Belastingplan 2022 - Overzicht maatregelen loon- en inkomstenbelasting

Article

Overzicht maatregelen loon- en inkomstenbelasting

Belastingplan 2022 - Prinsjesdag

Hierbij een overzicht van de maatregelen in het pakket Belastingplan 2022 met betrekking tot de loon- en inkomstenbelasting.

18 oktober 2021

Overzicht maatregelen loon- en inkomstenbelasting

English version

Terug naar overzicht Belastingplan 2022

Webcast Belastingplan 2022

Corina van Lindonk, Aart Nolten en Eddo Hageman bespraken het nieuwe Belastingplan.

Kijk terug (30 min.)

Tariefstructuur

In de loon- en inkomstenbelasting (box 1) is sinds 2020 effectief sprake van een tweeschijvenstelsel, met een basistarief van iets meer dan 37% en een toptarief van 49,50%. Het basistarief wordt in 2022 verlaagd tot 37,07% (2021: 37,10%). Het toptarief blijft ongewijzigd. Hieronder een overzicht van de tariefstructuur in tabelvorm.

 

Schijfgrenzen 2021 2022
Einde eerste schijf (geboren na 1 januari 1946)
€35.129 €35.472
Einde eerste schijf (geboren vóór 1 januari 1946)
€35.941 €36.409
Einde tweede schijf  €68.507 €69.398

 

Gecombineerde tarieven IB/LB en premies volksverzekeringen 2021 2022
Tarief eerste schijf (onder AOW-leeftijd) 37,10% 37,07%
Tarief eerste schijf (boven AOW-leeftijd)  19,20% 19,17%
Tarief tweede schijf  37,10% 37,07%
Tarief derde schijf 49,50% 49,50%

 

Het maximale tarief in box 1 waartegen aftrekposten als de hypotheekrenteaftrek, de ondernemersaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de persoonsgebonden aftrek in aanmerking worden genomen, daalt in 2022 naar 40% (2021: 43%). De zelfstandigenaftrek bedraagt in 2022 € 6.310 (2021: € 6.670).

De tarieven in box 2 (inkomen uit aanmerkelijk belang) en box 3 (inkomen uit sparen en beleggen) van de inkomstenbelasting blijven in 2022 ongewijzigd, respectievelijk 26,9% (box 2) en 31% (box 3). Het heffingsvrije vermogen in box 3 neemt toe tot € 50.650 (2021: € 50.000).

Het heffingsvrije vermogen in box 3 neemt toe tot € 50.650 (2021: € 50.000). Het fictief rendement in rendementsklasse I bedraagt in 2022 -0,01% (2021: 0,03%) en dat voor rendementsklasse II op 5,53% (2021: 5,69%). Dat leidt tot de volgende berekening:
 

Grondslag sparen en beleggen Rendementsklasse I Rendementsklasse II Fictief rendement
€0 – €50.650 67% 33% 1,82%
€50.650 – €962.350 21% 79% 4,37%
> €962.350 0% 100% 5,53%

 

Heffingskortingen

Nu de koopkracht weer stijgt en de verwachtingen positief zijn, wil de wetgever ervoor zorgen dat de koopkrachtontwikkeling gelijkmatiger wordt verdeeld. Om het verschil tussen een- en twee verdieners te verkleinen, wordt bij een stijging van het inkomen de arbeidskorting minder snel afgebouwd.
Het afbouwpercentage wordt verlaagd van 6% naar 5,86%. Bij nota van wijziging is ook de algemene heffingskorting met € 14 extra verhoogd, bovenop de reguliere indexatie. Het maximumbedrag komt daarmee uit op € 2.888 (2021: € 2.837). De wijzigingen in de parameters van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting ten opzichte van het jaar 2021 zijn in onderstaande tabel weergegeven:

 

Heffingskortingen Stand 2021 2022
Maximum algemene heffingskorting (onder AOW-leeftijd)
€2.837 €2.888
Maximum algemene heffingskorting (boven AOW-leeftijd)  €1.469 €1.495
Afbouwpunt algemene heffingskorting €21.043 €21.317
Afbouwpercentage algemene heffingskorting (onder AOW-leeftijd)
5,977% 5,977%
Afbouwpercentage algemene heffingskorting (boven AOW-leeftijd)
3,093% 3,091%
Maximum arbeidskorting (onder AOW-leeftijd) €4.205 €4.260
Maximum arbeidskorting (boven AOW-leeftijd)
€2.178 €2.204
Afbouwpunt arbeidskorting
€35.652 €36.649
Afbouwpercentage arbeidskorting (onder AOW-leeftijd)
6,00% 5,86%
Afbouwpercentage arbeidskorting (boven AOW-leeftijd)
3,105% 3,03%


Een persoon die geen inwoner is van Nederland en ook geen kwalificerend buitenlands belastingplichtige is voor de inkomstenbelasting wordt normaliter niet aangemerkt als partner. Hierdoor kan het voorkomen dat belastingplichtigen met een in het buitenland woonachtige partner recht hebben op de inkomstenafhankelijke combinatiekorting, terwijl zij dat niet hadden gehad als de partner in Nederland had gewoond. Het kabinet wil deze ongelijke behandeling tegengaan door de uitzondering op het fiscale partnerbegrip niet van toepassing te laten zijn op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het maximale bedrag van de inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt in 2022 overigens verlaagd tot € 2.534 (2021: € 2.815).

Subsidies vaste lasten onbelast

Ondernemers die getroffen zijn door de coronacrisis konden aanspraak maken op bepaalde subsidies als tegemoetkoming in hun vaste lasten (TVL). Voorgesteld wordt dat deze subsidies niet belast worden met inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting. Dat zou immers het effect van de subsidies voor een deel weer ongedaan maken. Dit was eerder al geregeld in een beleidsbesluit, maar wordt nu ook met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021 in de wet vastgelegd.

Hogere bijtelling emissievrije personenauto’s

Volgens ramingen van het kabinet zullen er in de aankomende jaren veel meer emissievrije personenauto’s verkocht worden. Hierdoor zijn de budgettaire kosten van de verlaging van de bijtelling voor emissievrije personenauto’s hoger dan voorzien. Om milieuvriendelijker rijden niet te belemmeren, maar tegelijkertijd de kosten binnen de perken te houden, wordt voorgesteld om de catalogusprijs waarover de maximale korting op de bijtelling voor emissievrije personenauto’s van toepassing is (de zogenoemde cap) te verlagen. Op deze manier hoopt het kabinet ook meer vraag te creëren naar goedkopere emissievrije auto’s. De cap in de bijtelling wordt vanaf 2022 verlaagd van € 40.000 naar € 35.000 en vanaf 2023 verder naar € 30.000. In het klimaatakkoord is eerder al overeengekomen dat de korting op de bijtelling per 1 januari 2022 wordt verlaagd naar 6%.

Verhoging milieu-investeringsaftrek

De milieu-investeringsaftrek is een extra aftrekmogelijkheid in de inkomsten- en vennootschapsbelasting om groene investeringen te ondersteunen. Per 1 januari 2022 worden de steunpercentages in de MIA verhoogd. De reden voor de verhoging van de percentages is dat de meerkosten van milieuvriendelijke investeringen ten opzichte van gangbare, minder duurzame alternatieven zijn gestegen. De nieuwe percentages bedragen voor categorie I 45% (2021: 36%), voor categorie II 36% (2021: 27%) en voor categorie III 27% (2021: 13,5%). In welke categorie een groene investering valt, is afhankelijk van de mate van milieuvriendelijkheid.

Aanpassing eigenwoningregeling in partnerschapssituaties en bij overlijden

De eigenwoningregeling wordt evenwichtiger in partnersituaties en bij overlijden. Doel hiervan is om te voorkomen dat nog langer sprake is van onbedoelde renteaftrekbeperkingen. Zo wordt voorgesteld dat een eigenwoningreserve alleen nog op de andere partner overgaat ingeval sprake is van een algehele gemeenschap van goederen. Hiermee wordt aangesloten bij de civielrechtelijke en economische gerechtigdheid. Verder wordt bij gezamenlijke aankoop en financiering van een eigen woning voortaan op gezamenlijk niveau bekeken hoe hoog de maximale eigenwoningschuld mag zijn en of voldoende eigen middelen zijn ingezet, rekening houdend met de aanwezige eigenwoningreserve en aflossingsstand. Ook het overgangsregime kan flexibeler worden ingezet in partnerschapssituaties.

Ingeval van boedelmenging blijft de aflossingsstand na wetswijziging bij de partner bij wie deze is ontstaan, aangezien deze geen relatie heeft met de vermogensrechtelijke verdeling. Ten slotte is bepaald dat bij overlijden van één van de partners de eigenwoningreserve en de aflossingsstand niet langer overgaat op de overgebleven partner. Met die laatste wijziging wordt teruggekeerd naar het uitgangspunt dat een eigenwoningreserve persoonsgebonden is.

Jaarlijkse herijking rendementspercentages box 3

Per 1 januari 2017 is het box 3-stelsel herzien. Onderdeel van de herziening is een jaarlijkse herijking van de rendementspercentages in box 3. De berekeningswijzen die ten grondslag liggen aan deze jaarlijkse herijking gaan gepaard met de nodige onduidelijkheid voor belastingplichtigen. Om deze onduidelijkheid weg te nemen en de transparantie omtrent de rendementspercentages te waarborgen, worden de precieze berekeningswijzen van de parameters voor box 3 voortaan (in formulevorm) in de wettekst zelf opgenomen.

Tevens wil het kabinet de wet in lijn brengen met de verlegging van het basisjaar van het CBS-prijsindexcijfer voor Bestaande Koopwoningen. Na 1 januari 2017, en daarmee na de herziening van het box 3-stelsel, is het CBS overgestapt op een nieuw basisjaar. Voorgesteld wordt om deze overstap voor toepassing van box 3 met terugwerkende kracht vanaf 2020 te volgen. Ten slotte wordt voorgesteld om bij toekomstige aanpassingen van het basisjaar het mogelijk te maken bij ministeriële regeling de overgang naar een nieuw basisjaar te regelen.

Reparatiewetgeving in verband met box 3

Het kabinet constateert dat na de inwerkingtreding van de Wet aanpassing box 3 op 1 januari 2021, reparatiewetgeving noodzakelijk is gebleken. Enerzijds betreft het een formeelrechtelijke aanpassing in de Wet inkomstenbelasting 2001 die ziet op het opleggen van een aanslag inkomstenbelasting voor box 3 bij het bezit van vrijgestelde groene beleggingen. Vrijgestelde groene beleggingen die in het bezit zijn van een partner zijn voor toepassing van box 3 slechts van belang indien het gaat om een zogenoemde voljaarspartner dan wel om partners die ervoor hebben gekozen om als voljaarspartner aangemerkt te worden. Op basis van de huidige wettekst wordt echter ook een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met betrekking tot vrijgestelde groene beleggingen die een deeljaarpartner bezit. Daarmee is het bereik voor het opleggen van een aanslag met betrekking tot groene beleggingen te ruim ingevuld. Het kabinet is voornemens dit met terugwerkende kracht per 1 januari 2021 te herstellen.

Anderzijds gaat het om het aanpassen in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) van de bepaling voor herziening van een tegemoetkoming wegens het alsnog beschikbaar komen of wijzigen van fiscale gegevens na toekenning van de tegemoetkoming. Indien het box 3-vermogen vanwege het alsnog beschikbaar komen of wijzigen van fiscale gegevens wordt bijgesteld naar een bedrag onder of boven de huurtoeslagvermogensgrens van €31.450, heeft dit gevolgen voor het recht op huurtoeslag. Het kabinet beoogt de Awir zodanig te wijzigen dat met ingang van 1 januari 2022 ook in die gevallen het recht op huurtoeslag kan worden herzien.

Aanpassing fiscale regeling optierechten

Inleiding

Ondernemingen die werknemers voor langere tijd aan zich willen binden en hen willen laten meedelen in het zakelijke succes van de onderneming, geven vaak opties uit aan werknemers. Deze beloningsvorm is met name bij startups, die in het begin vaak weinig geld beschikbaar hebben, erg populair. De Nederlandse fiscale regelgeving is echter, juist voor startups, niet optimaal. Na signalen uit de praktijk, past de wetgever de regelgeving aan, door de belastingheffing over optie inkomsten uit te stellen tot het moment waarop de aandelen kunnen worden verhandeld.


Huidige regeling

Opties worden in de heffing van loonbelasting betrokken op het moment dat de werknemer de opties uitoefent. Daarna verlaten de bij uitoefening verkregen aandelen de loonsfeer en komen in de regel in box 3 terecht (inkomen uit sparen en beleggen).

De huidige regeling is onaantrekkelijk voor met name startups, omdat heffing van loonbelasting kan plaatsvinden op een moment dat de werknemer de aandelen nog niet kan verkopen, bijvoorbeeld omdat de startup nog niet beursgenoteerd is, of omdat werknemers gebonden zijn aan verkooprestricties. Bij de uitoefening van de optie is de werknemer in dat geval belasting verschuldigd over een voordeel dat (nog) niet kan worden verzilverd (“dry tax charge”). De werknemer moet de belasting betalen uit eigen middelen. Dat maakt optieregelingen onaantrekkelijk voor startups in Nederland.


Voorgestelde regeling

Om aan deze bezwaren tegemoet te komen, is voorgesteld om het heffingsmoment te verplaatsen naar het moment waarop de werknemer de aandelen kan verhandelen. Als de aandelen meteen verhandelbaar zijn op het moment van uitoefening van de opties, dan is het heffingsmoment hetzelfde als onder de huidige wetgeving en verandert er niets. Als de aandelen niet verhandelbaar zijn op het moment van uitoefening kunnen werknemers er voor kiezen om meteen te worden belast in plaats van het latere moment dat de aandelen verhandelbaar worden.

Onder verhandelbaar zijn, wordt verstaan het moment waarop eventuele wettelijke of contractuele vervreemdingsrestricties worden opgeheven en de betreffende werknemer de bij uitoefening verkregen aandelen kán vervreemden. Óf de werknemer ervoor kiest om daadwerkelijk te vervreemden is niet van belang. Overigens zijn de dividenden die worden uitgekeerd op de aandelen tot het moment waarop de aandelen kunnen worden verhandeld, als loon belast bij de werknemer in de situatie dat de werknemer belast is op het moment van verhandelbaar worden van de aandelen.

Om een al te lange belastinguitstel tegen te gaan, wordt het optie voordeel waarbij de werknemer de aandelen nog niet kan verkopen, uiterlijk belast vijf jaar na de verkrijging van de aandelen (voor beursgenoteerde onderneming), dan wel vijf jaar na de beursgang (voor aanvankelijk niet-beursgenoteerde onderneming). Deze vijfjaarstermijn geldt niet voor wettelijke verkooprestricties.


Brede werking

Met het voorstel komt de wetgever tegemoet aan de problemen bij startups, waarbij er in het begin nog geen markt is voor de aandelen. Daarnaast kan deze regeling ook gelden voor ondernemingen waarvan de aandelen wel verhandelbaar zijn, bijvoorbeeld aan de beurs. Indien de werkgever de werknemer contractueel verplicht om de aandelen, na uitoefening van de optie, een bepaalde tijd aan te houden, wordt de belastingheffing eveneens uitgesteld tot het moment waarop de verkooprestrictie vervalt. Ook in dat geval kan de werknemer toch kiezen voor heffing bij uitoefening van de optie. Met de lancering van het voorstel schaft de wetgever de faciliteit voor ondernemingen met een S&O verklaring af.

Gerichte vrijstelling thuiswerkkosten

Gezien de nieuwe norm van hybride werken (deels thuis, deels op kantoor), wil het kabinet de mogelijkheid bieden aan werkgevers om een thuiswerkvergoeding te verstrekken. Door een nieuwe gerichte vrijstelling te introduceren is het straks mogelijk om een dergelijke vergoeding vrij van loonheffingen toe te kennen. De vrijstelling geldt voor een vast bedrag van maximaal € 2 per thuisgewerkte dag. Met dit bedrag worden bijvoorbeeld extra water- en elektriciteitsverbruik, verwarming, koffie, thee en toiletpapier vergoed. Kosten gemaakt ten behoeve van het inrichten van de thuiswerkplek vallen niet onder de vrijstelling, omdat daarvoor al gerichte vrijstellingen bestaan.

De thuiswerkkostenvergoeding kan niet tegelijkertijd met de reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer van toepassing zijn. Als op een dag én thuis wordt gewerkt én op de vaste werkplek, kan de werkgever voor die dag slechts één van beide vergoedingen toepassen. De werkgever en werknemer kunnen afspreken hoeveel werkdagen er op kantoor en thuis wordt gewerkt en aan de hand van deze verdeling een combinatievergoeding afspreken. Een incidentele wijziging in de verdeling van de dagen leidt niet tot een aanpassing van de vergoeding. Dit hoeft pas bij een structurele wijziging van het afgesproken werkpatroon.

Tijdelijke verruiming werkkostenregeling

De werkkostenregeling bepaalt de ruimte waarbinnen werkgevers vergoedingen en verstrekkingen aan hun werknemers kunnen geven zonder dat deze belast worden, de zogenoemde vrije ruimte. De vrije ruimte bedraagt voor het kalenderjaar 2021 3% tot een bedrag van € 400.000 van de fiscale loonsom en daarboven 1,18%. Het percentage in de eerste schrijf was voorheen 1,7%, maar is vanwege de corona-pandemie in 2020 en 2021 verruimd naar 3%. Voor 2021 was dat al wel in een besluit goedgekeurd, maar nog niet in de wet vastgelegd. Dat gebeurt nu alsnog.

Verlenging gebruikelijkloonregeling innovatieve start-ups

De tijdelijke maatregel die directeur-grootaandeelhouders van innovatieve start-ups de mogelijkheid geeft om hun gebruikelijk loon vast te stellen op het wettelijk minimumloon wordt verlengd met één jaar tot 1 januari 2023. De looptijd van de bepaling is verlengd, omdat de evaluatie van de regeling nog niet is afgerond. De regeling beoogt innovatieve start-ups te stimuleren door een verbetering van hun liquiditeitspositie. Als de maatregel positief wordt beoordeeld, zal zij permanent in werking treden. Anders vervalt de regeling per 1 januari 2023.

Vereenvoudigen en verduidelijken systematiek S&O-afdrachtvermindering

De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA) regelt een afdrachtvermindering voor speur- en ontwikkelingswerk. Per 1 januari 2022 geldt dat bedrijven steeds een nieuwe aanvraag voor afdrachtsvermindering kunnen indienen die de eerstvolgende kalendermaand begint, ook als eerder reeds een aanvraag voor die kalendermaand is gedaan. Het maximumaantal aanvragen blijft beperkt tot vier per jaar.

Bedrijven dienen aan het einde van het jaar mededeling te doen over de gemaakte kosten met betrekking tot dit speur- en ontwikkelingswerk. Bij het opvoeren van deze kosten hoeft nu niet meer nader geduid te worden op welke aanvraag deze kosten betrekking hadden, waar dit eerst wel het geval was. Verder is verduidelijkt dat slechts die kosten die bij de aanvraag reeds voorzien en meegenomen waren, in deze mededeling opgenomen mogen worden.

Did you find this useful?