van de statutaire stemrechten vertegenwoordigt. Als een derde een kwalificerend belang heeft in het dividendontvangende en dividenduitkerende lichaam is tevens sprake van gelieerdheid. Als het dividendontvangende lichaam behoort tot een samenwerkende groep en die groep heeft gezamenlijk een kwalificerend belang in het dividenduitkerende lichaam, is er ook sprake van gelieerdheid.

De bronbelasting wordt van toepassing bij een dividendbetaling binnen concernverband aan een entiteit gevestigd in een laagbelastende jurisdictie. Een laagbelastende jurisdictie wordt gedefinieerd als een staat die lichamen niet of naar een tarief van minder dan 9% (was oorspronkelijk 7%) onderwerpt aan winstbelasting. Ook staten die staan op de EU-lijst van niet-coöperatieve landen vallen binnen de reikwijdte van het begrip laagbelastende jurisdictie. De conditionele bronbelasting op dividenden is primair gericht op rechtstreekse dividenduitkeringen door Nederlandse lichamen aan gelieerde lichamen in een laagbelastende jurisdictie. Ook in een aantal situaties die hiermee vergelijkbaar zijn zal bronbelasting verschuldigd zijn.

Verder geldt dat de subjectieve belastingplicht voor in een laagbelastende jurisdictie gevestigde leden met een kwalificerend belang in een coöperatie in alle gevallen geldt. De subjectieve belastingplicht wordt dus – in tegenstelling tot de huidige dividendbelasting – niet beperkt tot leden van een zogenoemde houdstercoöperatie.

Naast de rechtstreekse betaling aan laagbelastende jurisdicties vallen ook kunstmatige structuren die zijn bedoeld om de Nederlandse bronbelasting te ontwijken binnen het toepassingsbereik van de bronbelasting. Voor dergelijke situaties bevat het wetsvoorstel een antimisbruikbepaling. Er is sprake van misbruik in geval van een kunstmatige constructie of transactie (objectieve toets) waarbij het belang in de inhoudingsplichtige wordt gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan (subjectieve toets).

De heffingsgrondslag van de nieuwe conditionele bronheffing op dividenden komt voor het grootste deel overeen met die van de dividendbelasting. De belasting wordt geheven naar de opbrengst van aandelen, winstbewijzen en bepaalde geldleningen. Op een aantal onderdelen is het begrip opbrengst verscherpt ten opzichte van de dividendbelasting. Zo is de mogelijkheid tot een onbelaste terugbetaling van kapitaal ingeperkt.

Ook de wijze van heffing wordt op hoofdlijnen vergelijkbaar met de wijze van heffing bij de dividendbelasting. Een verschil is dat de bronbelasting verschuldigd zal zijn over een kalenderjaar, terwijl de huidige dividendbelasting aansluit bij het uitkeringstijdstip. Qua tarief wordt aangesloten bij het geldende voorgestelde vennootschapsbelastingtarief. 

Om constructies tegen te gaan is in bepaalde situaties bronbelasting verschuldigd over het bedrag dat wordt genoten bij direct of indirecte vervreemding van aandelen in een in Nederland gevestigde gelieerde vennootschap. Verder wijzigingen de regels rondom het vaststellen van de hoogte van het gestorte kapitaal bij een aandelenruil, juridische splitsing en juridische fusie om te voorkomen dat een bronbelastingclaim op de nog niet uitgekeerde winstreserves verloren gaat. Als een splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing kan de splitsing als een winstuitdeling door de splitsende rechtspersoon worden aangemerkt.

Tariefverlaging vennootschapsbelasting

Om een concurrerend vestigingsklimaat te kunnen behouden, wil het kabinet een forse verlaging van de vennootschapsbelastingtarieven doorvoeren in zowel de eerste schijf (belastbaar bedrag tot € 200.000) als de tweede schijf (belastbaar bedrag vanaf € 200.000). Aanvankelijk zouden deze tarieven in 2021 uitkomen op respectievelijk 16% en 22,25%.

Nu de afschaffing van de dividendbelasting niet doorgaat, wordt de verlaging van de tarieven verder doorgezet. Het tarief in de eerste schijf bedraagt in 2021 volgens de gewijzigde plannen 15%, terwijl dan een toptarief van 20,5% is voorzien. In 2020 bedragen de tarieven 16,5%, respectievelijk 22,55%. In 2019 wordt alleen het tarief in de eerste schijf verlaagd, en wel tot 19% (2018: 20%). In de onderstaande tabel hebben wij de wijzigingen samengevat (cijfers 2018 zijn ter vergelijking).

Jaar

2018

2019

2020

2021

 

Belastbaar bedrag
tot EUR 200.000

 

 

20,0%

 

19,0%

 

16,5%

 

15,0%

 

Belastbaar bedrag
vanaf EUR 200.000

 

25,0%

 

25,0%

 

22,55%

 

20,5%

 

Implementatie ATAD I

Ter implementatie van de Europese Anti-belastingontwijkingsrichtlijn (ATAD1) worden twee nieuwe regelingen ingevoerd. Het betreft een nieuwe renteaftrekbeperking (earningsstrippingmaatregel) alsmede een regeling voor zogenoemde gecontroleerde buitenlandse entiteiten (CFC-regeling). Daarnaast worden enkele wijzigingen aangebracht in de bestaande exitheffing, die wordt geheven bij overbrenging van vermogensbestanddelen of de fiscale vestigingsplaats naar een andere staat. De maatregelen moeten per 1 januari 2019 in werking treden. De in de richtlijn voorgeschreven algemene antimisbruikbepaling wordt niet geïmplementeerd, omdat in Nederland reeds het leerstuk van fraus legis wordt toegepast in misbruiksituaties.

Earningsstrippingmaatregel
De renteaftrekbeperking heeft betrekking op het verschil tussen de rentelasten en rentebaten op derden- en concernleningen. Dit rentesaldo is aftrekbaar tot maximaal 30% van de EBITDA van de belastingplichtige (‘earnings before interest, tax, depreciation and amortisation’), maar in elk geval tot een bedrag van EUR 1 miljoen. Het meerdere is niet aftrekbaar, maar kan wel onbeperkt worden voortgewenteld naar een volgend jaar. Er wordt geen groepsuitzondering ingevoerd, zodat de renteaftrekbeperking in beginsel per entiteit moet worden toegepast. Wel mag de earningsstrippingmaatregel worden toegepast op het niveau van de fiscale eenheid. Daarnaast geldt een specifieke uitzondering voor bestaande Publiek-Private Samenwerking projecten die verband houden met openbare infrastructurele projecten. Er geldt geen eerbiedigende werking voor bestaande leningen.

Rentelichamen
Verder stelt het kabinet een antimisbruikbepaling voor om de handel in zogenoemde rentelichamen tegen te gaan. Rentelichamen zijn lichamen met aanspraak op voortgewentelde – bij het bepalen van de winst in aanmerking te nemen – rente uit voorgaande jaren op basis van de earningsstrippingmaatregel. De bepaling voorkomt dat handel in dergelijke lichamen ontstaat. Kort gezegd bepaalt de regeling dat, indien het belang in een belastingplichtige in belangrijke mate (voor meer dan 30%) is gewijzigd, de voorafgaand aan die belangwijziging ontstane voortgewentelde rente in beginsel niet meer in aanmerking kan worden genomen. Op de regeling bestaan uitzonderingen om reële gevallen te ontzien. De regeling treedt – in afwijking van de andere onderdelen van de implementatie van ATAD1 – in werking op 1 januari 2020. 

Voor de samenloop tussen voortgewentelde rente op grond van de earningsstrippingmaatregel en het fiscale eenheidsregime bevat het wetsvoorstel diverse bepalingen. In de bepaling wordt geregeld hoe bij voeging in en ontvoeging uit een fiscale eenheid dient te worden omgegaan met voortgewentelde rente. Deze regels sluiten wat betreft de systematiek aan bij de reeds bestaande regelgeving voor de verrekening van verliezen in geval van voeging en ontvoeging. Ook de bepalingen voor splitsingen, fusies, bestuurlijke herindelingen of herschikking worden aangevuld voor situaties waarin aanspraken bestaan op voortgewentelde rente op grond van de earningsstrippingmaatregel.

Flankerende maatregelen
In verband met de invoering van de nieuwe renteaftrekbeperking stelt het kabinet voor om de renteaftrekbeperkingen in verband met bovenmatige deelnemingsrente (art. 13l Wet VpB 1969) en overnameholdings (art. 15ad Wet VpB 1969) te schrappen. Door deze specifieke bepalingen te vervangen door één algemene renteaftrekbeperking beoogt het kabinet het systeem van renteaftrekbeperkingen robuuster te maken.

Tevens wordt de beperking van de verrekenbaarheid van verliezen voor houdster- en financieringsmaatschappijen afgeschaft, althans voor verliezen die ontstaan in boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2019.

CFC-regeling
Om te voorkomen dat winsten worden verschoven naar dochterondernemingen gevestigd in landen met een laag belastingtarief, voert Nederland een zogenoemde CFC-regeling in. Winst die bij de dochteronderneming wordt gerapporteerd, maar die eigenlijk in de belastinggrondslag van de Nederlandse belastingplichtige thuishoort, wordt reeds aan de belastingplichtige toegerekend op basis van het arm’s-lengthbeginsel. In aanvulling daarop gaat een regeling gelden voor entiteiten waarin een belang van meer dan 50% wordt gehouden en die zijn gevestigd in staten zonder winstbelasting of met een statutair tarief van minder dan 7% of in zogenoemde niet-coöperatieve jurisdicties. Bepaalde categorieën niet uitgekeerd (passief) inkomen van een dergelijke CFC worden aan de belastingplichtige/moedermaatschappij toegerekend. Er geldt een uitzondering voor CFC’s die een ‘wezenlijke economische activiteit’ uitoefenen. Voor de invulling van dat begrip gelden specifieke substance-eisen.

Exitheffingen
De Nederlandse exitheffing voor de heffing van vennootschapsbelasting is al grotendeels in overeenstemming met de exitheffingbepalingen uit ATAD1. Alleen met betrekking tot de invordering van de belasting worden enkele wijzigingen voorgesteld. Zo wordt de termijn waarvoor uitstel van invordering van de exitheffing kan worden verkregen verkort van tien naar vijf jaar. Zekerheidsstelling voor de voldoening van de belastingschuld kan alleen nog worden gevraagd bij gegronde vrees dat de belastingschuld niet kan worden verhaald. Ten slotte moet de belastingschuld voortaan direct worden betaald voor zover de belastingschuldige voordelen realiseert ter zake van vermogensbestanddelen waarop de exitheffing betrekking heeft.

Beperking terugwerkende kracht spoedreparatie fiscale eenheid

Eerder dit jaar heeft het kabinet een wetsvoorstel ingediend dat voorziet in aanpassing van het fiscale eenheidsregime in de vennootschapsbelasting aan de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake de zogenoemde ‘per element’-benadering. Aanvankelijk zouden de voorgestelde maatregelen met terugwerkende kracht tot 25 oktober 2017 11:00 uur in werking treden. Om te voorkomen dat vennootschapsbelastingplichtige ondernemingen met betrekking tot aangiften over het jaar 2017 achteraf met gewijzigde wetgeving zouden worden geconfronteerd, is echter besloten om de terugwerkende kracht te beperken tot 1 januari 2018.

Afschaffen fiscale aftrek vergoeding aanvullend tier 1-kapitaalinstrumenten

Een door het kabinet voorgestelde grondslagverbredende maatregel betreft de afschaffing van de wettelijke bepaling die de fiscale aftrekbaarheid toestaat van de coupon over aanvullend tier 1-kapitaalinstrumenten (de zogeheten contingent convertibles). Met deze maatregel beoogt het kabinet de fiscale prikkel voor de financiering met vreemd vermogen voor alle belastingplichtigen te beperken en te komen tot een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen.

Afschrijving op gebouwen in eigen gebruik

De afschrijving op gebouwen in eigen gebruik wordt voor vennootschapsbelastingplichtige ondernemingen per 1 januari 2019 beperkt tot 100% van de WOZ-waarde (de bodemwaarde). Op dit moment geldt voor gebouwen in eigen gebruik nog een bodemwaarde van 50% van de WOZ-waarde. Fiscale afschrijving op deze gebouwen zal dus eerder dan nu het geval is worden beperkt.

Wel is alsnog overgangsrecht getroffen om het effect van deze maatregel te verzachten. Als het gebouw vóór 1 januari 2019 in gebruik is genomen en op dat tijdstip nog geen drie jaar op het gebouw is afgeschreven, mag de belastingplichtige conform het oude regime blijven afschrijven totdat de driejaarperiode is verstreken.

EIA, MIA en willekeurige afschrijving op milieubedrijfsmiddelen

Naar aanleiding van een positieve evaluatie worden de energie-investeringsaftrek, de milieu-investeringsaftrek en de willekeurige afschrijving op milieubedrijfsmiddelen voor een periode van vijf jaar gecontinueerd tot 1 januari 2024. Het percentage van de energie-investeringsaftrek wordt wel verlaagd van 54,5% naar 45%.

Voorwaartse verliesverrekening

De mogelijkheid om verliezen uit voorgaande (boek)jaren te verrekenen met positieve belastbare winsten uit latere jaren wordt beperkt tot zes jaar. Op dit moment kunnen verliezen nog gedurende negen jaren voorwaarts verrekend worden. De versobering in de voorwaartse verliesverrekening in de vennootschapsbelasting zal voor het eerst gelden voor verliezen geleden in het (boek)jaar 2019. Een in 2018 geleden verlies is als gevolg hiervan langer verrekenbaar dan verliezen die in de jaren 2019 en 2020 ontstaan. Om die reden is een overgangsregeling getroffen waarin een inbreuk wordt gemaakt op de verplichting om de oudste verliezen het eerst te verrekenen. Concreet komt het erop neer dat verliezen uit 2019 en 2020 in voorkomende gevallen eerder voorwaarts mogen worden verrekend dan het verlies uit 2018. In samenhang met deze maatregel wordt ook de voorwaartse verliesverrekeningstermijn voor inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) in de inkomstenbelasting beperkt tot zes jaar.

Vond u dit nuttig?