Uitbreiding btw-sportvrijstelling

Article

Uitbreiding btw-sportvrijstelling

Belastingplan 2019 - Prinsjesdag

De uitbreiding van de vrijstelling kan negatieve gevolgen hebben voor exploitanten zoals sportorganisaties en gemeenten, omdat zij per 1 januari 2019 geen recht van voorbelasting (meer) hebben.

2 oktober 2018

Uitbreiding btw-sportvrijstelling

De btw-sportvrijstelling geldt momenteel alleen voor sportprestaties die aan leden van niet-winstbeogende sportverenigingen worden verricht. Naar aanleiding van Europese jurisprudentie is door het kabinet echter voorgesteld om deze vrijstelling per 1 januari 2019 substantieel uit te breiden, waardoor die ook van toepassing zal zijn op sportprestaties aan niet-leden. De vrijstelling geldt vanaf 2019 eveneens voor niet-commerciële exploitanten van sportaccommodaties.

De uitbreiding van de sportvrijstelling kan negatieve gevolgen hebben voor exploitanten zoals sportorganisaties en gemeenten, omdat zij per 1 januari 2019 geen recht op aftrek van voorbelasting (meer) hebben. Momenteel is het gelegenheid geven tot sportbeoefening namelijk belast tegen 6%. Sportorganisaties en gemeenten kunnen de voorbelasting op kosten en investeringen die veelal belast zijn tegen 21% in aftrek brengen. Commerciële partijen die sportprestaties verrichten worden overigens niet geraakt door de uitbreiding van de vrijstelling. Hun prestaties blijven belast met btw, omdat de sportvrijstelling alleen geldt wanneer geen sprake is van een winstoogmerk.

Wijziging

De gewijzigde sportvrijstelling geldt met ingang van 1 januari 2019 voor diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding en die door instellingen worden verricht voor personen die aan sport of lichamelijke opvoeding doen. Dit met uitzondering van (I) het verlenen van toegang tot wedstrijden en demonstraties en (II) het ter beschikking stellen van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen die op grond van objectieve kenmerken niet geschikt zijn voor sportbeoefening. De sportvrijstelling geldt verder niet voor activiteiten die niet onontbeerlijk zijn voor de sportbeoefening, of die er in hoofdzaak toe strekken aan de instelling extra opbrengsten te verschaffen en waarbij er sprake is van concurrentie met commerciële ondernemingen die niet onder de vrijstelling vallen.

Winst beogen

De sportvrijstelling zal in principe enkel gelden als de instelling geen winst beoogt. De wetgever heeft in het wetsvoorstel aanvullende bepalingen ter zake van het criterium ‘winst beogen’ opgenomen. Deze aanvullende bepalingen zijn geïntroduceerd om een eenvoudige toepassing van de sportvrijstelling te bewerkstelligen en misbruik te voorkomen. Dit moet voorkomen dat structuren worden geïntroduceerd die tot doel hebben om bewust buiten het bereik van de sportvrijstelling te blijven, zodat aftrekrecht wordt gecreëerd. De sportvrijstelling zal ook van toepassing zijn indien de instelling die sportprestaties verricht een exploitatieoverschot behaalt doordat zij bijdragen ontvangt die geen vergoeding voor een dienst vormen (bijvoorbeeld subsidies) of doordat de instelling een hogere vergoeding ontvangt dan de normale waarde van de dienstverlening, om zo een exploitatieoverschot te behalen. Hierbij is het van belang dat het exploitatieoverschot zonder deze bijdragen niet zou zijn behaald. Daarnaast zal de sportvrijstelling ook van toepassing zijn indien een publiekrechtelijk lichaam (bijvoorbeeld een gemeente) direct of indirect een (gedeelte van een) sportaccommodatie ter beschikking stelt en niet ten minste de integrale kosten in rekening brengt aan de instelling.

Compensatieregeling

Omdat het kabinet de aanleg, het onderhoud en de instandhouding van sportaccommodaties wil stimuleren, wordt een compensatieregeling geïntroduceerd. In de compensatieregeling wordt een onderscheid gemaakt tussen gemeenten en amateursportorganisaties. Amateursportorganisaties worden gecompenseerd middels de ‘Subsidieregeling stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties’ terwijl gemeenten worden gecompenseerd door middel van de ‘Regeling specifieke uitkering stimulering’.

Subsidieregeling stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties

De Subsidieregeling stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties is specifiek van toepassing is op de amateursport en niet op de professionele sport. De subsidie kan worden verstrekt voor de bouw of het onderhoud van sportaccommodaties, of voor de aanschaf of het onderhoud van sportmaterialen. De subsidie is slechts van toepassing op investeringen die vanaf 1 januari 2019 plaatsvinden en geldt niet indien de sportorganisatie recht heeft op aftrek van btw ter zake van de bovengenoemde investeringen. Verder is van belang om op te merken dat een activiteit slechts éénmaal voor subsidie in aanmerking komt. Hierdoor wordt voorkomen dat een samenloop ontstaat met de subsidieregeling ‘Regeling specifieke uitkering stimulering sport’. Dit kan aan de orde zijn als een gemeente en een sportorganisatie gezamenlijk eigenaar zijn van een accommodatie. De subsidie bedraagt maximaal 20% van het investeringsbedrag en is begrensd op € 2,5 miljoen euro. Subsidies onder de € 5.000 worden niet verstrekt. De subsidie wordt over een periode van drie jaren uitgekeerd. Het is mogelijk om deze periode met toestemming van de minister met één jaar te verlengen. De minister kan daarnaast een aanvullende subsidie van 15% toekennen als door een sportorganisatie maatregelen worden getroffen op het vlak van energiebesparing en/of toegankelijkheid. Deze maatregelen zijn limitatief beschreven in bijlage 1 van de regeling.

In de regeling voor sportorganisaties is het subsidieplafond voor het jaar 2019 vastgesteld op € 87 miljoen, waarbij de subsidie wordt verdeeld op volgorde van de binnenkomst van de aanvragen. Het is zodoende van belang om aanvragen zo spoedig mogelijk in te dienen. Om in aanmerking te komen voor de subsidie gelden aanvullende voorwaarden. Indien een subsidie wordt toegekend, dienen de sportorganisaties ervoor te waken dat gedurende de herzieningsperiode (5 jaren voor roerende goederen en 10 jaren voor onroerende goederen) niet alsnog recht op aftrek van btw of ontstaat. Daarnaast dienen de sportorganisaties ervoor te zorgen dat de gesubsidieerde sportaccommodaties gedurende 10 jaren na afloop van de subsidieperiode ter beschikking gesteld voor de amateursportactiviteiten van lokale gebruikers.

Regeling specifieke uitkering stimulering

De Regeling specifieke uitkering stimulering is van toepassing op gemeenten. Een gemeente komt slechts voor subsidiëring in aanmerking indien de btw niet voor aftrek in aanmerking komt noch kan worden gecompenseerd via het btw-compensatiefonds. Verder geldt ook voor gemeenten dat een activiteit slechts éénmaal in aanmerking komt voor subsidieverlening, dit om samenloop met de ‘Subsidieregeling stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties’ te voorkomen. De subsidie wordt toegekend ter zake van gerealiseerde bestedingen in verband met activiteiten in het kader van sport en lijkt hiermee ruimer dan de subsidieregeling die van toepassing is op sportorganisaties. In het kader van de subsidieregeling voor sportorganisaties zijn de kosten duidelijker omkaderd. Ook gebruiks- en energiekosten gemaakt door gemeenten komen voor subsidiëring in aanmerking, terwijl dit voor sportorganisaties niet het geval is.

De subsidie bedraagt ten hoogste 17,5% van het begrote bedrag voor de activiteiten. Voor gemeenten bedraagt het subsidieplafond voor het jaar 2019 € 152 miljoen. Het beschikbare subsidiebedrag wordt naar rato verdeeld indien het totaal aangevraagde bedrag hoger is dan het subsidieplafond. De volgorde waarin de aanvragen zijn ingediend hebben geen gevolgen voor de het toekennen van subsidies. Indien het subsidieplafond in een jaar niet wordt bereikt, wordt het resterende deel naar rato verdeeld over de gemeenten die naast de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend aanvullende activiteiten in het kader van sport hebben verricht. De aanvraag voor subsidiëring moet zijn ingediend vóór 1 december van het boekjaar waarop de aanvraag betrekking heeft. Ten slotte moeten de gemeenten ervoor zorgen dat gedurende 10 jaren niet alsnog recht op aftrek van btw of recht op compensatie via het btw-compensatiefonds ontstaat.

Overgangsregelingen

Het kabinet komt ten slotte met overgangsregelingen voor btw-schade die instellingen kunnen ondervinden bij de overgang van belast naar vrijgesteld gebruik. Wanneer een wijziging plaatsvindt in gebruik van roerende en onroerende zaken die instellingen vanwege btw-belaste prestaties hebben aangeschaft binnen vijf respectievelijk tien jaar, moeten deze instellingen een deel van de in aftrek gebrachte btw terugbetalen aan de belastingdienst.

De overgangsregelingen zorgen ervoor dat voornoemde herzieningsregels achterwege blijven. Dit geldt voor toepassing van (I) de gebruikelijke herzieningsregels op resterende bouwtermijnen van sportaccommodaties die bestemd zijn voor btw-belast gebruik die in 2019 gereedkomen en ook in dat jaar betaald moeten worden, (II) voor ingebruikname na 1 januari 2019 van sportaccommodaties die bedoeld zijn voor btw-belast gebruik en (III) voor gewijzigd gebruik na 1 januari 2019 van roerende en onroerende zaken waarvan btw-belast gebruik voorzien was.

Er zijn diverse belangrijke praktische gevolgen verbonden aan de uitbreiding van de sportvrijstelling waar exploitanten van sportaccommodaties mogelijk rekening mee moeten houden. In het bijzonder zijn dat (I) de vaststelling van de btw-positie aan de hand van de voorgestelde wijzigingen en de eerder gepubliceerde compensatieregeling en (II) een heroverweging bij beoogde investeringen ten aanzien van de mogelijkheden om gebruik te maken van de overgangsregeling in plaats van de compensatiemaatregelen.

Vond u dit nuttig?