Box 3-heffing ter zake van bovenwoning niet in strijd met eigendomsrecht | Deloitte

Article

Box 3-heffing ter zake van bovenwoning niet in strijd met eigendomsrecht

De Hoge Raad scherpt het kader aan hoe moet worden beoordeeld of de box-3-heffing in strijd is met het eigendomsrecht.

18 oktober 2017

Forfaitaire heffing in box 3

Vermogen waarvan het inkomen niet in box 1 of box 2 is belast, wordt meegenomen in box 3. Het box-3-inkomen wordt op forfaitaire wijze bepaald. Daarover is vervolgens 30% inkomstenbelasting verschuldigd. Dit forfaitaire systeem roept nogal eens weerstand op bij belastingplichtigen, vooral als het werkelijk gerealiseerde rendement lager is dan het forfaitaire rendement. De heffing kan des te meer wringen als ook voor de waardering van vermogensbestanddelen in box 3 een forfait geldt. Dat is onder andere het geval bij verhuurde woningen. Daarover is onlangs een arrest gewezen. De feiten in die zaak lagen als volgt.

Waardering verhuurde woningen

Tot het box-3-vermogen van belanghebbende behoort een verhuurde bovenwoning. De huurder van deze bovenwoning heeft recht op huurbescherming. Voor de heffing in box 3 wordt uitgegaan van de WOZ-waarde van de woning. Vanwege de verhuur mag hierop echter een forfaitair vastgesteld percentage in mindering worden gebracht. De hoogte van deze afslag hangt af van de jaarhuur en is in een uitvoeringsbesluit vastgelegd. Naar aanleiding van een eerdere uitspraak van de Hoge Raad in deze zaak heeft Hof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat voornoemde berekeningsmethode niet mag worden toegepast, omdat de werkelijke waarde van de verhuurde woning beduidend lager is.

Strijdigheid met eigendomsrecht?

Het Hof heeft verder geoordeeld dat de box 3-heffing met betrekking tot de verhuurde woning niet in strijd komt het eigendomsrecht, zoals dat wordt beschermd door het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Vervolgens is de zaak opnieuw bij de Hoge Raad terecht gekomen. Ons hoogste rechtscollege herhaalt zijn eerdere oordeel dat de box-3-heffing onder bijzondere omstandigheden in strijd kan komen met het eigendomsrecht. Die situatie doet zich voor als het door de wetgever vastgestelde forfaitaire rendement onhaalbaar blijkt voor particuliere beleggers en de heffing, al dan niet in combinatie met andere beperkingen, een buitensporig zware last voor de belastingplichtige oplevert.

In dit geval doet die uitzondering zich echter niet voor. De Hoge Raad wijst er daarbij op dat de box 3-heffing niet een op de bovenwoning rustende last is. Deze heffing ziet immers op het saldo van alle bezittingen en schulden (die in box 3 vallen) en niet op individuele beleggingen. Daarbij komt dat de wetgever met de invoering van box 3 heeft beoogd om ook de waardestijging van bezittingen in de heffing te betrekken. De stelling van belanghebbende dat box 3-heffing ondanks een negatief exploitatieresultaat in strijd is met het eigendomsrecht gaat ook om die reden niet op. Ten slotte wijst de Hoge Raad op het feit dat de bovenwoning reeds bij aankoop door belanghebbende verhuurd was en dat de bewoonster ook toen al aanspraak kon maken op huurbescherming. Belanghebbende heeft deze factoren dus reeds op dat moment in de hoogte van de aankoopprijs kunnen verdisconteren. De slotsom is dat de box 3 heffing in casu toelaatbaar is.


Bron: HR 29 september 2017, nr. 16/01584, ECLI:NL:HR:2017:2517

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen