Collectieve uitspraak op massaal bezwaar box 3 gepubliceerd | Deloitte Nederland

Article

Collectieve uitspraak op massaal bezwaar box 3 gepubliceerd

De Hoge Raad heeft op 24 december 2021 geoordeeld dat de forfaitaire vermogensrendementsheffing in box 3 vanaf 2017 in strijd is met het eigendomsrecht en discriminatieverbod. Op 4 februari 2022 is de collectieve uitspraak op bezwaar gepubliceerd.

11 mei 2022

Vermogensrendementsheffing tot en met 2016

Het voordeel uit sparen en beleggen (box 3) wordt bepaald aan de hand van een forfaitair rendementspercentage. In de jaren 2001 tot en met 2016 bedroeg dit rentepercentage 4%. De veronderstelling van de wetgever was dat belastingplichtigen een dergelijk rendement zouden kunnen behalen zonder daarvoor veel risico te hoeven nemen.

Omdat het werkelijke rendement dat belastingplichtigen behaalden op hun spaarrekeningen en andere bezittingen in box 3 veelal lager was dan het forfaitaire rendement van 4%, maakt de heffing volgens velen een ongerechtvaardigde inbreuk op het eigendomsrecht. De Hoge Raad oordeelde naar aanleiding hiervan reeds in 2019 dat een forfaitaire heffing als zodanig niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM, maar dat dit wel het geval is indien komt vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier procent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is, en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. De Hoge Raad concludeerde dat de veronderstellingen van de wetgever vanaf het jaar 2013 niet meer valide waren, maar bood geen rechtsherstel. Het was aan de wetgever om met een oplossing te komen.

Vermogensrendementsheffing vanaf 2017

Het kabinet heeft de ontwikkelingen in de rechtspraak niet afgewacht en de heffingssystematiek in box 3 voor de jaren vanaf 2017 gewijzigd. Hiermee beoogde men om het forfaitaire rendement beter te laten aansluiten bij het gemiddelde werkelijk rendement op bezittingen. Om dit te bereiken is een onderscheid gemaakt tussen het forfaitaire rendement op spaartegoeden en vorderingen enerzijds en het rendement op vastgoed, aandelen, obligaties en overige bezittingen anderzijds. Die rendementspercentages worden toegepast op een wettelijk vastgestelde forfaitaire vermogensmix. Naarmate het box-3-vermogen toeneemt, wordt dit voor een groter deel geacht uit beleggingen te bestaan en wordt een hoger forfaitair rendement in box 3 in aanmerking genomen.

De Hoge Raad heeft echter op 24 december 2021 in een massaal bezwaarprocedure geoordeeld dat het forfaitair stelsel door deze aanpassingen juist verder af is komen te staan van een heffing over inkomen waarvan kan worden aangenomen dat een individuele belastingplichtige het daadwerkelijk heeft genoten.

De Hoge Raad stelt voorop dat de overheid de bevoegdheid heeft gekregen om belasting te heffen. Er moet echter wel sprake zijn van een redelijke verhouding tussen de gehanteerde middelen en het met de heffing beoogde doel. Zo mogen de door de wetgever gemaakte keuzes niet in strijd zijn met het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM. Ook brengt het recht op ongestoord genot van eigendom mee dat de overheid zich niet ongelimiteerd mag mengen in de keuzes van een burger bij het gebruik of de exploitatie van zijn bezittingen.

De Hoge Raad constateert dat het nieuwe stelsel de door artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM gegarandeerde vrije beschikkingsmacht inperkt door een verhoudingsgewijs zware financiële last te verbinden aan de keuze om niet over te gaan tot het risicovol beleggen van vermogen. Bovendien benadeelt het stelsel degenen die wel risicovol beleggen, maar door gebrek aan inzicht of geluk toch onvoldoende rendement realiseren. Doordat de heffing van inkomstenbelasting mede wordt gebaseerd op het gemiddelde rendement verkregen op risicovolle beleggingen creëert het stelsel een ongelijke behandeling op basis van een omstandigheid die belastingplichtigen niet zelf in de hand hebben.

Dit effect wordt nog versterkt doordat in het huidige box 3-stelsel de werkelijke samenstelling van het vermogen van belastingplichtigen buiten beschouwing wordt gelaten. Hierdoor kunnen zij met een heffing worden geconfronteerd die hoger is dan het werkelijk behaalde rendement.

Hoewel de Hoge Raad aangeeft dat een zekere ruwheid inherent is aan een forfaitaire regeling, is de slotsom dat de wetgever de aan hem toekomende beoordelingsvrijheid voor wat betreft de sinds 2017 geldende heffingssystematiek in box 3 heeft overschreden. De tot en met 2016 geldende wettelijke regeling wordt niet geraakt door dit arrest.

De Hoge Raad oordeelt dat getroffen belastingplichtigen effectieve rechtsbescherming moet worden geboden door een op rechtsherstel gerichte compensatie. De hoogte daarvan moet naar redelijkheid worden vastgesteld.

Gevolgen arrest en bezwaar

Het oordeel van de Hoge Raad had betrekking op de jaren 2017 en 2018. Omdat zowel de wettelijke regeling als de voorgelegde rechtsvragen voor 2019 en 2020 vrijwel gelijkluidend waren, heeft de inspecteur echter besloten om ook die jaren mee te nemen in de collectieve uitspraak op bezwaar. Deze uitspraak is op 4 februari 2022 gepubliceerd. Wettelijk heeft de inspecteur vervolgens zes maanden de tijd om een teruggaaf vast te stellen. Op 28 april 2022 heeft de staatssecretaris aangegeven op welke wijze rechtsherstel zal worden geboden en wie daarvoor in aanmerking komen. Voor meer informatie verwijzen wij u naar ons nieuwsbericht hierover.


Bron: HR 24 december 2021, 21/01243, ECLI:NL:HR:2021:1963

Did you find this useful?