Belastingplan 2019 - Wijzigingen tarieven en heffingskortingen

Article

Wijzigingen tarieven en heffingskortingen

Belastingplan 2019 - Prinsjesdag

Hierbij een overzicht van de voorgestelde wijzigingen in tarieven en heffingskortingen.

3 december 2018

Inkomensbeleid

De maatregelen van het kabinet op het vlak van inkomensbeleid zijn er primair op gericht om werkenden te laten profiteren van de verbeterde economische situatie. Daartoe wordt in de komende jaren een lastenverlichting op arbeid doorgevoerd. Maar uiteindelijk is het de bedoeling dat alle Nederlanders erop vooruitgaan.

Tweeschijvenstelsel

De lastenverlichting op arbeid wordt voornamelijk bereikt door het fors verlagen van de tarieven voor inkomen uit werk en woning (box 1). Hierdoor ontstaat vanaf 2021 een tweeschijvenstelsel in de loon- en inkomstenbelasting met een basistarief van 37,05% en een toptarief van 49,5%. Het omslagpunt komt te liggen bij een box 1-inkomen van € 68.507. In 2019 worden de eerste stappen in deze richting gezet door een forse verlaging van de tarieven in de tweede en derde schijf. Het tarief in de eerste schijf stijgt juist iets. In de onderstaande tabellen is goed te zien welke stappen de komende jaren worden gezet om het tweeschijvenstelsel te bereiken.


Algemene tarieftabel

Gecombineerd tarief

 

2018

2019

2020

2021

Tarief eerste schijf

36,55%

36,65%

37,05%

37,05%

Tarief tweede schijf

40,85%

38,10%

37,80%

37,05%

Tarief derde schijf

40,85%

38,10%

37,80%

37,05%

Tarief vierde schijf

51,95%

51,75%

50,50%

49,50%

 

Tarieftabel AOW-gerechtigden

Gecombineerd tarief

 

2018

2019

2020

2021

Tarief eerste schijf

18,65%

18,75%

19,15%

19,15%

Tarief tweede schijf

22,95%

20,20%

19,90%

19,15%

Tarief derde schijf

40,85%

38,10%

37,80%

37,05%

Tarief vierde schijf

51,95%

51,75%

50,50%

49,50%

 

Het tweeschijvenstelsel is vooral voordelig voor werkenden van wie het inkomen momenteel in de tweede en derde schijf wordt belast. AOW-gerechtigden krijgen de facto met een drieschijvenstelsel te maken, omdat zij niet premieplichtig zijn voor de AOW en de ANW. Tot een inkomen van € 35.286 (indien geboren op of na 1 januari 1946), respectievelijk € 36.153 (indien geboren vóór 1 januari 1946) geldt voor AOW-gerechtigden per 2021 een tarief van 19,15%.

Schijfgrenzen

Verder wordt het beginpunt van de hoogste tariefschijf in de jaren tot en met 2021 bevroren op € 68.507. De overige schijven worden wel jaarlijks aangepast aan de inflatie. De opbrengst van deze maatregel wordt gebruikt ter gedeeltelijke financiering van het tweeschijvenstelsel. In onderstaande tabel zijn de effecten van de maatregel zichtbaar gemaakt.

Tariefgrenzen

 

2018

2019

2020

2021

Grens eerste schijf

€ 20.142

€ 20.384

€ 20.751

€ 21.167

Grens tweede schijf (geboren vanaf 1946)

€ 33.994

€ 34.300

€ 34.764

€ 35.286

Grens tweede schijf (geboren vóór 1946)

€ 34.404

€ 34.817

€ 35.444

€ 36.153

Grens derde schijf

€ 68.507

€ 68.507

€ 68.507

€ 68.507

Afbouw tarief aftrekposten

Een andere belangrijke maatregel om de tariefverlaging op arbeid te bekostigen, is het beperken van het maximale tarief waartegen aftrekposten in box 1 in aanmerking worden genomen. Vanaf 2020 wordt dit aftrektarief jaarlijks met 3%-punt verlaagd totdat in 2023 het dan geldende basistarief van 37,05% is bereikt. Op dit moment geldt al een afbouwtraject voor de hypotheekrenteaftrek. Deze afbouw wordt echter versneld uitgevoerd. De andere aftrekposten in box 1 die door de maatregel worden geraakt zijn de mkb-winstvrijstelling, de tbs-vrijstelling, de ondernemersaftrek, en de persoonsgebonden aftrek. Ten aanzien van de twee eerstgenoemde posten geldt de maatregel overigens alleen wanneer de winst respectievelijk het resultaat in het betreffende jaar op een positief bedrag uitkomt. Hieronder zijn de voorgestelde aanpassingen in tabelvorm opgenomen.

Jaar

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Maximaal aftrektarief eigen woning

49,5%

49,0%

46,0%

43,0%

40%

37,05%

Maximaal aftrektarief overige posten

51,95%

51,75%

46,0%

43,0%

40%

37,05%

 

Het achterliggende doel van de versnelde afbouw van het aftrektarief van de hypotheekrente is om huishoudens een financiële prikkel te geven om af te lossen op de eigenwoningschuld. De middelen die specifiek als gevolg van die maatregel vrijkomen, worden gebruikt om het percentage van het eigenwoningforfait te verlagen. Deze verlaging vindt geleidelijk plaats in de periode tot en met 2023 en heeft met name effect voor eigen woningen met een WOZ-waarde tot € 1.060.000. Voor zover de WOZ-waarde hoger is dan dit bedrag, blijft een eigenwoningforfait van 2,35% gelden. De maatregel heeft evenmin effect op de bijtelling die in aanmerking moet worden genomen ter zake van het privégebruik van woningen die tot het ondernemingsvermogen behoren.

Eigenwoningforfait /
WOZ-waarde

2018

2019

2020

2021

2022

2023

€ 0 - € 12.500

0%

0%

0%

0%

0%

0%

€ 12.500 - € 25.000

0,25%

0,25%

0,20%

0,20%

0,20%

0,15%

€ 25.000 - € 50.000

0,40%

0,35%

0,35%

0,30%

0,30%

0,25%

€ 50.000 - € 75.000

0,55%

0,50%

0,45%

0,40%

0,40%

0,35%

€ 75.000 - € 1.060.000

0,70%

0,65%

0,60%

0,50%

0,50%

0,45%

> € 1.060.000

2,35%

2,35%

2,35%

2,35%

2,35%

2,35%

 

Verhoging tarief box 2

Het tarief voor inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) wordt vanaf 2020 stapsgewijs verhoogd. Het kabinet wil hiermee een te sterke aanzuigende werking naar de bv voorkomen, die mogelijk zou kunnen optreden als gevolg van de tariefverlaging in de vennootschapsbelasting. Op die manier blijft het globale evenwicht in belastingdruk tussen IB-ondernemers en aandeelhouders in een bv in stand. Het box 2-tarief in 2020 stijgt met 1,25%-punt tot 26,25%. In 2021 komt daar nog eens 0,65%-punt bij, zodat het tarief uiteindelijk op 26,9% uitkomt. De tariefverhoging valt lager uit dan in het regeerakkoord was voorzien (28,5% in 2021). 

Jaar

2018

2019

2020

2021

Box 2 tarief

25%

25%

26,25%

26,90%

 

Algemene heffingskorting

Door het tweeschijvenstelsel krijgen voornamelijk werkenden met een middeninkomen een fiscale lastenverlichting. Het kabinet wil echter dat alle groepen in de samenleving erop vooruitgaan. Om dit te bewerkstellingen is voorgesteld om het maximum van de algemene heffingskorting geleidelijk te verhogen tot € 2.753 in 2021. De inkomensafhankelijke afbouw tot nihil bij een box 1-inkomen van € 68.507 blijft echter gehandhaafd. Het resultaat is een scherpere afbouw. Hiermee wordt voornamelijk de koopkrachtontwikkeling van lage inkomens en uitkeringsgerechtigden ondersteund. In onderstaande tabel is het verloop van de maximale heffingskorting en het afbouwpercentage over de jaren heen te zien:

Jaar

2018

2019

2020

2021

Algemene heffingskorting
 

€ 2.265

€ 2.447

€ 2.642

€ 2.753

Afbouwpercentage

4,683%

5,147%

5,537%

5,820%

Arbeidskorting

Ook het maximum van de arbeidskorting gaat de komende jaren omhoog tot uiteindelijk € 3.941 in 2021 (2018: € 3.249). In samenhang hiermee wordt het opbouwtraject van deze heffingskorting in diezelfde periode verlengd tot een arbeidsinkomen van € 36.344 (2018: € 33.112). Daartegenover staat dat de arbeidskorting voor hogere inkomens sneller  wordt afgebouwd dan nu het geval is. Uit het Belastingplan 201 blijkt dat vanaf volgend jaar een afbouwpercentage van 6% wordt gehanteerd, waar dat nu nog 3,6% is. Hierdoor profiteren met name werkenden met een laag inkomen van deze maatregel.

Jaar

2018

2019

2020

2021

Maximale arbeidskorting

€ 3.249

€ 3.399

€ 3.706

€ 3.941

Afbouwpercentage

3,6%

6,0%

6,0%

6,0%

Afbouwpunt

€ 33.112

€ 34.060

€ 35.208

€ 36.344

Ouderenkorting

De ouderenkorting wordt per 1 januari 2019 met € 178 verhoogd. Belangrijker nog is dat vanaf 2019 een geleidelijke inkomensafhankelijke afbouw van deze heffingskorting wordt geïntroduceerd. Het afbouwpercentage bedraagt dan 15% boven een verzamelinkomen van € 36.783. Onder de huidige regeling heeft een AOW-gerechtigde met een verzamelinkomen van maximaal € 36.346 aanspraak op een ouderenkorting van € 1.418. Zodra het inkomen één euro hoger is, geldt slechts een arbeidskorting van € 75. Dit leidde tot negatieve inkomenseffecten voor AOW-gerechtigden met een inkomen net boven die fatale grens. Hieronder zijn de wijzigingen in tabelvorm samengevat.

Jaar

2018

2019

2020

2021

Maximale ouderenkorting

€ 1.418

€ 1.596

€3.706

€3.941

Afbouwpercentage

n.v.t.

15%

15%

15%

Afbouwpunt

€36.346

€36.783

€37.298

€37.895

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

Het maximum van de inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt in 2019 alleen geïndexeerd en komt dan uit op € 2.835 (2018: € 2.801). Het opbouwtraject wordt echter wel aangepast. Zo vervalt het basisbedrag van € 1.052. Daartegenover staat dat het opbouwpercentage toeneemt tot 11,45% (2018: 6,159%) boven een arbeidsinkomen van € 4.993. Het gevolg van deze maatregel is dat het maximum van de inkomensafhankelijke combinatiekorting reeds bij een lager arbeidsinkomen wordt bereikt.

Commentaar Deloitte

In het algemeen zijn tariefaanpassingen en de wijzigingen in de heffingskortingen niet heel interessant. Dit keer ligt dat echter toch wat anders. In de eerste plaats door de invoering van de sociale vlaktax in 2021, oftewel het tweeschijventarief. Voor AOW-gerechtigden geldt overigens een drieschijventarief. De sociale vlaktax maakt de tariefstructuur wat transparanter. Van een grote vereenvoudigingswinst is echter geen sprake. Ook al omdat de tarieven in de tweede en derde schijf nu reeds even hoog zijn. Sowieso maakt het aantal tariefschijven voor de complexiteit van een belastingstelsel niet zoveel uit.

De vlaktax is ontleend aan de in 2013 gepresenteerde voorstellen van de Commissie Van Dijkhuizen. Doordat het kabinet ruim € 6 mld. uitgeeft aan de verlaging van de belastingdruk op arbeid, is de knip tussen de eerste en de tweede schijf behoorlijk hoog komen te liggen. Dat is een goede ontwikkeling. Wel moet bedacht worden dat de totale lastenverlichting min of meer volledig wordt geneutraliseerd door allerlei lastenverzwarende maatregelen.

Met de tariefaanpassingen in box 1 wordt ook het aftrektarief voor een groot aantal aftrekposten in de komende jaren aangepast. Aftrekposten kunnen dan alleen nog tegen het eerste schijftarief in aanmerking worden genomen. Deze ontwikkeling was al eerder ingezet voor eigenwoningrente, maar wordt nu doorgetrokken naar andere aftrekposten in box 1. Dat is een evenwichtige ontwikkeling, die in het regeerakkoord al was aangekondigd. Het is verder een goede zaak dat de afbouwperiode beperkt is tot 2023. We weten dan spoedig waar we aan toe zijn.

Ter compensatie van de beperking van de hypotheekrenteaftrek wordt het eigenwoningforfait deels verlaagd. Dit heeft te maken met de beperking van de renteaftrek voor hogere inkomens. Opvallend is wel dat iedere eigenwoningbezitter profiteert van de verlaging, ongeacht of men daadwerkelijk nadeel heeft van de tariefmaatregel. Eigenaren van dure huizen hebben echter weinig baat bij deze compenserende maatregel, omdat het eigenwoningforfait boven een WOZ-waarde van € 1 060 000 onverminderd 2,35% bedraagt. Verder is van belang dat de zogenoemde Hillenregeling ingaande 2019 wordt afgebouwd. Dat betekent dat ook als men geen of weinig rente wordt betaald voortaan het eigenwoningforfait in aanmerking wordt genomen. In 2019 is dat voor 3,33% en dit stijgt dan jaarlijks met 3,33%-punt. De vraag is nu vooral of deze maatregelen de opmaat zijn voor het overhevelen van de eigen woning naar box 3. Dat ligt uiteindelijk wel in de lijn der verwachting, maar zal zeker deze kabinetsperiode nog niet gebeuren.

Dan nog een opmerking over het tarief in box 2. Dat stijgt vanaf 2020 in verband met de daling van het tarief in de vennootschapsbelasting. Men wilde de effectieve belastingdruk voor inkomen uit aanmerkelijk belang per saldo niet verlagen, omdat dan ook de belastingdruk voor ondernemers in de inkomstenbelasting zou moeten worden verlaagd. De dga’s zijn daardoor wel in het nadeel, want de tariefverlaging in de vennootschapsbelasting is juist gefinancierd door een verbreding van de winstgrondslag en leidt effectief in veel gevallen niet tot een daling van de belastingdruk. Overigens is de verhoging wel beperkter uitgevallen dan volgens het Regeerakkoord de bedoeling was; op basis daarvan zou het tarief uitkomen op 28,5%.

Een verder nadeel van de tariefverhoging in box 2 is dat veel dga’s nog winsten uit het verleden hebben die belast zijn geweest tegen het huidige tarief van de vennootschapsbelasting. Als ze wachten met het uitkeren van dividend tot 2020 dan wordt dat zwaarder belast dan nu het geval is. Daar komt nog bij dat de wetgever heeft aangekondigd om het lenen van dga’s bij hun eigen bv aan banden te willen leggen door schulden hoger dan € 500.000 als dividenduitkering in box 2 aan te merken. Hoewel deze maatregel pas voorzien is voor 2022, ligt het in de lijn der verwachting dat veel dga’s hun schuldpositie de komende periode zullen afbouwen door middel van het doen van dividenduitkeringen. Wanneer een dga in privé over voldoende liquiditeiten beschikt, kan deze er uiteraard ook voor kiezen om ‘excessieve’ schulden af te lossen. Maar aantrekkelijker lijkt het om de uitdeling als kapitaal terug te storten in de BV.

Vond u dit nuttig?