Beleidsbesluit over hybride geldleningen | Deloitte

Article

Beleidsbesluit over hybride geldleningen

De Staatssecretaris van Financiën heeft een beleidsbesluit gepubliceerd over de fiscale kwalificatie van geldleningen met een (zeer) lange looptijd en een hoger schuldaansprakelijkheidsrisico.

13 september 2017

English version

Kwalificatie van leningen

In Nederland wordt onderscheid gemaakt tussen de fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen. Een (informele of formele) storting op aandelenkapitaal geldt als eigen vermogen, een geldlening is uiteraard vreemd vermogen. Globaal gezegd is de vergoeding voor het verschaffen van eigen vermogen (dividend) voor de betaler niet aftrekbaar en voor de ontvanger onbelast (indien de deelnemingsvrijstelling van toepassing is). De vergoeding voor het verschaffen van vreemd vermogen (rente) is voor de betaler in beginsel aftrekbaar, en voor de ontvanger belast. Bij gewone geldleningen is duidelijk dat sprake is van vreemd vermogen. In de financiële wereld wordt echter regelmatig gebruik gemaakt van tussenvormen, waarbij de geldverstrekking zowel kenmerken van een lening als karaktertrekken van eigen vermogen heeft (hybride geldleningen). Dit kan een fiscale achtergrond hebben, maar soms zijn daar ook bedrijfseconomische motieven voor.


(Her)kwalificatie van een vermogensverschaffing

Als een hybride geldlening is verstrekt, moet de vermogensverschaffing fiscaal worden gekwalificeerd als eigen vermogen dan wel als vreemd vermogen. Als sprake is van een terugbetalingsverplichting, geldt als uitgangspunt dat de vermogensverschaffing zowel civielrechtelijk als fiscaal een lening is. Onder omstandigheden kan echter voor fiscale doeleinden herkwalificatie tot eigen vermogen plaatsvinden. Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad bestaan er drie categorieën van leningen die fiscaal als eigen vermogen moeten worden geduid. Dit zijn de schijnlening, de bodemlozeputlening en de deelnemerschapslening. De deelnemerschapslening is van de genoemde drie soorten hybride leningen de variant waarover de duidelijkste rechtspraak bestaat. Daaruit blijkt dat in beginsel sprake is van een deelnemerschapslening als de lening is achtergesteld bij alle concurrente crediteuren, een looptijd heeft van meer dan 50 jaar, tussentijdse opeising door de crediteur slechts mogelijk is bij liquidatie, faillissement en/of surseance van betaling en de rente (nagenoeg geheel) afhankelijk is van de winst van de debiteur. In de vennootschapsbelasting is bepaald dat een deelnemerschapslening onder de deelnemingsvrijstelling valt als de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon reeds op grond van aandelenbezit in de debiteur een deelneming heeft.


Perpetuals

In een recent beleidsbesluit heeft de staatssecretaris van Financiën zich uitgelaten over de kwalificatie van leningvormen waarbij een hogere mate van schuldaansprakelijkheid is gekoppeld aan een lange, soms onbeperkte looptijd. De staatssecretaris neemt de positie in dat een lening met een onbeperkte looptijd (perpetuals) waarbij de geldverstrekker bij faillissement of ontbinding van de schuldeiser een recht op aflossing heeft dat gelijk in rang is met de (preferente) aandeelhouders (schuldaansprakelijkheid), geen geldlening is. Volgens de staatssecretaris is namelijk geen sprake van een voor een geldlening kenmerkende terugbetalingsverplichting. In het besluit keurt de staatssecretaris goed dat op dergelijke leningen de deelnemingsvrijstelling van toepassing is, ondanks dat strikt genomen geen sprake zou zijn van een deelnemerschapslening. Wel moet overigens aan de voorwaarden voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling zijn voldaan. Bij de crediteur of een met hem verbonden lichaam moet dus reeds sprake zijn van een deelneming op grond van het aandelenbezit in de debiteur. Ook moet de geldverstrekker voor het aangaan van de perpetual bij de inspecteur een schriftelijk verzoek indienen om toepassing van de goedkeuring, waarbij hij tevens moet verklaren dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is ongeacht of dat voor hem voordelig is. Ten slotte merkt de staatssecretaris op dat de betaler van de vergoeding op een dergelijke perpetual geen dividendbelasting hoeft in te houden.


Variant met vaste looptijd

In het beleidsbesluit wordt ook aandacht besteed aan de schuldaansprakelijke lening met een vaste looptijd. Dat vindt de staatssecretaris wel een echte lening, ondanks het hogere risicoprofiel. Ook indien de looptijd zodanig lang is dat daaraan geen zelfstandige betekenis toekomt, is volgens de staatssecretaris sprake van een geldlening, mits er geen andere gronden zijn waardoor de lening als kapitaal moet worden geduid. De staatssecretaris is van mening dat een schuldaansprakelijke lening met een vaste looptijd van meer dan vijftig jaar wel als een deelnemerschapslening kwalificeert indien de vergoeding winstafhankelijk is. In het beleidsbesluit gaat hij tevens dieper in op het element winstafhankelijkheid. Volgens de bewindsman is daarvan sprake als een vaste rente door de geldnemer kan worden uitgesteld bij afwezigheid van winst of als ‘dividend wordt gecombineerd met schuldaansprakelijkheid’.


Belang van het besluit

Juist vanwege de relatieve duidelijkheid in de rechtspraak was de deelnemerschapslening tot voor kort vrij populair in de internationale belastingadviespraktijk. Als bijvoorbeeld het land waarin de debiteur van een dergelijke lening is gevestigd, een deelnemerschapslening als een gewone lening ziet, terwijl Nederland aan de crediteurszijde de deelnemingsvrijstelling toepast, kan de rente ter zake van de lening bij de (concern)debiteur aftrekbaar zijn zonder dat daar heffing bij de (concern)crediteur tegenover staat. Sinds 1 januari 2016 is de Nederlandse deelnemingsvrijstelling echter uitgesloten voor een ontvangen vergoeding die bij de buitenlandse debiteur van de winst aftrekbaar is.

Desalniettemin is het van belang om een lening fiscaal te kwalificeren. De kwalificatie geldt immers ook voor een Nederlandse debiteur, en is daarom van belang voor de aftrekbaarheid van de betaalde vergoeding. Voorts geldt de zojuist beschreven uitsluiting van de deelnemingsvrijstelling slechts voor de (ontvangen) vergoeding, niet voor de hoofdsom. Winsten en verliezen ter zake van de hoofdsom van een deelnemerschapslening vallen derhalve onder de deelnemingsvrijstelling, en raken dus de belastbare winst niet. In dit kader is van belang om te beseffen dat het besluit, voor zover het betrekking heeft op schuldaansprakelijke perpetuals, een goedkeurend karakter heeft. Uit het beleidsbesluit blijkt ook dat de staatssecretaris van mening is dat een dergelijke leningvorm juist geen deelnemerschapslening is. Onduidelijk is echter of hij hiermee ook het standpunt heeft ingenomen dat de deelnemingsvrijstelling (zonder de goedkeuring) niet van toepassing kan zijn op een schuldaansprakelijke perpetual.

Voor de crediteur kan het niet toepassen van de deelnemingsvrijstelling juist voordelig zijn, omdat (boek)verliezen op de lening in dat geval aftrekbaar zijn. Het belangrijkste winstpunt van het beleidsbesluit is dat het beter inzichtelijk maakt op welke manier de belastingdienst aankijkt tegen schuldaansprakelijke leningen (al dan niet met een beperkte looptijd). Dat dient de rechtszekerheid, en daarmee is iedereen gebaat.


Bron: Besluit van 29 augustus 2017, nr. 2017-38941, Stcr. 2017, nr. 50521

Vond u dit nuttig?