Belastingplan 2020 (Prinsjesdag) - Overzicht

Article

Belastingplan 2020 - een vooruitblik

Belastingplan 2020 - Prinsjesdag

Zoals gebruikelijk presenteert het kabinet ook dit jaar op Prinsjesdag de fiscale plannen voor het komende jaar. Wij blikken alvast vooruit op wat u kunt verwachten.

5 september 2019

English version


Dit jaar wordt op Prinsjesdag het Belastingplan 2020 bij de Tweede Kamer ingediend. Op dit moment weten wij uiteraard nog niet precies met welke voorstellen het kabinet komt, maar van verschillende maatregelen is inmiddels duidelijk of zij al dan niet deel zullen uitmaken van het belastingpakket. Zo zijn de wetvoorstellen ter implementatie van ATAD2 en Mandatory disclosure reeds voor het zomerreces bij de Tweede Kamer ingediend. Hieronder een vooruitblik op wat u met Prinsjesdag kunt verwachten.

Webcast Prinsjesdag 2019

Op woensdag 18 september 2019 zullen Aart Nolten, Corina van Lindonk en Peter Kavelaars de opvallendste punten uit het Belastingplan 2020 bespreken.

Aanmelden

Vennootschaps- en dividendbelasting

Beperking en/of uitstel tariefverlaging vennootschapsbelasting

Om een concurrerend vestigingsklimaat te kunnen behouden, is in het belastingplan 2019 een forse stapsgewijze verlaging van de vennootschapsbelastingtarieven doorgevoerd.

 

Jaar

2019

2020

2021

 

Belastbaar bedrag
tot EUR 200.000

 

 

19,0%

 

16,5%

 

15,0%

 

Belastbaar bedrag
vanaf EUR 200.000

 

25,0%

 

22,55%

 

20,5%

 

Recentelijk zijn echter berichten in de media verschenen dat de verlaging van het toptarief voor het jaar 2020 zal worden teruggedraaid. Voor 2021 zou de verlaging van het toptarief worden beperkt tot 21,7%. De tariefverlaging in de eerste schijf zou wel intact blijven. Als deze berichten kloppen, komt de tariefstructuur er als volgt uit te zien.

 

Jaar

2019

2020

2021

 

Belastbaar bedrag
tot EUR 200.000

 

 

19,0%

 

16,5%

 

15,0%

 

Belastbaar bedrag
vanaf EUR 200.000

 

25,0%

 

25,0%

 

21,7%

 


Aanscherping liquidatieverliesregeling

Eerder dit jaar hebben GroenLinks, SP en PvdA een consulatievoorstel gepubliceerd dat voorziet in aanscherping van de liquidatieverliesregeling in de deelnemingsvrijstelling. De initiatiefnemers willen de toepassing van deze regeling beperken tot kwalificerende belangen (ten minste 25% van het nominaal gestorte aandelenkapitaal) in dochtervennootschappen die in de EU of EER zijn gevestigd. Bovendien wil men een dam opwerpen tegen langdurig uitstel van het tijdstip van verliesneming. Uit recente berichtgeving blijkt dat het kabinet het intiatiefvoorstel wil overnemen. Onzeker is echter of reeds op Prinsjesdag een wetsvoorstel zal worden ingediend.


Minimumkapitaalregel banken en verzekeraars

Het kabinet voert per 1 januari 2020 een zogenoemde minimumkapitaalregel in, op grond waarvan de renteaftrek voor banken en verzekeraars wordt beperkt bij een tekort aan eigen vermogen. Zowel in Nederland gevestigde banken en verzekeraars, als Nederlandse dochtermaatschappijen van buitenlandse banken en verzekeraars vallen onder de reikwijdte van de maatregel. Hetzelfde geldt voor buitenlandse banken en verzekeraars die in Nederland actief zijn door middel van een hier gelegen bijkantoor. Rentelasten die op grond van andere bepalingen van aftrek zijn uitgesloten worden niet in aanmerking genomen, behoudens toepassing van de earningstrippingmaatregel. Dubbele heffing wordt voorkomen door het niet-aftrekbare rentesaldo op grond van de earningsstrippingmaatregel in mindering te brengen op het niet-aftrekbare bedrag volgens de minimumkapitaalregel.


Aanscherping antimisbruikbepalingen

De staatssecretaris van Financiën heeft aangekondigd dat de Nederlandse antimisbruikbepalingen in de vennootschaps- en dividendbelasting worden aangepast naar aanleiding van enkele uitspraken van het Hof van Justitie. Specifiek gaat het om de voorwaarden waaraan een tussenhoudster met een schakelfunctie dient te voldoen om te kunnen spreken van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Door de wetswijziging zal de rol van de huidige substance-eisen veranderen. Zij zullen met name van belang worden bij de bewijslastverdeling en niet langer als ‘safe-harbour’ fungeren.


Conditionele bronbelasting op rente en royalty’s

Op Prinsjesdag zal worden voorgesteld om per 1 januari 2021 een bronbelasting op rente- en royaltybetalingen in concernverband aan entiteiten die zijn gevestigd in niet-coöperatieve of laagbelastende jurisdicties. Qua vormgeving zal vermoedelijk zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij de conditionele bronbelasting op dividenden die het kabinet voor ogen stond als vervanger van de dividendbelasting.

Loon- en inkomstenbelasting

Box 3 heffing spaarders

Op 6 september 2019 heeft het kabinet een ingrijpende wijziging aangekondigd van de belastingheffing in box 3. Vanaf 2022 zal rekening worden gehouden met de werkelijke verdeling tussen spaartegoeden en beleggingen van individuele belastingplichtigen. Over de spaartegoeden wordt vervolgens een rendement gerekend dat zoveel mogelijk aansluit bij de werkelijke rente. Volgens de eerste berekeningen betekent de wetswijziging dat belastingplichtigen met alleen spaartegoeden tot circa EUR 440.000 geen inkomstenbelasting verschuldigd zijn. Hierdoor zullen circa 1,35 miljoen spaarders effectief niet langer onder de vermogensrendementheffing van box 3 vallen. Het wetsvoorstel verschijnt overigens niet met Prinsjesdag, maar zal wel voor de zomer van 2020 bij de Tweede Kamer worden ingediend.

Gerelateerd artikel: Kabinet wilt aansluiten bij het werkelijke rendement van individuele belastingplichtigen


Zelfstandigenaftrek

Het kabinet is voornemens om in 2020 een lastenverlichting van circa € 3 miljard te realiseren voor de burgers. Ter financiering van de daartoe benodigde maatregelen wordt naar verwachting niet alleen de verlaging van het toptarief in de vennootschapsbelasting uitgesteld en/of beperkt, maar zal ook gesneden worden in de zelfstandigenaftrek. Volgens de laatste berichten zal op Prinsjesdag een stapsgewijze verlaging van deze aftrekpost tot uiteindelijk € 5.000 worden voorgesteld. Op dit moment bedraagt de zelfstandigenaftrek voor ondernemers nog € 7.280.


Starters op de woningmarkt

Het kabinet wil de mogelijkheden voor starters om een eigen woning te kopen vergroten. De precieze invulling hiervan is nog onbekend, maar in de media zijn inmiddels berichten verschenen dat de verhuurderheffing wordt verlaagd en starters op de woninmarkt worden vrijgesteld van overdrachtsbelasting, terwijl het overdrachtsbelastingtarief voor beleggers juist wordt verhoogd. Ook zou worden onderzocht of de aflossingseis in de eigenwoningregeling kan worden versoepeld.


Excessief lenen dga

Volgens het Belastingplan 2019 wordt het tarief in box 2 in 2020 en 2021 verhoogd naar respectievelijk 26,25% en 26,9%. Om uitstel van belastingheffing te bewerkstelligen kan de aanmerkelijkbelanghouder door middel van leningen liquide middelen onttrekken aan de vennootschap. De wetgever wil deze praktijk echter aan banden leggen en komt met een regeling waarin bovenmatige schulden bij de eigen vennootschap als regulier voordeel in box 2 worden belast. Schulden van verbonden personen tellen in bepaalde gevallen mee. Eigenwoningschulden blijven buiten aanmerking, zij het dat voor schulden die na de inwerkingtredingsdatum van de maatregel worden aangegaan een recht van hypotheek aan de vennootschap moet worden verstrekt. Gezien de forse kritiek die eerder dit jaar is geuit naar aanleiding van de gehouden internetconsultatie, is het echter onzeker of het wetsvoorstel al met Prinsjesdag verschijnt.


Verruiming werkkostenregeling

Uit onderzoek is gebleken dat met name mkb-ondernemingen met lage lonen en/of veel parttimers de beperking van de vrije ruimte voor vergoedingen en verstrekkingen onder de werkkostenregeling (WKR) als knellend ervaren. Om hieraan tegemoet te komen wordt de vrije ruimte in de WKR vanaf 2020 verruimd naar 1,7% van de fiscale loonsom tot € 400.000, vermeerderd met 1,2% van de resterende loonsom. Ondernemingen met een loonsom van minder dan € 400.000 profiteren verhoudingsgewijs dus het meest van de maatregel. Verder komen de kosten voor een Verklaring Omtrent het Gedrag vanaf 2020 niet meer ten laste van de vrije ruimte.

Omzetbelasting

Vereenvoudiging handelsverkeer

Per 1 januari 2020 zullen vier zogenoemde ‘quick fixes’ in de Wet op de omzetbelasting 1968 worden geïmplementeerd ter harmonisatie en vereenvoudiging van het handelsverkeer tussen lidstaten. De wijzigingen vloeien voort uit de in december 2018 door de Raad van de Europese Unie aanvaardde Richtlijn harmonisatie en vereenvoudiging intracommunautair handelsverkeer. De maatregelen hebben betrekking op:

  • De btw-regelgeving ten aanzien van de voorraad die een ondernemer aanhoudt in een andere lidstaat op afroep van een hem bekende afnemer;
  • een regeling voor zogenoemde ketentransacties waarmee wordt bepaald welke van de leveringen in die keten als de intracommunautaire levering heeft te gelden;
  • het bewijs van het intracommunautaire vervoer van goederen naar andere lidstaten; en
  • de status van het btw-identificatienummer.

Verdere implementatie btw-richtlijn e-commerce

Per 1 januari 2021 moet Nederland de EU-richtlijn ter vereenvoudiging van de btw-regels voor afstandsverkopen van goederen volledig geïmplementeerd hebben. Deze wetgeving is met name gericht op de modernisering en vereenvoudiging van de heffing en inning van de btw op grensoverschrijdende internetverkopen aan particulieren. Zo verdwijnen de huidige drempels voor de afstandsverkopenregeling. De MOSS-aangifte wordt uitgebreid tot afstandsverkopen binnen de EU en andere diensten die door ondernemingen aan particulieren worden verricht.


Elektronische uitgaven

Per 1 januari 2020 zal de toepassing van het verlaagde btw-tarief worden uitgebreid tot digitale boeken, kranten en tijdschriften. Het gaat dan om het langs elektronische weg leveren of uitlenen van een boek, dagblad, weekblad, tijdschrift of een ander tenminste driemaal per jaar periodiek verschijnende uitgaven. Hiermee wordt het bestaande verschil in behandeling voor de btw van fysieke en elektronische uitgaven opgeheven.

Formeel belastingrecht

Openbaarmaking vergrijpboetes

Het kabinet is voornemens om vergrijpboetes die worden opgelegd aan juridische dienstverleners in het kader van door hen beroepsmatig of bedrijfsmatige verleende bijstand openbaar te maken. Deze openbaarmaking vindt plaats door publicatie van de naam van de overtreder, het kantoor waaraan de overtreder verbonden is en het vestigingsadres op de website van de belastingdienst. Publicatie vindt plaats binnen vijf werkdagen nadat het besluit tot openbaarmaking en de vergrijpboete zelf onherroepelijk zijn geworden en toestemming is verkregen van de directeur van een van de organisatieonderdelen van de Belastingdienst en het directoraat-generaal Belastingdienst.

Commentaar

Het behoeft geen betoog dat het aangekondigde uitstel en mogelijk zelfs beperking van de verlaging van de vennootschapsbelastingtarieven het Nederlandse vestigingsklimaat voor ondernemingen niet ten goede komt. Bedacht moet worden dat de origineel geplande tariefsverlaging in 2020 en 2021 vorig jaar reeds wettelijk is vastgelegd.

Als het Vpb-tarief in de tweede schijf niet conform het Belastingplan 2019 naar beneden gaat in 2020 en 2021, is het bovendien de vraag welk effect dit heeft op de eveneens in dat belastingplan voorziene verhoging van de box 2-tarieven naar 26,25% in 2020 en 26,9% in 2021. Gezien het door de wetgever voorgestane globale evenwicht tussen de belastingheffing van ondernemers (box 1) en dga’s (gecombineerde heffing van vpb en box 2), zou men verwachten dat het tarief voor inkomen uit aanmerkelijk belang ook wordt aangepast (lees: wordt verlaagd). Echter de in 2018 afgesproken verlaging in de eerste schijf per 2020 en 2021 wordt waarschijnlijk wel onaangepast doorgevoerd. Toch zou het vreemd zijn als alleen op basis van dat argument de verhoging van het box 2-tarief integraal van kracht blijft.

Door de voorgenomen verlaging van de zelfstandigenaftrek zal een grote groep burgers, onder wie veel ZZP-ers, worden geraakt. Hiermee is de aangekondigde lastenverlichting voor de lagere- en middeninkomens voor die groep niet tastbaar en komt de maatregel neer op een overheveling van belastingheffing van werknemers (alsmede anderen die inkomen genieten in box 1) naar ondernemers die kwalficeren voor de zelfstandigenaftrek.

Voor wat betreft de voorgenomen invoering van een conditionele bronheffing op rente- en royaltybetalingen zal van belang zijn of er voldoende tijd wordt ingebouwd om met niet-coöperatieve of laagbelastende jurisdicties waarmee Nederland op dit moment een geldend belastingverdrag heeft een aanpassing door te voeren die rekening houdt met de voorgenomen wetgeving. Verdragsonderhandelingen kunnen jaren duren ten slotte.

Vond u dit nuttig?