Bezitseis BOR-faciliteit geldt per zelfstandige onderneming | Deloitte Nederland

Article

Bezitseis BOR-faciliteit geldt per zelfstandige onderneming

De Hoge Raad oordeelt dat per zelfstandige onderneming aan de bezitseis voor de bedrijfsopvolgingsregeling moet worden getoetst. Voor de vraag of er één of meerdere ondernemingen zijn, is het tijdstip van de schenking beslissend.

6 juni 2020

Bezitseis

Er geldt voor de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) een vrijstelling van 100% van erf- of schenkbelasting voor de waarde van de overgedragen onderneming tot een maximum van €1.102.209. Daarboven geldt een vrijstelling van 83%. Deze faciliteit geldt ook voor de vererving of schenking van aandelen in een bv die een onderneming drijft. De verkrijger komt alleen maar in aanmerking voor toepassing van de BOR als de schenker de aandelen al vijf jaar in eigendom had en de bv gedurende die periode de onderneming dreef. Bij vererving geldt een termijn van één jaar. Voor de verkrijger geldt er een voortzettingsvereiste van vijf jaar. Gedurende die periode mag hij de aandelen en de onderneming niet overdragen.

Per IB-onderneming

Onlangs heeft de Hoge Raad zich in twee arresten uitgesproken over de vraag of aan de bezitstermijn is voldaan. In de eerste zaak krijgt de belanghebbende in januari 2014 een schenking van zijn ouders die bestaat uit alle aandelen in Beheer BV. In geschil is of de BOR kan worden toegepast op het 100%-belang in E BV dat sinds november 2009 in bezit is van Beheer BV en het indirecte 50%-belang in F BV dat in 2010 is verworven. Volgens de rechtbank geldt de bezitseis van vijf jaar ook voor de indirecte belangen in de bv’s, zodat de BOR in zoverre niet van toepassing is. De Hoge Raad oordeelt dat de bezitseis moet worden toegepast op iedere afzonderlijke onderneming in de zin van de inkomstenbelasting. Uit de overwegingen van de rechtbank leidt hij af dat Beheer BV meerdere objectieve ondernemingen exploiteert. Daarom moet voor de ondernemingen van E BV en F BV per onderneming worden voldaan aan de bezitseis en kan de BOR in dit geval niet worden toegepast.

Tijdstip van verkrijging is bepalend

In de tweede zaak heeft de belanghebbende 20% van certificaten van aandelen in E Holding geschonken gekregen. De inspecteur heeft bij de heffing van schenkbelasting geweigerd de BOR toe te passen, voor zover de waarde van de geschonken aandelen ziet op een onderneming die F BV, de 100%-deelneming van E Holding, binnen de bezitstermijn heeft aangekocht. De rechtbank volgt de inspecteur dat voor dit deel niet is voldaan aan de bezitstermijn, omdat ten tijde van de aankoop sprake was van een zelfstandig onderneming.

De Hoge Raad oordeelt dat in een geval waarin krachtens schenking een onderneming wordt verkregen bepalend is wat de situatie is op het tijdstip van verkrijging. Aan toepassing van de BOR staat niet in de weg dat een deel van het vermogen van die onderneming is verkregen in de vijf jaar voorafgaande aan de verkrijging en toen een zelfstandige onderneming was. Het is volgens de Hoge Raad dan ook een onjuiste rechtsopvatting dat elke verwerving van een onderneming ertoe leidt dat voor dat deel een nieuwe bezitstermijn gaat verlopen.  

Slotsom

Uit de arresten kan worden geconcludeerd dat ook bij schenking of vererving van een aandelenbelang de bezitseis per zelfstandige onderneming moet worden getoetst. Indien echter een zelfstandige onderneming na aankoop is opgegaan in de reeds bestaande onderneming en ten tijde van de schenking niet meer als een zelfstandige onderneming is te identificeren, geldt er geen aparte bezitseis voor dat deel van het ondernemingsvermogen.


Bron: HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:990 en ECLI:NL:HR:2020:867

Did you find this useful?