Belastingplan 2021 – Overzicht maatregelen vennootschapsbelasting

Article

Overzicht maatregelen vennootschapsbelasting

Belastingplan 2021 - Prinsjesdag

Hierbij een overzicht van de maatregelen in het pakket Belastingplan 2021 met betrekking tot de vennootschapsbelasting.

18 november 2020

Overzicht maatregelen vennootschapsbelasting

English version

Terug naar overzicht Belastingplan 2021

Op 15 september 2020 publiceerde het Ministerie van Financiën de belastingplannen van de regering voor 2021. De plannen bevatten onder meer de volgende voorstellen:

  • Wijziging van het tarief van de vennootschapsbelasting;
  • Wettelijke introductie van de fiscale coronareserve;
  • Wijziging van de antiwinstdrainageregeling;
  • Verduidelijking samenloop anti-hybride wetgeving en earningsstrippingmaatregel;
  • Aanpassing minimumkapitaalregel en bankenbelasting.


De voorstellen zullen in het parlement worden besproken. Deze besprekingen worden naar verwachting eind 2020 afgerond. De verwachte inwerkingtredingsdatum van de wetgeving is 1 januari 2021. Er is een afzonderlijk voorstel gedaan tot wijziging van de liquidatie- en stakingsverliesregeling. Daarnaast zijn nog enkele andere maatregelen aangekondigd.

Webcast BP 2021

Corina van Lindonk, Aart Nolten en Peter Kavelaars bespreken de opvallendste punten uit het Belastingplan 2021 in 30 minuten.

Kijk hier

Wijziging van het tarief van de vennootschapsbelasting

De eerder in het vooruitzicht gestelde verlaging van het toptarief in de vennootschapsbelasting tot 21,7% is definitief teruggedraaid, waardoor het toptarief 25% blijft. De verlaging van het ‘opstaptarief’ naar 15% vindt wel doorgang. De eerste schijf wordt achtereenvolgens verlengd tot een belastbaar bedrag van EUR 245.000 (2021) en EUR 395.000 (2022). De tariefstructuur zal er dan als volgt uitzien (de cijfers voor 2020 dienen ter vergelijking).

 

Jaar

2020

2021

2022

Opstaptarief

16.5% (belastbaar bedrag tot EUR 200.000)

15.0% (belastbaar bedrag tot EUR 245.000)

15,0% (belastbaar bedrag tot EUR 395.000)

Toptarief

25,0% (belastbaar bedrag vanaf EUR 200.000)

25.0% (belastbaar bedrag vanaf EUR 245.000)

25.0% (belastbaar bedrag vanaf EUR 395.000)

 

Het vennootschapsbelastingtarief voor kwalificerende inkomsten uit de innovatiebox zal per 1 januari 2021 worden verhoogd van 7% naar 9%.

Verliesverrekening in de vennootschapsbelasting

Verliezen in de vennootschapsbelasting zijn op dit moment een jaar achterwaarts en zes jaar voorwaarts verrekenbaar. Er is geen beperking gesteld aan de omvang van het met de belastbare winst van een jaar te verrekenen verlies. Vermoedelijk per 1 januari 2022 gaan deze regels veranderen. Het kabinet wil namelijk een ondergrens qua verschuldigde vennootschapsbelasting inbouwen voor bedrijven met winstgevende activiteiten. Daarom komen verliezen boven € 1 mln. voortaan nog maar tot 50% van de belastbare winst voor verrekening in aanmerking, nadat die belastbare winst is verminderd met voornoemd bedrag van € 1 mln. Het resterende verlies blijft overigens wel beschikbaar voor verrekening in een later jaar. De beperking geldt zowel voor voorwaarts als achterwaarts verrekenbare verliezen. Daar staat tegenover dat de beperking in de tijd voor wat betreft de voorwaartse verliesverrekening wordt losgelaten. De carry-backtermijn blijft een jaar.

De aanpassingen hebben ook gevolgen voor verliezen die zijn ontstaan in boekjaren die vóór 1 januari 2022 zijn aangevangen. Verliezen die zijn geleden in boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2013 worden weer onbeperkt voorwaarts verrekenbaar. Voor oudere verliezen geldt dat zij op grond van de in die jaren geldende regels uiterlijk negen jaar voorwaarts kunnen worden verrekend. Daar staat tegenover dat verliezen die zijn ontstaan, of nog zullen ontstaan, in de boekjaren 2013 tot en met 2021 worden getroffen door de 50%-regel, althans voor zover zij verrekend worden met de belastbare winst van boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2022. Die beperking geldt ook voor achterwaartse verrekening van een in 2022 geleden verlies met de belastbare winst in 2021. De verliesverrekening in de inkomstenbelasting blijft ongewijzigd.

Wettelijke introductie van de fiscale coronareserve

In overeenstemming met het eerder gepubliceerde Besluit noodmaatregelen coronacrisis mogen belastingplichtigen in hun aangifte vennootschapsbelasting over 2019 een reserve vormen voor de verliezen die zij in het boekjaar 2020 naar verwachting zullen leiden, voor zover die verband houden met de gevolgen van de coronacrisis. Ingeval van een gebroken boekjaar, mag de reserve gevormd worden in het laatste boekjaar dat eindigt in de periode 1 januari 2019 – 31 maart 2020. Als reeds aangifte is gedaan, kan een aanvulling op de aangifte worden ingediend.

Het in aanmerking te nemen verlies mag niet groter zijn dan het totale verlies dat over 2020 verwacht wordt. De dotatie aan de coronareserve mag ook niet hoger zijn dan de in 2019 behaalde winst vóór de vorming van die reserve. De reserve wordt vervolgens in het boekjaar 2020 weer in de winst opgenomen. Op die manier kan sneller rekening worden gehouden met coronagerelateerde verliezen dan op grond van reguliere verliesverrekening het geval zou zijn. Er zijn geen flankerende maatregelen voorgesteld. Als gevolg hiervan zou de coronareserve invloed kunnen hebben op de toepassing van andere wettelijke bepalingen.

Wijziging van de antiwinstdrainageregeling

Volgens de antiwinstdrainageregeling (art. 10a Wet VPB 1969) zijn renten (kosten en valutaresultaten daaronder begrepen) onder omstandigheden niet aftrekbaar. Dit geldt momenteel voor zowel positieve als negatieve posten, waardoor onder meer positieve valutaresultaten zijn vrijgesteld. Daarom is het op dit moment mogelijk dat de antiwinstdrainageregeling per saldo voorziet in een vrijstelling. Voorgesteld wordt de vrijstelling van een positief valutaresultaat te beperken tot het bedrag van de niet-aftrekbare kosten van de desbetreffende lening.

Samenloop anti-hybride regels en earningsstrippingmaatregel

Indien rentelasten niet-aftrekbaar zijn op basis van de anti-hybride regels, worden deze rentelasten niet meegenomen voor de toepassing van de earningsstrippingmaatregel (renteaftrekbeperking tot 30% EBITDA). Voor de toepassing van de anti-hybride regels zijn de rentelasten wel aftrekbaar als er sprake is van dubbel in aanmerking genomen inkomen. Op dit moment is het niet duidelijk welk deel van de rentelasten in feite aftrekbaar is als gevolg van het dubbel in aanmerking genomen inkomen, indien de kosten die onder het toepassingsbereik van de anti-hybride regeling vallen bestaan uit zowel rentelasten als andere lasten. Het voorstel voorziet in een regel om het dubbel in aanmerking genomen inkomen pro rata toe te rekenen aan de rentelasten en andere lasten. Dezelfde systematiek is van toepassing indien de anti-hybride regels ertoe leiden dat rentebaten in de Nederlandse heffingsgrondslag worden opgenomen (secundaire regel). Een soortgelijke pro rata benadering zal gelden voor situaties waarin er in een later jaar sprake is van dubbel in aanmerking genomen inkomen.

Aanpassing minimumkapitaalregel en bankenbelasting

Vorig jaar werd een minimumkapitaalregel voor gereguleerde banken en verzekeraars ingevoerd. De minimale verhouding tussen het eigen vermogen en het balanstotaal is vastgesteld op 8%. Als gevolg van een uitspraak van de Hoge Raad moeten bepaalde financiële instrumenten worden gekwalificeerd als schuld voor de Nederlandse vennootschapsbelasting en kunnen er dus extra fiscaal aftrekbare rentelasten worden gemaakt. Naar aanleiding van de uitspraak wordt voorgesteld om de minimale verhouding tussen eigen vermogen en het balanstotaal te wijzigen van 8% naar 9%. Daarnaast wordt het tarief van de bankenbelasting tijdelijk verhoogd (alleen voor 2021).

Liquidatie- en stakingsverliesregeling

Er is een voorstel gepubliceerd om het toepassingsbereik van de zogenaamde liquidatieverliesregeling in de deelnemingsvrijstelling (art. 13d Wet VPB 1969) en de stakingsverliesregeling voor vaste inrichtingen (art. 15i Wet VPB 1969) aanzienlijk te beperken. Er wordt een temporele beperking ingevoerd met als gevolg dat een liquidatie- of stakingsverlies enkel kan worden benut binnen drie jaar nadat de activiteiten zijn beëindigd of het besluit daartoe is genomen (temporele eis). Een liquidatieverlies op een deelneming is alleen aftrekbaar als de Nederlandse moedermaatschappij een beslissende invloed heeft op de besluitvorming van de dochteronderneming (kwantitatieve eis) en de dochteronderneming zelf in Nederland of in een andere EU/EER-lidstaat is gevestigd (territoriale eis). Met betrekking tot het stakingsverlies van een vaste inrichting is de kwantitatieve eis niet van toepassing. Het voorstel voorziet in een doelmatigheidsdrempel waardoor belastingplichtigen niet worden geconfronteerd met de (kwantitatieve en territoriale) beperkingen indien het liquidatie- of stakingsverlies maximaal EUR 5 miljoen bedraagt. Het voorstel wordt van kracht voor boekjaren die beginnen op of na 1 januari 2021. Alleen voor de temporele eis worden overgangsregels voorgesteld.

Andere aangekondigde maatregelen

 Verder heeft de staatssecretaris het volgende aangekondigd:

  • een wetsvoorstel tot wijziging van het arm’s-lengthbeginsel (in het voorjaar van 2021);
  • een onderzoek naar de invoering van een vermogensaftrek in combinatie met een beperking van de earningsstrippingmaatregel (renteaftrekbeperking tot 30% EBITDA);
  • een aanpassing van de verrekening van voorheffingen met de vennootschapsbelasting naar aanleiding van het Sofina-arrest (HvJ EU);
  • een wetsvoorstel tot invoering van een conditionele bronbelasting op dividendbetalingen aan laagbelastende en niet-coöperatieve jurisdicties (in het voorjaar van 2021);
  • in de komende periode zal het onderzoek naar een mogelijk nieuw groepsregime worden voortgezet. De beslissing of dat moet resulteren in een wetsvoorstel zal na de verkiezingen van volgend jaar worden genomen.
  • naar aanleiding van een onderzoek of de deelnemingsvrijstelling moet worden gewijzigd voor zogeheten ‘substanceloze’ (tussen)houdsters wordt bekeken of het mogelijk is per 2022 met regelgeving te komen die voorziet in een informatieuitwisselingsmogelijkheid met het buitenland voor doorstroomvennootschappen (doorstroom van dividenden) die over onvoldoende substance beschikken. Dit is ook in lijn met de bestaande soortgelijke maatregelen voor doorstroomvennootschappen die hoofdzakelijk renten of royalty’s ontvangen uit en doorbetalen aan het buitenland.
Did you find this useful?