Belastingplan 2019 - Wijzigingen tarieven en heffingskortingen

Article

Wijzigingen tarieven en heffingskortingen

Belastingplan 2019 - Prinsjesdag

Hierbij een overzicht van de voorgestelde wijzigingen in tarieven en heffingskortingen.

26 september 2018

Inkomensbeleid

De maatregelen van het kabinet op het vlak van inkomensbeleid zijn er primair op gericht om werkenden te laten profiteren van de verbeterde economische situatie. Daartoe wordt in de komende jaren een aanzienlijke lastenverlichting op arbeid doorgevoerd. Maar uiteindelijk is het de bedoeling dat alle Nederlanders erop vooruitgaan.

Tweeschijvenstelsel

De lastenverlichting op arbeid wordt voornamelijk bereikt door het fors verlagen van de tarieven voor inkomen uit werk en woning (box 1). Hierdoor ontstaat vanaf 2021 een tweeschijvenstelsel in de loon- en inkomstenbelasting met een basistarief van 37,05% en een toptarief van 49,5%. Het omslagpunt komt te liggen bij een box 1-inkomen van € 68.507. In 2019 worden de eerste stappen in deze richting gezet door een forse verlaging van de tarieven in de tweede en derde schijf. Het tarief in de eerste schijf stijgt juist iets. In de onderstaande tabellen is goed te zien welke stappen de komende jaren worden gezet om het tweeschijvenstelsel te bereiken.


Algemene tarieftabel

Gecombineerd tarief

 

2018

2019

2020

2021

Tarief eerste schijf

36,55%

36,65%

37,05%

37,05%

Tarief tweede schijf

40,85%

38,10%

37,80%

37,05%

Tarief derde schijf

40,85%

38,10%

37,80%

37,05%

Tarief vierde schijf

51,95%

51,75%

50,50%

49,50%

 

Tarieftabel AOW-gerechtigden

Gecombineerd tarief

 

2018

2019

2020

2021

Tarief eerste schijf

18,65%

18,75%

19,15%

19,15%

Tarief tweede schijf

22,95%

20,20%

19,90%

19,15%

Tarief derde schijf

40,85%

38,10%

37,80%

37,05%

Tarief vierde schijf

51,95%

51,75%

50,50%

49,50%

 

Het tweeschijvenstelsel is vooral voordelig voor werkenden van wie het inkomen momenteel in de tweede en derde schijf wordt belast. AOW-gerechtigden krijgen de facto met een drieschijvenstelsel te maken, omdat zij niet premieplichtig zijn voor de AOW en de ANW. Tot een inkomen van € 35.286 (indien geboren op of na 1 januari 1946) respectievelijk € 36.153 (indien geboren vóór 1 januari 1946) geldt voor AOW-gerechtigden per 2021 een tarief van 19,15%.

Schijfgrenzen

Verder heeft het kabinet besloten om het beginpunt van de hoogste tariefschijf in de jaren tot en met 2021 te ‘bevriezen’ op € 68.507. De overige schijven worden wel jaarlijks aangepast aan de inflatie. De opbrengst van deze maatregel wordt gebruikt ter gedeeltelijke financiering van het tweeschijvenstelsel. In onderstaande tabel zijn de effecten van de maatregel zichtbaar gemaakt.

Tariefgrenzen

 

2018

2019

2020

2021

Grens eerste schijf

€ 20.142

€ 20.384

€ 20.751

€ 21.167

Grens tweede schijf (geboren vanaf 1946)

€ 33.994

€ 34.300

€ 34.764

€ 35.286

Grens tweede schijf (geboren vóór 1946)

€ 34.404

€ 34.817

€ 35.444

€ 36.153

Grens derde schijf

€ 68.507

€ 68.507

€ 68.507

€ 68.507

Afbouw tarief aftrekposten

Een andere belangrijke maatregel om de tariefverlaging op arbeid te bekostigen, is het beperken van het maximale tarief waartegen aftrekposten in box 1 in aanmerking kunnen worden genomen. Vanaf 2020 zal dit aftrektarief jaarlijks met 3%-punt verlaagd totdat in 2023 het dan geldende basistarief van 37,05% is bereikt. Op dit moment geldt al een afbouwtraject voor de hypotheekrenteaftrek. Deze afbouw zal echter versneld worden uitgevoerd. De andere aftrekposten in box 1 die door de maatregel worden geraakt zijn de mkb-winstvrijstelling, de tbs-vrijstelling, de ondernemersaftrek, en de persoonsgebonden aftrek. Ten aanzien van de twee eerstgenoemde posten geldt de maatregel overigens alleen wanneer de winst respectievelijk het resultaat in het betreffende jaar op een positief bedrag uitkomt. Hieronder zijn de voorgestelde aanpassingen in tabelvorm opgenomen.

Jaar

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Maximaal aftrektarief eigen woning

49,5%

49,0%

46,0%

43,0%

40%

37,05%

Maximaal aftrektarief overige posten

51,95%

51,75%

46,0%

43,0%

40%

37,05%

 

Het achterliggende doel van de versnelde afbouw van het aftrektarief van de hypotheekrente is om huishoudens een financiële prikkel te geven om af te lossen op de eigenwoningschuld. De middelen die specifiek als gevolg van die maatregel vrijkomen, worden gebruikt om het percentage van het eigenwoningforfait te verlagen. Deze verlaging vindt geleidelijk plaats in de periode tot en met 2023 en heeft met name effect voor eigen woningen met een WOZ-waarde tot € 1.060.000. Voor zover de WOZ-waarde hoger is dan dit bedrag, blijft een eigenwoningforfait van 2,35% gelden. De maatregel heeft evenmin effect op de bijtelling die in aanmerking moet worden genomen ter zake van het privégebruik van woningen die tot het ondernemingsvermogen behoren.

Eigenwoningforfait /
WOZ-waarde

2018

2019

2020

2021

2022

2023

€ 0 - € 12.500

0%

0%

0%

0%

0%

0%

€ 12.500 - € 25.000

0,25%

0,25%

0,20%

0,20%

0,20%

0,15%

€ 25.000 - € 50.000

0,40%

0,35%

0,35%

0,30%

0,30%

0,25%

€ 50.000 - € 75.000

0,55%

0,50%

0,45%

0,40%

0,40%

0,35%

€ 75.000 - € 1.060.000

0,70%

0,65%

0,60%

0,50%

0,50%

0,45%

> € 1.060.000

2,35%

2,35%

2,35%

2,35%

2,35%

2,35%

 

Verhoging tarief box 2

Het tarief voor inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) wordt vanaf 2020 stapsgewijs verhoogd. Het kabinet wil hiermee een te sterke aanzuigende werking naar de bv voorkomen, die mogelijk zou kunnen optreden als gevolg van de tariefverlaging in de vennootschapsbelasting. Op die manier blijft het globale evenwicht in belastingdruk tussen IB-ondernemers en aandeelhouders in een bv in stand. Het box 2-tarief in 2020 stijgt met 1,25%-punt tot 26,25%. In 2021 komt daar nog eens 0,65%-punt bij, zodat het tarief uiteindelijk op 26,9% uitkomt. De tariefverhoging valt lager uit dan in het regeerakkoord was voorzien (28,5% in 2021). De achterliggende reden is dat de verlaging van de vennootschapsbelastingtarieven ook beperkter is uitgevallen dan oorspronkelijk de bedoeling was.

Jaar

2018

2019

2020

2021

Box 2 tarief

25%

25%

26,25%

26,90%

 

Algemene heffingskorting

Door het tweeschijvenstelsel krijgen voornamelijk werkenden met een middeninkomen een fiscale lastenverlichting. Het kabinet wil echter dat alle groepen in de samenleving erop vooruitgaan. Om dit te bewerkstellingen is voorgesteld om het maximum van de algemene heffingskorting geleidelijk te verhogen tot € 2.753 in 2021. De inkomensafhankelijke afbouw tot nihil bij een box 1-inkomen van € 68.507 blijft echter gehandhaafd. Het resultaat is een scherpere afbouw. Hiermee wordt voornamelijk de koopkrachtontwikkeling van lage inkomens en uitkeringsgerechtigden ondersteund. In onderstaande tabel is het verloop van de maximale heffingskorting en het afbouwpercentage over de jaren heen te zien:

Jaar

2018

2019

2020

2021

Algemene heffingskorting
 

€ 2.265

€ 2.447

€ 2.642

€ 2.753

Afbouwpercentage

4,683%

5,147%

5,537%

5,820%

Arbeidskorting

Ook het maximum van de arbeidskorting gaat de komende jaren omhoog tot uiteindelijk € 3.941 in 2021 (2018: € 3.249). In samenhang hiermee wordt het opbouwtraject van deze heffingskorting in diezelfde periode verlengd tot een arbeidsinkomen van € 36.344 (2018: € 33.112). Daartegenover staat dat de arbeidskorting voor hogere inkomens sneller zal worden afgebouwd dan nu het geval is. Uit het Belastingplan 201 blijkt dat vanaf volgend jaar een afbouwpercentage van 6% wordt gehanteerd, waar dat nu nog 3,6% is. Hierdoor profiteren met name werkenden met een laag inkomen van deze maatregel.

Jaar

2018

2019

2020

2021

Maximale arbeidskorting

€ 3.249

€ 3.399

€ 3.706

€ 3.941

Afbouwpercentage

3,6%

6,0%

6,0%

6,0%

Afbouwpunt

€ 33.112

€ 34.060

€ 35.208

€ 36.344

Ouderenkorting

De ouderenkorting wordt per 1 januari 2019 met € 178 verhoogd. Belangrijker nog is dat vanaf 2019 een geleidelijke inkomensafhankelijke afbouw van deze heffingskorting wordt geïntroduceerd. Het afbouwpercentage bedraagt dan 15% boven een verzamelinkomen van € 36.783. Onder de huidige regeling heeft een AOW-gerechtigde met een verzamelinkomen van maximaal € 36.346 aanspraak op een ouderenkorting van € 1.418 ouderenkorting. Zodra het inkomen ook maar één euro hoger is, geldt slechts een arbeidskorting van € 75. Dit leidde tot negatieve inkomenseffecten voor AOW-gerechtigden met een inkomen net boven die fatale grens. Hieronder hebben wij de wijzigingen in tabelvorm samengevat.

Jaar

2018

2019

2020

2021

Maximale ouderenkorting

€ 1.418

€ 1.596

€3.706

€3.941

Afbouwpercentage

n.v.t.

15%

15%

15%

Afbouwpunt

€36.346

€36.783

€37.298

€37.895

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

Het maximum van de inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt in 2019 alleen geïndexeerd en komt dan uit op € 2.835 (2018: € 2.801). Het opbouwtraject wordt echter wel aangepast. Zo vervalt het basisbedrag van 1.052. Daartegenover staat dat het opbouwpercentage toeneemt tot 11,45% (2018: 6,159%) boven een arbeidsinkomen van € 4.993. Het gevolg van deze maatregel is dat het maximum van de inkomensafhankelijke combinatiekorting reeds bij een lager arbeidsinkomen wordt bereikt. Met het gewijzigde opbouwtraject wil het kabinet belastingplichtigen prikkelen om meer uren te gaan werken.

Vond u dit nuttig?