Belastingplan 2021 - Overzicht maatregelen loon- en inkomstenbelasting

Article

Overzicht maatregelen loon- en inkomstenbelasting

Belastingplan 2021 - Prinsjesdag

Hierbij een overzicht van de maatregelen in het pakket Belastingplan 2021 met betrekking tot de loon- en inkomstenbelasting.

18 november 2020

Tariefstelsel box 1

Sinds 1 januari 2020 is effectief sprake van een tweeschijvenstelsel met een basistarief van 37,35% tot een belastbaar box 1-inkomen van € 68.507 en een toptarief van 49,50%. In 2021 daalt dit basistarief naar 37,10% en blijft het toptarief ongewijzigd. Voor AOW-gerechtigden is sprake van een drieschijvenstelsel, aangezien zij geen AOW-premies meer verschuldigd zijn. Tot een box 1-inkomen van circa € 35.000 bedraagt het tarief voor hen 19,20% (2020: 19,45%).

 

Schijfgrenzen 2020 2021
Einde eerste schijf (geboren na 1 januari 1946)
€ 34.712 € 35.129
Einde eerste schijf (geboren vóór 1 januari 1946)
€ 35.375 € 35.941
Einde tweede schijf  € 68.507 € 68.507

 

Gecombineerde tarieven IB/LB en premies volksverzekeringen 2020 2021
Tarief eerste schijf (onder AOW-leeftijd) 37,35% 37,10%
Tarief eerste schijf (boven AOW-leeftijd)  19,45% 19,20%
Tarief tweede schijf  37,35% 37,10%
Tarief derde schijf 49,50% 49,50%

 

Verder daalt het maximale aftrektarief voor aftrekposten als de hypotheekrenteaftrek, de ondernemersaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de persoonsgebonden aftrek in 2021 naar 43% (2020: 46%).

Webcast BP 2021

Corina van Lindonk, Aart Nolten en Peter Kavelaars bespreken de opvallendste punten uit het Belastingplan 2021 in 30 minuten.

Kijk hier

Heffingskortingen

De wijzigingen in de heffingskortingen in 2021 ten opzichte van het jaar 2020 zijn in onderstaande tabel weergegeven:

 

Heffingskortingen Stand 2020 Stand 2021
Maximum algemene heffingskorting (onder AOW-leeftijd)
€2.711 € 2.837
Maximum algemene heffingskorting (boven AOW-leeftijd)  €1.413 € 1.469
Afbouwpunt algemene heffingskorting €20.711 €21.043
Afbouwpercentage algemene heffingskorting (onder AOW-leeftijd)
5,672% 5,977%
Afbouwpercentage algemene heffingskorting (boven AOW-leeftijd)
2,956% 3,093%
Maximum arbeidskorting (onder AOW-leeftijd) €3.819 €4.205
Maximum arbeidskorting (boven AOW-leeftijd)
€1.989 €2.191
Afbouwpunt arbeidskorting
€34.954 €35.652
Afbouwpercentage arbeidskorting (onder AOW-leeftijd)
6,00% 6,00%
Afbouwpercentage arbeidskorting (boven AOW-leeftijd)
3,125% 3,105%

 

Aanpassing box 3

Per 1 januari 2021 wordt het heffingsvrije vermogen in box 3 verhoogd naar € 50.000 per belastingplichtige (2020: € 30.846). Voor fiscale partners is dat € 100.000. Daar staat tegenover dat het box 3-tarief per 1 januari 2021 wordt verhoogd naar 31% (2020: 30%). Tevens worden de schijfgrenzen voor de indeling in rendementsklassen opnieuw vastgesteld. In tegenstelling tot hetgeen vorig jaar was aangekondigd, blijft de wetgever dus uitgaan van ficties ten aanzien van de samenstelling van het box 3-vermogen. Het fictief rendement in rendementsklasse I bedraagt voor 2021 0,03% (2020: 0,07%) en dat voor rendementsklasse II 5,69% (2020: 5,28%).

 

Grondslag sparen en beleggen Rendementsklasse I Rendementsklasse II Fictief rendement
 € 0 – € 50.000 67% 33% 1,90%
€ 50.000 – 950.000
21% 79% 4,50%
> €950.000 0% 100% 5,69%

 

Het bovenstaande heeft tot gevolg dat circa 900.000 belastingplichtigen geen box 3-heffing meer verschuldigd zijn. Belastingplichtigen met een vermogen tussen € 50.000 en € 220.000 (fiscale partners: € 440.000) gaan er ook op vooruit. Voor belastingplichtigen met een groter box 3 vermogen stijgt de belastingdruk daarentegen enigszins.

Tegelijkertijd worden maatregelen getroffen om te voorkomen dat de verhoging van het heffingsvrije vermogen tot een groter beroep op toeslagen leidt, of invloed heeft op de eigen bijdrage voor langdurige zorg. Daarom wordt de vermogenstoets in deze regelingen voortaan gebaseerd op de rendementsgrondslag in box 3 in plaats van de grondslag sparen en beleggen, dus voor aftrek van het heffingsvrije vermogen.

Om ervoor te zorgen dat de uitvoerende instanties over de juiste informatie kunnen beschikken, moeten belastingplichtigen met een rendementsgrondslag in box 3 van meer dan € 31.340 aangifte blijven doen, ook als zij geen inkomstenbelasting verschuldigd zijn. Het uitnodigingsbeleid voor het doen van aangifte en enkele administratieve bepalingen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen worden in verband hiermee aangepast. Ook zal de inspecteur vanaf het belastingjaar 2021 de rendementsgrondslag in box 3 jaarlijks bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen en vermelden op de aanslag inkomstenbelasting.

Aanpassen zelfstandigenaftrek

In het Belastingplan 2020 was reeds voorzien in een geleidelijke verlaging van de zelfstandigenaftrek. Deze afbouw zal worden versneld met € 110 per jaar, waardoor de zelfstandigenaftrek in 2036 uitkomt op € 3.240. Voor het jaar 2021 bedraagt deze aftrek € 6.670. Tegenover deze extra afbouw staat een verhoging van de arbeidskorting voor alle werkenden in 2021. In feite gaat het hier om het naar voren halen van de eerder voorziene verhoging van de arbeidskorting voor het jaar 2022. Met deze maatregelen beoogt het kabinet het verschil in belastingdruk tussen werknemers en zelfstandigen te verkleinen.

Verduidelijken berekeningswijze kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

Naar aanleiding van recente jurisprudentie van de Hoge Raad stelt het Kabinet een verduidelijking en een wijziging voor van de berekeningswijze van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). Dit voorstel is relevant voor belastingplichtigen die deel uitmaken van een samenwerkingsverband en voor belastingplichtigen met meerdere ondernemingen. Voor die eerste situatie geldt dat een belastingplichtige altijd recht heeft op een evenredig gedeelte van het maximumbedrag aan KIA voor zijn aandeel in het totaal van de investeringen in het samenwerkingsverband. Het kabinet ziet, anders dan de Hoge Raad, geen ruimte voor een uitzondering op deze evenredige benadering indien de investeringen van een belastingplichtige in zijn eigen onderneming op zichzelf al recht zouden geven op het vaste maximumbedrag aan KIA. De aanpassing in de berekeningswijze zal dus gaan gelden in alle situaties waarin sprake is van een belastingplichtige die deel uitmaakt van een samenwerkingsverband. Als een belastingplichtige meerdere ondernemingen heeft, wordt bij het bepalen van de hoogte van de KIA per onderneming uitgegaan van het investeringsbedrag per onderneming van de belastingplichtige.

Lagere bijtelling voor elektrische auto met zonnepanelen

Elektrische auto’s

Momenteel wordt een korting op de bijtelling verleend voor elektrische auto’s. Deze korting is gebaseerd op een percentage van de catalogusprijs van de auto. De catalogusprijs die voor de berekening van de korting in aanmerking mag worden genomen wordt echter gemaximeerd. In 2020 bedroeg deze cap EUR 45.000. Deze wordt voor 2021 verlaagd naar EUR 40.000. Het toepasselijke kortingspercentage wordt verlaagd van 14% (2020) naar 10% (2021).


Zonnecelauto’s

Vanaf 2021 wordt voor de berekening van de korting op de bijtelling voor zonnecelauto’s geen cap gehanteerd. Voor deze auto’s wordt het kortingspercentage dus berekend over de volledige catalogusprijs. Een vergelijkbare korting geldt reeds voor emissievrije auto’s met een motor die kan worden gevoed met waterstof.

Vrijstelling voor de TOGS en de Subsidie vaste lasten

In verband met de coronacrisis zijn verschillende steunmaatregelen genomen. Voor schade die is geleden door de coronamaatregelen kunnen ondernemingen aanspraak maken op de Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren COVID-19 (TOGS). Verder kunnen ondernemingen voor vier maanden een tegemoetkoming krijgen voor hun vaste lasten, op basis van de Subsidie vaste lasten. Omdat ondernemingen in de inkomsten- en vennootschapsbelasting belasting zijn verschuldigd over hun totale winst, zouden ook deze overheidssubsidies in beginsel belast zijn. Om dat te voorkomen wordt de ontvangen overheidssteun wettelijk vrijgesteld. Deze vrijstelling geldt echter nadrukkelijk niet voor de NOW. In Caribisch Nederland geldt om dezelfde reden een vrijstelling van inkomstenbelasting voor de tegemoetkomingen die ondernemingen hebben ontvangen.

Baangerelateerde investeringskorting

De BIK is bedoeld om nieuwe investeringen in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen te stimuleren en is van toepassing op investeringsverplichtingen die op of na 1 oktober 2020 worden aangegaan. Uitgaven in verband met voortbrenging of verbetering van bedrijfsmiddelen kwalificeren niet. Aanvullend wordt als voorwaarde gesteld dat de betreffende investeringen in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2022 volledig moeten zijn betaald en uiterlijk binnen zes maanden na die volledige betaling in gebruik zijn genomen. Qua vormgeving is gekozen voor een afdrachtvermindering op de loonheffing. Op die manier wil het kabinet bewerkstelligen dat de investeringskorting ten goede komt aan bedrijven die een voldoende loonsom hebben, en dus werkgelegenheid bieden. Tot een investeringsniveau van € 5.000.000 per kalenderjaar geldt een kortingspercentage van 3,9%. Voor het meerdere is dat 1,8%. Een investering telt mee in het jaar waarin de laatste betaling heeft plaatsgevonden. De BIK kan samengaan met andere investeringsfaciliteiten, zoals de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), de energie-investeringsaftrek (EIA), de milieu-investeringsaftrek (MIA) en de willekeurige afschrijving (Vamil).

Voor alle aanvragen geldt een ondergrens van € 1.500 per bedrijfsmiddel en € 20.000 per aanvraag. Aanvragen lopen via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO). Een bedrijf kan maximaal een keer per kwartaal een aanvraag doen, maar wegens uitvoeringstechnische redenen pas vanaf 1 september 2021. Na goedkeuring geeft RVO een BIK-verklaring af, waarmee de onderneming de BIK kan toepassen in de loonaangiften van het jaar waarin de verklaring is afgegeven. Indien achteraf blijkt dat de korting ten onrechte is verleend, kan RVO echter een correctieverklaring vaststellen.
 

Gerelateerd artikel - Belastingplan 2021 aangenomen door de Tweede Kamer

Aanpassen vrije ruimte werkkostenregeling

De werkkostenregeling bepaalt de ruimte waarbinnen werkgevers vergoedingen en verstrekkingen aan hun werknemers kunnen geven zonder dat deze belast worden, de zogenoemde vrije ruimte. Sinds 1 januari 2020 geldt per werkgever een vrije ruimte van 1,7% van de fiscale loonsom tot en met € 400.000 vermeerderd met 1,2% van het restant van de loonsom. In het kader van de coronamaatregelen is eerder goedgekeurd dat over 2020 de vrije ruimte wordt verhoogd tot 3% over de eerste € 400.000. Dit wordt nu wettelijk vastgelegd. De verruiming moet het voor werkgevers makkelijker maken om hun werknemers in de moeilijke coronatijd een extraatje te kunnen geven. Per 1 januari 2021 wordt de vrije ruimte voor de loonsom vanaf € 400.000 echter verlaagd van 1,2% naar 1,18%. Dit is geen tijdelijke maatregel, maar heeft als doel de verruiming van de gerichte vrijstelling voor scholingskosten te bekostigen.

Verruiming gerichte vrijstelling scholingskosten

Onder de huidige wet kan een werkgever onder voorwaarden het volgen van een opleiding of studie door de werknemer vergoeden zonder dat daarover loonheffingen zijn verschuldigd. Vanwege de huidige crisis wil het kabinet deze vrijstelling verruimen. De verruiming houdt in dat ook scholingskosten die worden gemaakt voor een ex-werknemer onder de vrijstelling vallen. Die verruiming heeft bijvoorbeeld effect bij een vergoeding of verstrekking voor een opleiding of studie van een werknemer van wie afscheid is of zal worden genomen. Een ander voorbeeld betreft de vergoeding van scholingskosten in het kader van een sociaal plan. Het doel van de maatregel is dat werkgevers en werknemers ook bij beëindiging van een dienstverband inzetten op het volgen van scholing.

Bonus voor zorgprofessionals

Deze regeling vloeit voort uit de toezegging van het kabinet van een bonus van € 1.000 netto voor zorgprofessionals die in hun werk direct of indirect de gevolgen van de uitbraak van het coronavirus hebben ondervonden. Voor werknemers kan de werkgever deze bonus uitkeren en aanwijzen als eindheffingsbestanddeel onder de werkkostenregeling (WKR). Het Rijk vergoedt zowel de bonus als de eventueel verschuldigde eindheffing, indien de vrije ruimte is overschreden. Voor niet-werknemers, waaronder zelfstandigen en extern ingehuurd schoonmaakpersoneel, is gekozen voor een vergelijkbare fiscale behandeling. In dat kader wordt voorgesteld de bonussen van niet-werknemers te laten uitkeren door de opdrachtgever (bijvoorbeeld het ziekenhuis). De opdrachtgever wijst de bonus ook voor hen aan als eindheffingsbestanddeel. De huidige wetgeving bevat al een dergelijke eindheffingsregeling voor niet-werknemers, maar die regeling geldt uitsluitend voor verstrekkingen. Op dit punt wordt de wet aangepast, zodat ook deze bonus kan worden aangewezen onder de WKR. De opdrachtgever krijgt de bonus en de verschuldigde eindheffing vergoed van het Rijk. Bij nota van wijziging is de reikwijdte van de regeling uitgebreid tot pgb-zorgverleners.

Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten

Er geldt een tegemoetkoming voor flexwerkers die als gevolg van de coronacrisis substantieel inkomensverlies hebben geleden. Als de flexwerker geen recht had op een socialezekerheidsuitkering en onvoldoende middelen had om rond te komen, kreeg hij of zij over maart, april en mei 2020 een uitkering van bruto € 550 per maand. Deze regeling wordt de Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten genoemd. De fiscale behandeling wordt nu wettelijk vastgelegd. Om de regeling uitvoerbaar te maken, wordt de uitkering belast als inkomen uit vroegere dienstbetrekking. De loonbelasting wordt ingehouden door het UWV en daarbij wordt standaard de loonheffingskorting toegepast.

Aanpassen overgangsrecht levensloopregeling

De fiscale levensloopregeling in de Wet op de loonbelasting 1964 is per 1 januari 2012 komen te vervallen. In dit kader geldt overgangsrecht wat onder meer regelt dat alle niet reeds als loon in aanmerking genomen levensloopaanspraken uiterlijk op 31 december 2021 tegen hun waarde in het economische verkeer worden belast. Hierbij geldt dat alleen de (ex-)werkgever van een werknemer met een levensloopaanspraak als inhoudingsplichtige kan worden aangewezen. Deze wetstoepassing kent echter praktische bezwaren, waaronder het gebrek aan juiste informatie, de mogelijkheid dat de werkgever niet meer bestaat en het ontbreken van afdoende bevoegdheden bij het verhalen van de verschuldigde loonheffing. Ook kan het fictieve genietingsmoment tot box 3 complicaties ten nadele van de werknemer leiden.

Om deze problemen het hoofd te bieden, stelt het kabinet voor om het overgangsrecht op een tweetal punten aan te passen. Allereerst wordt de instelling die de levensloopregeling uitvoert als inhoudingsplichtige aangewezen. Ten tweede wil het kabinet het fictieve genietingsmoment vervroegen naar 1 november 2021. Dit geeft de inhoudingsplichtige twee maanden de tijd om de verschuldigde loonheffing te verhalen op de werknemer. Ook zal het (tijdig) betalen van deze belastingschuld het box 3- vermogen van de werknemer verlagen. De mogelijkheid om de waarde van de aanspraak te laten uitbetalen blijft dan bestaan tot en met 31 oktober 2021.

Verduidelijken afdrachtvermindering S&O publieke kennisinstellingen

In de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA) geldt een afdrachtsvermindering voor speur- en ontwikkelingswerk door private bedrijven. Publieke kennisinstellingen zijn uitgesloten. Van een publieke kennisinstelling is onder meer sprake indien een instelling zonder winstoogmerk onderzoeksactiviteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden. Omdat sommige publieke kennisinstellingen wel als belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting kwalificeren, heeft het criterium ‘zonder winstoogmerk’ onduidelijkheid opgeleverd. Het kabinet benadrukt dat de beoordeling of sprake is van belastingplicht voor de vennootschapsbelasting los staat van de beoordeling of er sprake is van een winstoogmerk en stelt voor de onduidelijkheid weg te nemen door de woorden ‘zonder winstoogmerk’ uit de definitie van het begrip ‘publieke kennisinstelling’ in de WVA te halen.

Did you find this useful?