Belastingplan 2021 - Overzicht maatregelen overdrachtsbelasting en verhuurderheffing | Deloitte

Article

Overzicht maatregelen overdrachtsbelasting en verhuurderheffing

Belastingplan 2021 - Prinsjesdag

Hierbij een overzicht van de in het Belastingplan 2021 voorgestelde maatregelen met betrekking tot de overdrachtsbelasting en de verhuurderheffing.

18 november 2020

Overzicht maatregelen overdrachtsbelasting en verhuurderheffing

English version

Terug naar overzicht Belastingplan 2021

Starters en doorstromers op de woningmarkt

Het kabinet wil de mogelijkheden voor starters om een eigen woning te kopen vergroten. Daarom wordt een eenmalige vrijstelling van overdrachtsbelasting ingevoerd voor verkrijgers tussen 18 en 35 jaar die vanaf 1 januari 2021 een eigen woning kopen. Aanvankelijk zou deze vrijstelling tot 1 januari 2026 gelden, maar de Tweede Kamer heeft die horizonbepaling geschrapt. Daar staat tegenover dat de vrijstelling vanaf 1 april 2021 niet langer geldt als de woningwaarde (inclusief aanhorigheden) € 400.000 overschrijdt.

Voor doorstromers die vanaf 1 januari 2021 een woning voor eigen gebruik verkrijgen, geldt een verlaagd tarief van 2%. Voor toepassing van de startersvrijstelling, of van het verlaagde tarief van 2%, moet de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf dienen. Dit moet de verkrijger duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verklaren. Deze schriftelijke verklaring moet bij de aangifte overdrachtsbelasting worden gevoegd. Het 2%-tarief geldt ook voor wooncoöperaties die woningen van woningcorporaties overkopen.

Alle overige verkrijgingen zullen worden belast naar het algemene tarief, dat per 1 januari 2021 wordt verhoogd naar 8% (2020: 6%). In de eerste plaats gaat het daarbij om verkrijging van niet-woningen, zoals bedrijfsgebouwen, bedrijfsruimten, hotels en pensions en grond die bestemd is voor woningbouw. Tevens zal dit hoge tarief gaan gelden voor verkrijgers die een woning niet of slechts tijdelijk als hoofdverblijf gaan gebruiken. Bijvoorbeeld particuliere beleggers die een woning kopen zonder dat zij daar zelf in gaan wonen, natuurlijke personen die een tweede huis of een vakantiewoning kopen, of ouders die een woning voor hun kind willen aanschaffen. Ook verkrijgingen van woningen door niet-natuurlijke personen worden belast tegen 8%.


Gerelateerd artikel - Belastingplan 2021 aangenomen door de Tweede Kamer

Webcast BP 2021

Corina van Lindonk, Aart Nolten en Peter Kavelaars bespreken de opvallendste punten uit het Belastingplan 2021 in 30 minuten.

Kijk hier

Tijdelijke verhoging schenkingsvrijstellingen

Bij de heffing van schenkbelasting zijn diverse vrijstellingen van toepassing. Zo kunnen ouders jaarlijks binnen bepaalde grenzen schenkingen doen aan hun kinderen zonder schenkbelasting verschuldigd te zijn. Per kind kan in 2020 € 5.515 onbelast worden geschonken. Voor overige verkrijgers geldt in 2020 een vrijstelling van € 2.208. De Tweede Kamer heeft een amendement aangenomen waardoor beide vrijstellingen in 2021 eenmalig met € 1.000 worden verhoogd. Rekening houdend met inflatiecorrectie komen deze in 2021 naar verwachting uit op € 6.604 respectievelijk € 3.244. De verruiming is ingegeven door de wens van de Tweede Kamer om ondernemers in deze moeilijke tijden meer mogelijkheden te geven om aan liquide middelen te komen.


Gerelateerd artikel - Belastingplan 2021 aangenomen door de Tweede Kamer

Eenmalige huurverlaging voor huurders met lager inkomen

Aan woningcorporaties wordt de verplichting opgelegd om vóór 1 april 2021 aan een huurder voor te stellen dat de overeengekomen huur wordt verlaagd tot maximaal de voor de huurder geldende aftoppingsgrens voor de huurtoeslag. Dat geldt echter alleen voor huurders die niet meer dan een bepaald norminkomen verdienen (afhankelijk van de situatie maximaal € 31.550) en die een niet-geliberaliseerd huurcontract hebben. In het jaar waarin de nieuwe huur ingaat, kan deze niet meer regulier worden verhoogd (geen inflatiecorrectie). De benodigde inkomensgegevens verkrijgt de verhurende woningcorporatie van de Belastingdienst.

Een alternatieve mogelijkheid is dat de huurder zelf voor 31 december 2021 een verzoek doet tot huurverlaging. Hij moet dan bewijs leveren ten aanzien van de hoogte van zijn huishoudinkomen. Dat is vooral relevant, als de huurder recent een inkomensdaling moest ondergaan. Als ten onrechte niet een voorstel tot huurverlaging wordt gedaan, of het voorstel is inhoudelijk onjuist, dan kan de huurder via de huurcommissie de huurverlaging afdwingen.

De achtergrond van deze huurverlaging is dat huurders die ten opzichte van hun inkomen ‘te duur’ wonen een hernieuwde vaststelling van de huur krijgen. Het kan gaan om huurders die destijds een te dure huurwoning toegewezen hebben gekregen, of huurders die een inkomensdaling hebben ondergaan. Het zou daarbij naar schatting om 260.000 huurders gaan en een huurverlaging van circa € 160 miljoen.

Om de derving van de huuropbrengst die uit deze verplichting voor woningcorporaties voortvloeit te compenseren, wordt het tarief van de verhuurderheffing met 0,036% verlaagd tot 0,526%. Deze tariefverlaging komt ten goede aan alle voor de verhuurderheffing belastingplichtige verhuurders. Met deze tariefverlaging is per jaar een bedrag van € 138 miljoen gemoeid.  

Aanpassen overgangsrecht Natuurschoonwet 1928

In het Rangschikkingsbesluit NSW 1928 staan de voorwaarden waar een onroerende zaak aan moet voldoen om te kwalificeren als landgoed voor de NSW. Recentelijk zijn naar aanleiding van een evaluatie van de Natuurschoonwet 1928 (NSW) wijzigingen aangebracht in het Rangschikkingsbesluit. Daarbij is overgangsrecht opgenomen voor de circa zeshonderd landgoederen die niet aan de nieuwe per 1 januari 2021 geldende voorwaarden uit het Rangbeschikkingsbesluit voldoen. Deze onroerende zaken zullen nog maximaal tien jaar als landgoed volgens de huidige, tot 31 december 2020 geldende voorwaarden kwalificeren. Om te voorkomen dat de wijziging van het Rangschikkingsbesluit ertoe leidt dat eigenaren alsnog te maken krijgen met de heffing van schenk-, erf- en overdrachtsbelasting over verkrijgingen in de jaren vóór 2020, in verband met het niet langer voldoen aan de instandhoudingseis, stelt het kabinet enkele aanpassingen in het overgangsrecht voor.

Verder kunnen in het buitenland gelegen onroerende zaken die een element vormen van het Nederlands cultureel erfgoed onder het nieuwe Rangschikkingsbesluit ook als landgoed worden aangemerkt. Een al eerder aangenomen wetswijziging van deze strekking treedt per 1 januari 2021 in werking.

Did you find this useful?