Beroep op het vertrouwensbeginsel bij een boekenonderzoek | Deloitte Nederland

Article

Beroep op het vertrouwensbeginsel bij een boekenonderzoek

Volgens de Hoge Raad heeft het Hof de criteria voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel onjuist toegepast. Het Hof is ten onrechte niet ingegaan op het standpunt van de inspecteur dat belanghebbende niet te goeder trouw was.

28 december 2021

Het vertrouwensbeginsel

Een belastingplichtige mag in bepaalde gevallen aan uitlatingen of gedragingen van de inspecteur het vertrouwen ontlenen dat een wettelijke regeling in zijn situatie op een bepaalde manier zal worden toegepast. In dat geval gaat het vertrouwensbeginsel voor op een juiste wetstoepassing.

Ook bij de afhandeling van een boekenonderzoek kan de inspecteur (impliciet of expliciet) het vertrouwen wekken dat een bepaalde handelwijze van de belastingplichtige wordt goedgekeurd. Recent heeft de Hoge Raad nader invulling gegeven aan de voorwaarden met succes een beroep kan worden gedaan op gewekt vertrouwen naar aanleiding van een boekenonderzoek.

Het geschil

De belanghebbende heeft een aantal facturen uitgereikt ter zake van verleende reclamediensten. Daarbij is geen omzetbelasting in rekening gebracht, omdat belanghebbende zich op het standpunt heeft gesteld dat de diensten zijn verricht aan in Zwitserland gevestigde vennootschappen. De inspecteur is het hier niet mee eens en heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. Volgens de inspecteur was de afnemende vennootschap in Nederland gevestigd, waardoor belanghebbende omzetbelasting in rekening had moeten brengen.

Belanghebbende doet vervolgens een beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat in een eerder boekenonderzoek is bevestigd dat de plaats van dienst wordt verricht waar de opdrachtgever is gevestigd, en dat daarom de omzet terecht buiten de heffing van omzetbelasting is gelaten.

Expliciet en impliciet vertrouwen

De Hoge Raad stelt vast dat hier sprake is geweest van een expliciete uitlating van de inspecteur. Indien die uitlatingen als een toezegging kunnen worden aangemerkt, is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist dat de inspecteur daadwerkelijk kennis heeft genomen van alle feiten en omstandigheden van het geval. Ook mag de toezegging niet duidelijk in strijd zijn met een juiste wetstoepassing. Het hof heeft ten onrechte getoetst aan de criteria voor impliciet gewekt vertrouwen, waarbij het draait om de vraag of een belastingplichtige redelijkerwijs heeft mogen aannemen dat een bepaalde kwestie op zijn merites is beoordeeld door de inspecteur. Die situatie doet zich hier namelijk niet voor.

Boekenonderzoeken

Vervolgens gaat de Hoge Raad dieper in op het vertrouwen dat een belastingplichtige kan ontlenen aan uitlatingen van de inspecteur tijdens een boekenonderzoek. Kenmerkend voor zo’n onderzoek is dat het initiatief bij de inspecteur ligt. Hij bepaalt immers welke posten worden onderzocht, hoe het onderzoek wordt uitgevoerd, en welke informatie hij daarvoor nodig heeft. Het ligt dan ook op zijn weg om te beoordelen of hij over alle benodigde informatie beschikt om een oordeel te vellen over een bepaalde fiscale kwestie en daarover een standpunt in te nemen in het controlerapport. Bij een boekenonderzoek ligt het risico van de ontoereikendheid van de informatie bij de inspecteur.

Dat ligt alleen anders indien de belastingplichtige onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt, of informatie heeft achtergehouden, en hij had moeten beseffen dat de inspecteur daardoor niet in staat zou zijn om de betreffende kwestie goed te beoordelen. In dat geval kan hij geen vertrouwen ontlenen aan de standpuntbepaling van de inspecteur in het controlerapport. Volgens de Hoge Raad is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat deze uitgangspunten overeenstemmen met het Unierecht.

Te goeder trouw

De inspecteur had in de procedure bij het gerechtshof aangevoerd dat belanghebbende hem op het verkeerde been heeft gezet en derhalve te kwader trouw is. Het hof heeft dit standpunt verworpen. De Hoge Raad laat dit oordeel in stand, maar overweegt dat het Hof ten onrechte is voorbijgegaan aan de subsidiaire stelling van de inspecteur dat belanghebbende in elk geval niet te goeder trouw is geweest. Blijkbaar ziet de Hoge Raad een onderscheid in het ‘te kwader trouw’ zijn en het ‘niet te goeder trouw’ zijn. De zaak is verwezen naar Hof Arnhem-Leeuwarden om te laten beoordelen of de inspecteur door toedoen van de belastingplichtige niet in staat is geweest om zich een goed en volledig oordeel te vormen over de omzetbelastingkwestie.


Bron: HR 10 december 2021, 19/03617, ECLI:NL:HR:2021:1849.

Did you find this useful?