Belastingplan 2022 – Overzicht maatregelen vennootschapsbelasting

Article

Overzicht maatregelen vennootschapsbelasting

Belastingplan 2022 - Prinsjesdag

Hierbij een overzicht van de maatregelen in het pakket Belastingplan 2022 met betrekking tot de vennootschapsbelasting.

18 oktober 2021

Overzicht maatregelen vennootschapsbelasting

English version

Terug naar overzicht Belastingplan 2022

Webcast Belastingplan 2022

Corina van Lindonk, Aart Nolten en Eddo Hageman bespraken het nieuwe Belastingplan.

Kijk terug (30 min.)

Wijziging van het tarief van de vennootschapsbelasting

Tariefstructuur en earningsstripping

Het toptarief in de vennootschapsbelasting wordt in 2022 verhoogd naar 25,8% (2021: 25%). Tot een belastbaar bedrag van € 395.000 (2021: € 245.000) geldt in 2022 een tarief van 15%. Zie de onderstaande tabel voor de tariefstructuur. De cijfers voor 2021 zijn ter vergelijking.

Jaar 2021 2022
Opstaptarief 15.0% (belastbaar bedrag tot € 245.000) 15.0% (belastbaar bedrag tot € 395.000)
Toptarief 25.0% (belastbaar bedrag > € 245.000) 25.8% (belastbaar bedrag > € 395.000)

 

Verder wordt de earningsstrippingmaatregel per 1 januari 2022 aangescherpt, door beperking van de renteaftrek tot 20% van de fiscale EBITDA, waar dat nu nog 30% is. Het drempelbedrag van € 1 mln. wordt vooralsnog ongemoeid gelaten. In de komende periode zal worden bezien of wettelijke maatregelen nodig zijn om het ‘opknippen’ van vennootschappen, teneinde vaker gebruik te kunnen maken van voornoemd drempelbedrag, te voorkomen.

Verrekenprijsmismatches

Achtergrond

Het kabinet heeft een wetsvoorstel ingediend dat beoogt ontwijking van (Nederlandse) vennootschapsbelasting door internationale interpretatieverschillen op het zakelijkheidsbeginsel tegen te gaan, ook wel verrekenprijsmismatches genoemd. Het is de bedoeling om nieuwe bepalingen in de Nederlandse wet op de vennootschapsbelasting op te nemen met ingang van boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2022, op grond waarvan niet langer een neerwaartse correctie wordt toegestaan in situaties waarin een andere staat geen overeenkomstige opwaartse correctie oplegt. Het voorstel is grotendeels in overeenstemming met het in maart gepubliceerde consultatiedocument, maar de bepalingen zijn uitgebreider en bevatten enkele welkome verduidelijkingen.


Geen overeenkomstige opwaartse correctie

Indien een buitenlandse entiteit een renteloze lening verstrekt aan een Nederlandse BV, zou de Nederlandse BV naar huidig recht een zakelijke rentelast op de lening in aftrek mogen brengen, ongeacht of op het niveau van de buitenlandse entiteit rekening wordt gehouden met een overeenkomstige rentebate. Volgens het voorstel mag de BV de rente alleen aftrekken voor zover het buitenlandse lichaam een zakelijke renteopbrengst in zijn belastinggrondslag opneemt. De rente-inkomsten moeten worden betrokken in een naar de winst geheven belasting. Dit is het geval als het andere land een winstbelasting heeft en het bedrag van de corresponderende opwaartse aanpassing aldaar in de grondslag van een winstbelasting wordt betrokken. Soortgelijke regels zijn van toepassing als een lening zou worden verstrekt aan een buitenlandse entiteit, waarbij een rentetarief wordt overeengekomen dat hoger is dan een ‘at arm’s length’-tarief. Het voorstel bevat uitleg en verklarende voorbeelden over de wijze waarop de relevante gelieerde partij voor de toepassing van de nieuwe regels moet worden bepaald.


Dubbele aftrek

Situaties van een verrekenprijsmismatch in de zin van het voorstel kunnen zich ook voordoen in situaties van dubbele aftrek, bijvoorbeeld wanneer kosten worden gemaakt en afgetrokken op het niveau van een entiteit, terwijl deze kosten volgens de lokale verrekenprijsregels (ook) op het niveau van een andere gelieerde entiteit zouden thuishoren. Als de Nederlandse BV dit andere concernonderdeel zou zijn, zou de aftrek op basis van de voorgestelde regels worden verworpen.


Grondslag voor afschrijving

Indien een activum door een groepsonderdeel wordt overgedragen aan een Nederlandse BV, zou de Nederlandse BV in beginsel gerechtigd zijn om het activum voor de Nederlandse vennootschapsbelasting te waarderen tegen de waarde in het economische verkeer. Als het inbrengende lichaam echter slechts een lagere waarde dan de waarde in het economische verkeer van het activum in aanmerking zou nemen in zijn belastinggrondslag, zou de nieuwe bepaling de Nederlandse BV verplichten die lagere waarde in aanmerking te nemen als de waarde voor de vennootschapsbelasting. Voor de toepassing van deze regel kunnen onder "activa" zowel bedrijfsmiddelen als vorderingen worden verstaan. Een soortgelijke regel is opgenomen voor schulden.


Hybride lichamen

Het voorstel bevat specifieke regels voor structuren met (omgekeerde) hybride lichamen. Kort gezegd kunnen zich twee situaties voordoen waarin sprake is van een hybride lichaam:

  • een transactie tussen een Nederlandse BV en een omgekeerd hybride lichaam (d.w.z. een entiteit die voor Nederlandse belastingdoeleinden transparant is en voor lokale belastingdoeleinden niet-transparant): vanuit Nederlands belastingperspectief dienen de deelnemers in het omgekeerde hybride lichaam in beginsel een overeenkomstige correctie te maken om een neerwaartse correctie op het niveau van de Nederlandse BV mogelijk te maken. Het omgekeerde hybride lichaam is de relevante gelieerde entiteit voor de toepassing van de voorgestelde regels. Derhalve mag op het niveau van de Nederlandse BV alleen een neerwaartse correctie worden toegepast voor zover op dat niveau een overeenkomstige opwaartse correctie wordt toegepast; en
  • een transactie tussen een Nederlandse BV en een hybride lichaam (d.w.z. een lichaam dat voor lokale belastingdoeleinden transparant is en voor Nederlandse belastingdoeleinden niet-transparant): volgens het voorstel mag een overeenkomstige opwaartse correctie op het niveau van de deelnemers in het hybride lichaam in aanmerking worden genomen mits het hybride lichaam lokaal als fiscaal transparant wordt behandeld. Dit geldt ook als de eigendomsketen uit meerdere hybride lichamen bestaat.


Inbreng en uitkeringen

Ten opzichte van het consultatiedocument is een aanvullende regel geïntroduceerd voor situaties waarin een vermogensbestanddeel aan een Nederlandse belastingplichtige wordt overgedragen via een formele kapitaalstorting of dividenduitkering (met inbegrip van liquidatieopbrengsten en terugbetalingen van aandelenkapitaal). Volgens de voorgestelde regel worden activa die via een dergelijke transactie aan de Nederlandse belastingplichtige worden overgedragen, op dezelfde manier behandeld als overdrachten van activa die onder de nieuwe regels voor de grondslag voor afschrijving vallen (zie hierboven). Dit betekent dat voor activa die worden overgedragen in een boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2022, de boekwaarde voor Nederlandse vennootschapsbelastingdoeleinden in beginsel wordt beperkt tot de waarde die in aanmerking wordt genomen op het niveau van de overdrager.


Inwerkingtreding en overgangsrecht

Zoals gezegd, is het de bedoeling de nieuwe wettelijke bepalingen in te voeren voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2022. Alleen met betrekking tot de beperking van de afschrijvingsbasis kunnen de regels terugwerkende kracht hebben onder de volgende voorwaarden:

  1. de Nederlandse belastingplichtige heeft een activum ontvangen van een gelieerd lichaam in een boekjaar dat is aangevangen in de periode tussen 1 juli 2019 en 1 januari 2022 (in het consultatiedocument was een periode van 5 jaar opgenomen);
  2. er is nog een grondslag voor afschrijving aan het begin van dat eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2022; en
  3. het activum zou op een lager bedrag zijn gewaardeerd indien de nieuwe regels zouden zijn toegepast.


Als aan deze voorwaarden is voldaan, zullen de afschrijvingen op het activum vanaf het eerste boekjaar dat op of na 1 januari 2022 begint, worden berekend op basis van het laagste van de volgende bedragen:

  1. de waarde die het bedrijfsmiddel op het tijdstip van de overdracht zou hebben gehad indien het voorgestelde nieuwe artikel op dat tijdstip van toepassing zou zijn geweest; of
  2. de boekwaarde van het vermogensbestanddeel op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het eerste boekjaar dat op of na 1 januari 2022 aanvangt.


De overgangsregeling heeft alleen betrekking op het bedrag dat mag worden afgeschreven. Het is wel van invloed op de fiscale boekwaarde van het betrokken bedrijfsmiddel. Dit geldt zowel voor reguliere vermogensoverdrachten als voor overdrachten via een inbreng of uitkering.

Omgekeerde hybride lichamen behandeld als fiscaal ingezetenen en inhoudingsplichtigen

Achtergrond

Het voorstel bevat wijzigingen in de vennootschapsbelasting, de dividendbelasting en de bronbelasting. Voorgesteld wordt om de bepalingen van toepassing te laten zijn voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2022.


Wijzigingen in de vennootschapsbelasting

Naar aanleiding van de implementatie van ATAD2 zijn al specifieke regels aangenomen met betrekking tot de belastingplicht van omgekeerde hybride lichamen vanaf 1 januari 2022. In het voorstel worden deze regels teruggedraaid en vervangen door vergelijkbare nieuwe regels. Volgens het voorstel is een omgekeerd hybride lichaam een naar Nederlands recht aangegaan samenwerkingsverband of een in Nederland gevestigd samenwerkingsverband dat - zonder de toepassing van deze regel - als transparant wordt aangemerkt voor de Nederlandse belastingheffing (bijvoorbeeld een CV), terwijl ten minste 50% van de stemrechten, het kapitaal of de winstrechten direct of indirect wordt gehouden door een of meer gelieerde lichamen die de entiteit als niet-transparant beschouwen. Een dergelijke omgekeerd hybride lichaam wordt binnenlands belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. In dit kader is de oorsprongseis, die geldt bij de toepassing van de reguliere hybride mismatchmaatregelen, niet van belang. Om dubbele belasting te voorkomen wordt voorzien in een aftrekmogelijkheid voor winsten die toerekenbaar zijn aan participanten die het omgekeerd hybride lichaam niet als een belastingplichtige voor een naar de winst geheven beschouwen, mits dit gedeelte van de winst bij de participanten in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken. Als gevolg daarvan zal het omgekeerd hybride lichaam belastingplichtig zijn voor zover de inkomsten van deze entiteit niet worden belast op het niveau van de participanten.

Volgens het voorstel zal de omgekeerde hybride-regel niet gelden voor gereglementeerde collectieve beleggingsfondsen (icbe's en kwalificerende abi's) die een naar Nederlands recht aangegaan samenwerkingsverband of een in Nederland gevestigd samenwerkingsverband zijn.

Vanwege de onbeperkte belastingplicht worden omgekeerde hybride lichamen beschouwd als inwoners van Nederland, waardoor deze ook als verdragsinwoners zullen worden aangemerkt. Vennootschapsbelastingplichtigen die een belang houden in een omgekeerd hybride lichaam kunnen in aanmerking komen voor de deelnemingsvrijstelling, mits zij een winstaandeel van minimaal 5 procent houden. Omdat omgekeerde hybride lichamen vanaf 2022 als fiscaal inwoner in Nederland worden aangemerkt, zijn de 'reguliere' anti-hybrideregels niet meer van toepassing op betalingen door een belastingplichtige aan die lichamen.


Wijzigingen in de dividendbelasting

De omgekeerde hybride lichamen waarvoor de hierboven toegelichte vennootschapsbelastingregel geldt zal als opbrengstgerechtigde worden aangemerkt en als zodanig onderworpen zijn aan dividendbelasting. Daarnaast wordt het omgekeerd hybride lichaam ook inhoudingsplichtig ten opzichte van de participanten in deze lichamen, en wel voor zover het door de participant gehouden belang als een 'aandeel' wordt aangemerkt. Dit zal alleen het geval zijn als de participant het omgekeerd hybride lichaam als een belastingplichtige voor een naar de winst geheven belasting kwalificeert. Om te voorkomen dat de vrijstelling van dividendbelasting onverkort kan worden toegepast door de tussenplaatsing van een omgekeerd hybride lichaam, terwijl dit zonder die tussenplaatsing niet het geval zou zijn, wordt een antimisbruikregel voorgesteld.


Wijzigingen in de bronbelasting

In lijn met de wijzigingen in de dividendbelasting zal het omgekeerd hybride lichaam voor de toepassing van de hierboven toegelichte regel voor de vennootschapsbelasting ook worden aangemerkt als de voordeelgerechtigde voor de bronbelasting. Een omgekeerd hybride lichaam zal echter alleen belastingplichtig zijn voor zover de aan deze entiteit betaalde rente of royalty's zijn toe te rekenen aan de participanten die de entiteit niet als belastingplichtige voor een naar de winst geheven belasting beschouwen en een rechtstreekse betaling aan de participanten onderworpen zou zijn aan de bronbelasting op rente en royalty's (d.w.z. een gelieerde partij die is gevestigd in een laagbelastende of niet-coöperatieve jurisdictie). Daarnaast wordt het omgekeerde hybride lichaam inhoudingsplichtig jegens zijn voordeelgerechtigde (gelieerde partijen gevestigd in een laagbelastende of niet-coöperatieve jurisdictie) behalve als de voordeelgerechtigde een participant in het omgekeerd hybride lichaam is die is gevestigd in een land dat het omgekeerd hybride lichaam niet als belastingplichtige ziet.

Uitbreiding toepassingsbereik ATAD2-regels

De ATAD2-regels die sinds 1 januari 2020 van kracht zijn, zijn in beginsel alleen van toepassing op betalingen tussen de belastingplichtige en een aan hem gelieerd lichaam. Voorgesteld wordt om de reikwijdte van de definitie van gelieerde lichamen te verruimen. In de toekomst zullen de regels ook van toepassing zijn als er een hybride mismatch ontstaat tussen een Nederlandse vennootschapsbelastingplichtige en een gelieerd natuurlijk persoon.

Verrekenvolgorde bij CFC-maatregel

Naar aanleiding van de EU-richtlijn ter bestrijding van belastingontwijking heeft Nederland een regel ingevoerd op grond waarvan de winsten van gecontroleerde buitenlandse vennootschappen (CFC's) in landen die op de Nederlandse lijst van laagbelastende en niet-coöperatieve jurisdicties staan, worden belast op het niveau van de Nederlandse moedermaatschappij. Een vergelijkbare regel geldt ten aanzien van buitenlandse vaste inrichtingen. Volgens de Nederlandse CFC-regels kan de door de jurisdictie van de CFC geheven winstbelasting onder omstandigheden worden verrekend met de door de moedermaatschappij verschuldigde Nederlandse vennootschapsbelasting. De moedermaatschappij heeft geen recht op teruggaaf. Het niet-verrekende bedrag kan worden gestald om in latere jaren te worden verrekend. De Staatssecretaris van Financiën stelt voor in welke volgorde die buitenlandse winstbelastingen kunnen worden verrekend als de moedermaatschappij meer dan één CFC heeft. Hij stelt een verplichte volgorde voor om de buitenlandse belastingen te verrekenen door eerst het laagste bedrag te verrekenen, gevolgd door de oplopende bedragen. Indien de te verrekenen bedragen identiek zijn, moeten beide bedragen in aanmerking worden genomen voor een evenredig bedrag.

Beperking verrekening dividendbelasting voor portfolio aandeelhouders

Naar Nederlands recht wordt de dividendbelasting beschouwd als een voorheffing op de vennootschapsbelasting. Als zodanig is een in Nederland gevestigde vennootschap die een portfoliodividend ontvangt, onderworpen aan dividendbelasting, die zij kan verrekenen met de verschuldigde vennootschapsbelasting. Als het bedrag aan verschuldigde vennootschapsbelasting te laag is, heeft de vennootschap recht op teruggaaf voor het deel dat niet kon worden verrekend. Dit is ook het geval wanneer de vennootschap in een verliespositie verkeert.

Aangezien deze mogelijkheid tot teruggaaf alleen openstaat voor in Nederland gevestigde portfolio aandeelhouders, is de Staatssecretaris van Financiën van mening dat de behandeling mogelijk in strijd is met het EU-recht. Hij verwees naar het Sofina-arrest van het HvJ EU, waarin het HvJ EU een oordeelde dat vergelijkbare Franse wetgeving in strijd was met het EU-recht. Daarom stond hij, als tijdelijke oplossing, de teruggaaf van te veel ingehouden bronbelasting ook toe aan niet-ingezeten vennootschapsbelastingplichtigen. Tegelijkertijd kondigde hij een meer structurele oplossing aan, waardoor binnenlandse situaties voortaan niet meer voor teruggaaf in aanmerking zouden komen. Bij de inwerkingtreding van die structurele oplossing zou de tijdelijke oplossing ophouden te bestaan.

In het Belastingplan 2022 wordt voorgesteld om de structurele oplossing op 1 januari 2022 in werking te laten treden. De mogelijkheden om de dividendbelasting te verrekenen met de door ingezeten portfolio aandeelhouders verschuldigde vennootschapsbelasting worden beperkt tot het bedrag van de vóór de verrekening van de dividendbelasting verschuldigde vennootschapsbelasting. Deze beperking van de verrekening van dividendbelasting is alleen van toepassing op belastingplichtigen die:
 

  1. niet in een positie verkeren waarin vennootschapsbelasting verschuldigd is, bijvoorbeeld omdat zij verliezen lijden of recht hebben op voorkoming van dubbele belasting; of
  2. zich in een situatie bevinden waarin wel vennootschapsbelasting verschuldigd is, maar het betrokken bedrag lager is dan de te verrekenen bronbelasting; en
  3. een aandelenbezit hebben van minder dan 5% in een in Nederland gevestigd lichaam dat inhoudingsplichtig is voor de dividendbelasting.


Als de dividendbelasting niet of niet volledig kan worden verrekend met de in een bepaald jaar verschuldigde vennootschapsbelasting, kan de niet-verrekende dividendbelasting zonder beperking in de tijd worden doorgeschoven. Als in een later jaar vennootschapsbelasting verschuldigd is, moet de vennootschapsbelastingplichtige eerst de dividendbelasting van het betrokken jaar verrekenen voordat hij de niet-verrekende bedragen van voorgaande jaren mag verrekenen.

De invoering van deze regel sluit aan bij diverse bepalingen in de vennootschapsbelasting. Om die reden wordt een aantal maatregelen voorgesteld om de samenloop met de fusiefaciliteiten en de fiscale eenheidsregeling te regelen. De regels die de verrekening van dividendbelasting beperken, gelden ook voor de mogelijkheden tot verrekening van Nederlandse kansspelbelasting.

Reparatie verrekening houdsterverliezen

De Hoge Raad heeft in een arrest van 11 juni 2021 nadere uitleg gegeven over de samenloop tussen de verliesverrekeningsregels en het fiscale-eenheidsregime in de vennootschapsbelasting. Hierdoor is volgens de wetgever een risico ontstaan dat belastingplichtigen tot onbedoelde verrekening van houdster- en financieringsverliezen kunnen komen met reguliere winsten, met een aanzienlijke budgettaire derving tot gevolg. Bij nota van wijziging is daarom een nieuwe bepaling toegevoegd. Daarin wordt enerzijds de winsttoerekening aan de oprichters van een nieuwe dochtermaatschappij binnen fiscale eenheid gehandhaafd. Maar als de oprichters over houdsterverliezen beschikken, worden voor toepassing het overgangsregime van de houdsterverliesregeling vanaf 1 januari 2022 ook het vermogen en de werkzaamheden van de nieuwe dochtermaatschappij toegerekend aan de oprichters (eveneens naar rato van de kapitaalinbreng).

Wijzigingen in de bronbelasting

Het begrip vaste inrichting voor de toepassing van de bronbelasting wordt met ingang van 1 januari 2022 gewijzigd. In overeenstemming met het begrip vaste inrichting zoals opgenomen in de vennootschapsbelasting zal de werkingssfeer worden verruimd. Als gevolg hiervan zal ook bronbelasting worden geheven op rente- en royaltybetalingen aan entiteiten in laagbelastende of niet-coöperatieve jurisdicties, voor zover deze zijn toe te rekenen aan specifieke Nederlandse bronnen, zoals in Nederland gelegen onroerende zaken.

Tevens wordt een verduidelijking aangebracht in een van de hybride bepalingen van de Wet bronbelasting 2021. Onder het huidige recht is niet duidelijk of automatisch aan deze bepaling wordt voldaan indien geen sprake is van minimaal één achterliggende gerechtigde met een kwalificerend belang in het hybride lichaam. Verduidelijkt wordt dat dit wel het geval is, waardoor het hybride lichaam niet inhoudingsplichtig is. Deze wijziging wordt ingevoerd met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2021.

Did you find this useful?