Box 3-heffing over onteigende SNS-aandelen vormt buitensporige last | Deloitte Nederland

Article

Box 3-heffing over onteigende SNS-aandelen vormt buitensporige last

De Hoge Raad oordeelt dat de box 3-heffing over onteigende SNS-aandelen in het geval van belanghebbende een ongeoorloofde inbreuk vormt op het door art. 1 EP EVRM gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom.

9 april 2018

Aandelen onteigend

In de afgelopen jaren zijn al vele procedures gevoerd over de vraag of de box 3-heffing als zodanig in strijd is met het recht op ongestoord genot van eigendom als bedoeld in art. 1 EP EVRM. Tot nu toe zijn deze procedures vrijwel zonder resultaat gebleven voor belastingplichtigen. Recentelijk heeft de Hoge Raad in een individueel geval echter geoordeeld dat de box 3 heffing wel een buitensporige last vormde. De zaak draaide om een particulier die op 1 januari 2013 een effectenportefeuille bezat met een waarde van ca. € 275.000. In januari 2013 heeft hij deze portefeuille te gelde gemaakt en in plaats daarvan aandelen SNS Reaal gekocht. Deze aandelen zijn echter op 1 februari 2013 onteigend tegen een schadeloosstelling van nihil.

Toetsingskader

Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting een box 3-inkomen van nihil opgegeven. De inspecteur is daar niet mee akkoord gegaan en heeft de waarde van de effectenportefeuille op de waardepeildatum 1 januari 2013 tot de rendementsgrondslag gerekend. Het verzamelinkomen bedraagt na deze correctie € 23.652, waardoor belanghebbende geen recht heeft op huurtoeslag. In geschil is of de box 3-heffing in zijn geval een individuele en buitensporige last oplevert als bedoeld in art. 1 EP EVRM. Bij de beantwoording moeten de volgende stappen worden doorlopen:

  1. Is sprake van eigendom in de zin van art. 1 EP EVRM?
  2. Is sprake van een inmenging met het ongestoorde genot van dit eigendom?
  3. Is er een wettelijke basis die voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar is?
  4. Is de aantasting van het eigendomsrecht geoorloofd?


Hof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld dat de heffingssystematiek van box 3 op zichzelf bezien de toets der kritiek kan doorstaan. In het geval van belanghebbende leidt deze heffing echter tot een buitensporige last, omdat het onteigende vermogen hem vanaf 1 februari 2013 geen inkomsten meer kan opleveren en diens inkomen als gevolg van de heffing onder de wettelijke armoedegrens is gezakt. Het hof verbindt aan deze schending van de ‘fair balance’ de consequentie dat de box 3-heffing tijdsevenredig moet worden beperkt tot 1/12e deel (januari 2013). De staatssecretaris heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld.

Fair balance?

De Hoge Raad stelt voorop dat sprake is van een individuele en buitensporige last wanneer het effect van een maatregel zich in het geval van belanghebbende sterker laat voelen dan in het algemeen. Er moet derhalve sprake zijn van bijzondere feiten en omstandigheden die niet voor alle belastingplichtigen gelden die met de betreffende wettelijke regeling worden geconfronteerd.

Vervolgens oordeelt de Hoge Raad dat het Hof terecht heeft aangenomen dat de onteigening van de aandelen SNS Reaal per 1 februari 2013 een omstandigheid is die meeweegt bij de beoordeling of art. 1 EP EVRM geschonden is. Ook de stelling dat belanghebbende door zijn eigen toedoen in een armlastige positie is geraakt, vindt geen genade in de ogen van de Hoge Raad. De inspecteur heeft dit punt namelijk niet aan de orde gesteld in de hofprocedure. Hetzelfde geldt voor de stelling dat belanghebbende op 1 februari 2013 nog wel degelijk over enig vermogen beschikte. Stellingen van feitelijke aard kunnen niet voor het eerst in cassatie worden ingenomen.

Ten slotte voert de staatssecretaris aan dat belanghebbende had kunnen verzoeken om gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de belastingschuld vanwege het ontbreken van betalingscapaciteit. De Hoge Raad overweegt echter dat hieraan geen belang toekomt, omdat uit de gedingstukken niet blijkt dat kwijtschelding in dat geval gewaarborgd zou zijn. In zijn algemeenheid verhindert de kwijtscheldingsregeling het aannemen van een inbreuk op art. 1 EP EVRM in ieder geval niet.

Ons hoogste rechtscollege onderschrijft de opvatting van het hof dat de rechter in deze zaak zelf rechtsherstel mocht bieden. Het hof had echter niet naar eigen inzicht mogen afwijken van de wettelijke heffingssystematiek door middel van een tijdsevenredige herrekening van het forfaitair rendement. Tot cassatie kan dit echter niet leiden, omdat het eindresultaat waartoe het hof is gekomen door de beugel kan.

Slot

De Hoge Raad neemt in belastingzaken slechts hoogst zelden een schending van de ‘fair balance’ aan. In die zin is zeker sprake van een uniek arrest. Toch moet de reikwijdte van deze beslissing niet worden overschat. De Hoge Raad heeft immers niet ten principale geoordeeld dat box 3 onverenigbaar is met art. 1 EP EVRM. Het zijn nadrukkelijk de (schrijnende) feiten en omstandigheden van het geval geweest die doorslaggevend zijn geweest.


Bron: HR 6 april 2018, 17/01852, ECLI:NL:HR:2018:511

Vond u dit nuttig?