Belgische fairness tax en Franse surtax deels in strijd met EU-recht

Article

Belgische fairness tax en Franse surtax deels in strijd met EU-recht

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) heeft op 17 mei 2017 uitspraak gedaan over de vraag of de Belgische ‘fairness tax’ en de Franse ‘surtax op dividenduitkeringen’ verenigbaar zijn met primair en secundair EU-recht

24 mei 2017

English version

Inleiding

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) heeft op 17 mei 2017 uitspraak gedaan over de vraag of de Belgische ‘fairness tax’ en de Franse ‘surtax op dividenduitkeringen’ verenigbaar zijn met primair en secundair EU-recht. Het HvJ EU volgt grotendeels het advies van Advocaat-Generaal (AG) Kokott, die stelt dat de belasting gedeeltelijk onverenigbaar is met de Europese Moeder-Dochter Richtlijn (MDR).


Fairness Tax en surtax

België past sinds 2014 de zogenoemde fairness tax toe, een afzonderlijke inkomstenbelasting op dividenduitkeringen naar een tarief van 5.15%. Deze geldt voor ondernemingen (met uitzondering van kleine of middelgrote ondernemingen) die belastbaar inkomen in het uitkeringsjaar verrekenen met de fictieve renteaftrek van het huidige jaar en/of met voorwaarts verrekenbare verliezen. De fairness tax is van toepassing op zowel binnenlands belastingplichtige ondernemingen als vaste inrichtingen van buitenlandse ondernemingen.

De Franse surtax is een heffing van 3% over dividenduitkeringen die worden gedaan door in Frankrijk gevestigde vennootschappen. De belastingplichtige voor de surtax is de dividend uitkerende vennootschap.


Conclusie A-G

Het oordeel van AG Kokott in de zaak met betrekking tot de Belgische ‘fairness tax’ is op 17 november 2016 gepubliceerd. Zij is van mening dat de fairness tax geen inbreuk maakt op de vrijheid van vestiging. Het is ook geen bronbelasting die onder de MDR niet zou zijn toegestaan. De fairness tax maakt volgens de A-G echter wel inbreuk op de MDR indien deze te betalen is na een dooruitdeling van ontvangen dividenden.


Oordeel Hof van Justitie EU

Het oordeel van het HvJ EU stemt grotendeels overeen met de conclusie van de AG:

  • De fairness tax maakt geen inbreuk op de vrijheid van vestiging, mits de Belgische nationale rechter bevestigt dat een buitenlandse onderneming met een Belgische vaste inrichting in de praktijk bij het berekenen van de belastinggrondslag van de fairness tax niet minder gunstig wordt behandeld dan een Belgische vennootschap;
  • De fairness tax is geen verboden bronbelasting onder de MDR; en
  • De fairness tax maakt inbreuk op het vereiste in de MDR dat lidstaten zich dienen te onthouden van het belasten van ontvangen dividenden. Hoewel lidstaten is toegestaan om tot 5% van het ontvangen dividend te behandelen als niet-aftrekbare kosten, kan de fairness tax ertoe leiden dat meer dan de toegestane 5% effectief wordt belast. Voor zover de fairness tax leidt tot een hogere belastingdruk is dit in strijd met de MDR.

De prejudiciële vraag in de zaak van de Franse surtax beperkte zich tot de vraag naar de verenigbaarheid met de bepalingen van de MDR. Omdat de Franse surtax veel vergelijkbare kenmerken heeft als de Belgische fairness tax, is de Franse zaak door het HvJ EU afgedaan zonder voorafgaande conclusie. In een apart arrest, gewezen op dezelfde dag als het arrest over de fairness tax, besliste het HvJ EU op vergelijkbare wijze.


Opmerkingen

De zaken worden nu terugverwezen naar de Belgische en Franse nationale rechter. Deze dienen nu zelf met een oordeel te komen, rekening houdend met de bevindingen van het HvJ EU. Indien de conclusie is dat de heffingen inbreuk maken op de EU-wetgeving, zijn de rechters bevoegd de fairness tax respectievelijk de surtax-wetgeving geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te laten. Het is nog niet bekend wanneer de rechters arrest zullen wijzen. Wij merken op dat beide heffingen inmiddels dusdanig zijn aangepast dat zij meer in overeenstemming zijn met EU-wetgeving. Of dit voldoende is, zal nog moeten blijken.

Vond u dit nuttig?