Besluit lucratief belang in internationale situaties | Deloitte Nederland

Article

Besluit lucratief belang in internationale situaties

Meer duidelijkheid na besluit staatssecretaris omtrent de heffing van lucratief belanginkomsten in grensoverschrijdende situaties.

24 november 2021

Samenvatting

De staatssecretaris van Financiën heeft in een besluit aangegeven hoe inkomsten uit lucratief belang worden belast in grensoverschrijdende situaties. Dit is voor de praktijk een belangrijk besluit, aangezien er tot op heden veel onduidelijkheid bestond over de heffing en allocatie van lucratief belanginkomsten in internationale situaties. In het besluit neemt de staatssecretaris van Financiën een standpunt in over (i) buitenlands belastingplichtigen met een lucratief belang, (ii) verdragstoepassing bij een lucratief belang in combinatie met werkzaamheden in één of meerdere landen en (iii) wordt nader ingegaan op het houden van een middellijk lucratief belang en het verkopen van dat belang na emigratie uit Nederland.

Introductie

De lucratief belang wetgeving beoogt rendementen op investeringen in kwalificerende aandelen of andere vermogensrechten in de belastingheffing in box 1 te betrekken. De kenmerken zijn in algemene zin dat de vermogensrechten beogen een beloning te zijn voor het verrichten van werkzaamheden en dat de investering relatief laag is ten opzichte van het relatief hoge winstpotentieel.

Als hoofdregel geldt dat voordelen uit lucratief belang vanwege de nexus met de werkzaamheden van de belastingplichtige in de heffing worden betrokken als resultaat uit overige werkzaamheden en in box 1 worden belast (progressief tarief van max. 49,5% in 2021).

Ter tegemoetkoming regelt de wet dat voordelen in box 2 (vast tarief van 26,9% in 2021) en niet in box 1 belast zijn indien:

  • het lucratief belang middellijk wordt gehouden via een houdstervennootschap, waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden, en
  • ten minste 95% van de voordelen uit het lucratief belang binnen het kalenderjaar als aanmerkelijk belang inkomen wordt genoten (hierna: “doorstootverplichting”).

Buitenlandse belastingplicht en lucratief belang onder een verdrag

De staatssecretaris van Financiën stelt dat Nederland op basis van nationaalrechtelijke bepalingen voor buitenlands belastingplichtigen met een (on)middellijk gehouden lucratief belang, belasting kan heffen over de voordelen uit dit lucratief belang, mits dat belang mede een beloning beoogt te zijn voor werkzaamheden in Nederland. Dit kan volgens de staatssecretaris van Financiën ook indien de vennootschap die de lucratief belang aandelen heeft uitgegeven buiten Nederland is gevestigd. Op grond van het belastingverdrag kan het heffingsrecht van Nederland worden beperkt. Voor de verdragstoepassing en het toerekenen van heffingsrechten aan betrokken staten acht de staatssecretaris van Financiën het van belang of het lucratief belang onmiddellijk of via een houdstervennootschap (middellijk) wordt gehouden.

De staatssecretaris van Financiën geeft in het besluit de volgende richtlijn voor de verdragstoepassing.

  • In gevallen waarin het lucratief belang onmiddellijk wordt gehouden en in gevallen waarin het lucratief belang middellijk wordt gehouden, maar niet aan de doorstootverplichting is voldaan, zal het heffingsrecht over de voordelen uit lucratief belang worden verdeeld op basis van het artikel voor niet-zelfstandige arbeid (artikel 15 van het OESO Model Verdrag, hierna “OESO MV”) of het artikel voor bestuurders- en commissarissenbeloningen (artikel 16 OESO MV).
  • In gevallen waarin het lucratief belang middellijk (via een houdstervennootschap) wordt gehouden en aan de doorstootverplichting is voldaan, zal de verdeling van het heffingsrecht over de voordelen uit lucratief belang voor (i) reguliere voordelen (dividenduitkeringen) plaatsvinden op grond van het dividendartikel (artikel 10 OESO MV) en voor (ii) vervreemdingsvoordelen (verkoopwinst) op grond van het artikel voor vermogenswinsten (artikel 13 OESO MV).


Beschouwing

Sinds de invoering van de lucratief belang wetgeving in 2009 is er veel discussie en onduidelijkheid geweest over welk verdragsartikel van toepassing is voor lucratief belang inkomen in een grensoverschrijdende situatie. Zowel de belastingplichtige als de Belastingdienst hebben dus baat bij een duidelijke positie.

Het besluit van de staatssecretaris van Financiën biedt zekerheid dat in het geval van een middellijk gehouden lucratief belang, waarbij tevens aan de doorstootverplichting is voldaan, voor de verdeling van het heffingsrecht het dividendartikel (artikel 10 OESO MV) en het artikel voor vermogenswinsten (artikel 13 OESO MV) kunnen worden toegepast. In het verlengde van de toepassing van het dividendartikel (artikel 10 OESO MV), is het goed dat ook toepassing van het vermogenswinstartikel (artikel 13 OESO MV) nu formeel is geaccepteerd voor middellijk gehouden lucratieve belangen waarbij aan de doorstootverplichting is voldaan.

Desondanks kan de vraag worden gesteld waarom een dergelijke toepassing niet is uitgebreid naar direct (onmiddellijk) gehouden lucratieve belangen of indirect (middellijk) gehouden lucratieve belangen waarbij niet aan de doorstootverplichting is voldaan.

Vraag is of het onderscheid dat hier wordt gemaakt, ook wordt gevolgd door de andere verdragsluitende staat. Dit lijkt niet aannemelijk, wat voor bepaalde situaties dan kan leiden tot dubbele heffing.

Werkzaamheden in één of meerdere landen

De staatssecretaris van Financiën bevestigt dat indien de houder van een lucratief belang in meerdere landen werkzaamheden verricht, een pro-ratabenadering mogelijk kan zijn op grond waarvan het heffingsrecht over de voordelen uit het belang wordt verdeeld op basis van verrichte arbeid. Deze pro-ratabenadering lijkt voorbehouden aan voordelen die worden gealloceerd volgens het artikel voor niet-zelfstandige arbeid (artikel 15 OESO MV) of bestuurdersbeloningen (artikel 16 OESO MV).

Emigratie en middellijk gehouden lucratief belang

Bij emigratie van de houder van een middellijk gehouden lucratief belang vindt er volgens de staatssecretaris van Financiën voor het lucratief belang geen (fictieve) vervreemding plaats. Voor het aanmerkelijk belang vindt er wel een fictieve vervreemding plaats op het moment van de emigratie. De staatssecretaris van Financiën erkent dat in geval van emigratie van de houder van een middellijk gehouden lucratief belang, er door het opleggen van de conserverende aanslag bij emigratie een verschil kan ontstaan tussen de verkrijgingsprijs voor het aanmerkelijk belang en het opgeofferde bedrag voor het lucratief belang. Dit kan tot gevolg hebben dat vanwege deze “mismatch” niet kan worden voldaan aan de doorstootverplichting. Omdat de staatssecretaris van Financiën een dergelijk effect onwenselijk acht, keurt hij goed dat het geconserveerde inkomen uit aanmerkelijk belang, in aanmerking kan worden genomen als bedrag dat onder de doorstootverplichting is uitgekeerd. Op deze wijze wordt voorkomen dat bij emigratie niet aan de doorstootverplichting kan worden voldaan. Door het voldoen aan de doorstootverplichting bij een middellijk gehouden lucratief belang kan tevens een beroep worden gedaan op het dividendartikel (artikel 10 OESO MV) of het artikel voor vermogenswinsten (artikel 13 OESO MV) conform de hierboven beschreven toezegging. Wanneer niet wordt voldaan aan de doorstootverplichting zal volgens de staatssecretaris van Financiën het artikel voor niet-zelfstandige arbeid (artikel 15 OESO MV) of bestuurdersbeloningen (artikel 16 OESO MV) van toepassing zijn.


Beschouwing

Dit is een welkome goedkeuring van de staatssecretaris van Financiën over de toepassing van de doorstootverplichting. Deloitte stelt echter vragen bij de stelling van de staatssecretaris van Financiën dat Nederland in alle gevallen na emigratie van de lucratief belang houder over het gehele inkomen uit lucratief belang belasting mag heffen. De situatie kan zich voordoen dat er na emigratie geen bindingen meer met Nederland zijn. In die situatie heft Nederland slechts belasting bij emigratie, zo kan worden betoogd.

Did you find this useful?