Belgische renteaftrekbeperking is in strijd met de Moeder-dochterrichtlijn

Article

Belgische renteaftrekbeperking is in strijd met de Moeder-dochterrichtlijn

Het Hof van Justitie oordeelt dat een renteaftrekbeperking weliswaar kan zijn toegestaan onder de richtlijn, maar dan moet wel een causaal verband aanwezig zijn tussen de niet-aftrekbare rente en de financiering van de verwerving van een deelneming.

15 januari 2018

Op 26 oktober 2017 heeft het Hof van Justitie bepaald dat een Belgische renteaftrekbeperking in strijd is met de bepalingen van de Moeder-dochterrichtlijn.

Feiten en omstandigheden

De Belgische kredietinstelling Argenta hield belangen in diverse deelnemingen, die in België en elders in de EU gevestigd waren. Sommige deelnemingen werden langer dan een jaar gehouden, andere deelnemingen korter dan een jaar. De deelnemingen keerden dividend uit aan Argenta. Daarnaast betaalde Argenta rente die betrekking had op spaarrekeningen en beleggingsproducten die zij voor haar klanten aanhield. De rente werd niet betaald voor leningen die waren afgesloten om deelnemingen te verwerven.

Belgische dbi-aftrek

Onder de Belgische wetgeving werden de door Argenta ontvangen dividenden in de grondslag van de belastingheffing betrokken. Vervolgens werd een aftrek van 95% van het ontvangen dividend toegepast. Dit is in beginsel in lijn met de bepalingen van de Moeder-dochterrichtlijn.

De Belgische regeling voor definitief belaste inkomsten (dbi) voorzag daarnaast in een aftrekbeperking voor betaalde rente. Conform de regeling werd de rente niet in aftrek toegestaan tot het bedrag dat aan dividenden was ontvangen van deelnemingen die korter dan een jaar werden gehouden. In geschil was of deze renteaftrekbeperking in overeenstemming is met de bepalingen van de Moeder-dochterrichtlijn.

Arrest

Het Europese Hof van Justitie is van oordeel dat sprake is van een inbreuk op de Moeder-dochterrichtlijn. De richtlijn is gebaseerd op een neutraliteitsgedachte. De kwalificerende ontvangen dividenden moeten daarom effectief onbelast blijven. Door de rente vervolgens niet in aftrek te laten tot het bedrag aan ontvangen dividenden van korter dan een jaar gehouden deelnemingen wordt de neutraliteitsgedachte effectief omzeild.

De Moeder-dochterrichtlijn voorziet weliswaar in een uitzondering die renteaftrekbeperkingen onder bepaalde omstandigheden toestaat, maar deze moet restrictief worden geïnterpreteerd. De uitzondering is opgenomen om te voorkomen dat het land waarin de moedermaatschappij is gevestigd eerst de ontvangen dividenden moet vrijstellen en vervolgens ook nog de kosten die verband houden met de deelneming in aftrek moet toestaan. Dat zou een dubbel voordeel zijn.

Het Hof van Justitie oordeelt daarom dat de renteaftrekbeperking niet in algemene zin betrekking kan hebben op alle betaalde rente, maar alleen kan voorzien in een aftrekbeperking voor rente ten behoeve van de financiering van de verwerving van deelnemingen. Omdat dat in onderhavige kwestie niet aan de orde was, moest de rente in aftrek worden toegestaan.

Mogelijke impact op de Nederlandse wetgeving

In de fiscale literatuur wordt gesuggereerd dat het arrest ook invloed kan hebben op de Nederlandse wetgeving, zoals de bepalingen ten aanzien van excessieve deelnemingsrente. Op basis van die regeling worden renten en kosten ter zake van geldleningen die verband houden met de financiering van deelnemingen niet in aftrek toegestaan voor zover het bedrag aan bovenmatige deelnemingsrente meer bedraagt dan € 750.000. De Nederlandse regeling bevat een vereenvoudigde berekeningsmethode en sluit niet per definitie aan bij de feiten en omstandigheden van het geval. Bovendien ontbreekt een tegenbewijsmogelijkheid voor belastingplichtige. De Nederlandse regeling kan om die redenen een inbreuk op de Moeder-dochterrichtlijn vormen.

Anderzijds moet worden opgemerkt dat in de Nederlandse wetgeving een nauwer verband bestaat tussen de renteaftrekbeperking en de financiering van de verwerving van deelnemingen. Het is daarom nog maar de vraag in hoeverre het arrest Argenta daadwerkelijk van invloed zal zijn op de Nederlandse wetgeving.


Bron: Hof van Justitie van de EU van 26 oktober 2017, C-39/16 (Argenta), ECLI:EU:C:2017:813.

Vond u dit nuttig?