Conceptwetsvoorstel voor implementatie van ‘Anti Tax Avoidance Directive’ gepubliceerd

Article

Conceptwetsvoorstel voor implementatie van ‘Anti Tax Avoidance Directive’ gepubliceerd

De belangrijkste bepalingen hebben betrekking op ‘earnings stripping’ en ‘controlled foreign companies’ (CFC’s). Voor exitheffingen wordt een aantal kleinere wetswijzigingen voorgesteld.

19 juli 2017

English version

Internetconsultatie

De Nederlandse overheid heeft op 10 juli 2017 een document gepubliceerd met mogelijke wijzigingen in (voornamelijk) de Wet op de vennootschapsbelasting. Het doel van deze wijzigingen is om, waar nodig, verschillende bepalingen van de ‘Anti Tax Avoidance Directive’ (ATAD1) te implementeren. De EU-lidstaten zijn in juni 2016 akkoord gegaan met deze richtlijn. De belangrijkste bepalingen hebben betrekking op ‘earnings stripping’ en ‘controlled foreign comapanies’ (CFC’s). Voor exitheffingen wordt een aantal kleinere wetswijzigingen voorgesteld. Mogelijke wijzigingen met betrekking tot hybride mismatches in EU- en derde-landensituaties zijn niet meegenomen in het conceptwetsvoorstel, omdat de EU-lidstaten de uiteindelijke toepassingsdatum hiervoor in mei 2017 (ATAD2) hebben uitgesteld tot 1 januari 2020.

Het conceptwetsvoorstel is gepubliceerd ter internetconsultatie; er is dus nog geen sprake van een formeel wetsvoorstel. Men kan het Ministerie van Financiën tot 21 augustus 2017 eventueel van commentaar voorzien ten aanzien van het conceptvoorstel. Waar normaal gesproken geen belangrijke wijzigingen worden doorgevoerd in de fase waarin het formele wetsvoorstel tot stand komt, verloopt het proces in dit geval mogelijk heel anders. In tegenstelling tot eerdere gevallen heeft de Nederlandse overheid nu al aangegeven dat over verschillende elementen nog moet worden beslist. Het is hierbij wachten op de vorming van een definitieve coalitie. Dit kan van grote invloed zijn op de huidige voorstellen.

Het uiteindelijke wetsvoorstel moet in beginsel 1 januari 2019 in werking treden. Hieronder volgt een opsomming van enkele kernpunten uit het document.


Kernpunten van het conceptwetsvoorstel

De kernpunten van het conceptwetsvoorstel kunnen als volgt worden samengevat:

Earningsstrippingregeling: Er wordt een nieuwe renteaftrekbeperking geïntroduceerd. Een overschot aan leningskosten, zoals rentelasten en koersresultaten, is slechts aftrekbaar tot 30% van het belastbaar inkomen van een belastingplichtige vóór ‘interest, tax, depreciation and amortisation’ (EBITDA), op voorwaarde dat de belastingplichtige deel uitmaakt van een groep. Enig overschot dat daarna nog resteert wordt niet aftrekbaar geacht en kan worden voortgewenteld naar het volgende jaar. De voorgestelde franchise bedraagt € 3 miljoen. Als alternatief wordt voorgesteld een groepsuitzondering op te nemen, namelijk een “eigenvermogenuitzondering” of een “EBITDA-uitzondering”. Vooralsnog wordt in het conceptwetsvoorstel geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid om financiële ondernemingen uit te zonderen en wordt niet voorzien in eerbiedigende werking voor leningen die zijn aangegaan voor 17 juni 2016 en naderhand niet meer (materieel) zijn gewijzigd.

CFC-regels: De CFC-regels in ATAD1 geven de keuze uit twee varianten. Volgens variant A worden vooraf bepaalde categorieën van niet uitgekeerd (passief) inkomen van een CFC aan de belastingplichtige/moedermaatschappij toegekend. Het alternatief – variant B – leidt ertoe dat bij de toepassing van de CFC-regel het inkomen van de dochtervennootschap of de vaste inrichting bij de belastingplichtige in aanmerking wordt genomen dat voortkomt uit kunstmatige structuren die zijn opgezet met als wezenlijk doel een belastingvoordeel te verkrijgen. De Nederlandse overheid heeft voorlopig gekozen voor het implementeren van CFC-regels volgens variant A. Wel wordt in de internetconsultatie de vraag gesteld om gemotiveerd aan te geven of een voorkeur bestaat voor variant A of variant B.

Een CFC kwalificeert als laagbelast indien de op het niveau van dergelijke CFC’s geheven winstbelasting wezenlijk minder is dan 50% van de Nederlandse vennootschapsbelasting die zou zijn geheven indien zo’n CFC Nederlands belastingplichtige zou zijn geweest. Voor deze test zou de belastinggrondslag van de CFC moeten worden herberekend naar Nederlandse maatstaven, met inachtneming van regels zoals de deelnemingsvrijstelling en het at-arm’s length-beginsel.

Voor de CFC-regels bestaan uitzonderingen voor situaties waarin:
(i) ten minste 70% van het inkomen van de CFC buiten de vooraf bepaalde categorieën van niet-uitgekeerd (passief) inkomen valt, of
(ii) - in het geval van specifieke financiële ondernemingen - minstens 70% van het inkomen van de CFC afkomstig is van anderen dan de belastingplichtige of gelieerde lichamen/natuurlijke personen, of
(iii) een belastingplichtige kan vaststellen dat een CFC wezenlijke economische activiteiten uitoefent, ondersteund door personeel, uitrusting, activa en gebouwen.

Ten slotte worden bepalingen voorgesteld die te maken hebben met eerder belast inkomen.

Exitheffing: De Nederlandse exitheffingwetgeving is al grotendeels in overeenstemming met de exitheffingbepalingen in ATAD1. Nederland zou voor vennootschapsbelastingdoeleinden de optie tot uitstel van invordering van exitheffingen dienen te verminderen van tien naar vijf jaar. Een verdere wijziging van de wetgeving is nodig voor gevallen waarin een belastingplichtige gedurende de looptijd van het uitstel van betaling de stille reserve daadwerkelijk realiseert. Volgens de huidige wet kunnen openstaande termijnen nog steeds in die jaren worden ingevorderd, maar ATAD1 verplicht Nederland om de openstaande termijnen onmiddellijk in te vorderen. Dit is als zodanig gewijzigd in het voorstel. Daarnaast komt de mogelijkheid om uitstel van betaling te verkrijgen tot daadwerkelijke realisatie te vervallen.


Slotopmerkingen

Naast de hierboven aangegeven bepalingen, bevat ATAD1 tevens de invoering van een ‘General Anti Abuse Rule’ (GAAR) als minimumnorm. Het conceptwetsvoorstel wijst erop dat de GAAR al voldoende in de Nederlandse jurisprudentie is verankerd. Derhalve wordt geen voorstel tot implementatie van een dergelijke bepaling in een wettelijke bepaling gedaan.

In het conceptwetsvoorstel wordt erkend dat de invoering van een ‘earningsstrippingsregeling’ mogelijk kan samenvallen met het vervallen van andere regels die mogelijk de aftrekbaarheid van rentelasten beperken. Dit zal echter grotendeels afhangen van het uiteindelijke wetsvoorstel ten aanzien van, bijvoorbeeld, het EBITDA percentage, het bedrag van de franchise van (maximaal) € 3 miljoen en de invoering van een groepsuitzondering. Beoordeling van deze elementen is, zoals aangegeven in het conceptwetsvoorstel, een zaak van de nieuwe coalitie. Er worden daarom ook geen standpunten ingenomen over een injectie in het Nederlandse investeringsklimaat op basis van eventuele extra budgettaire opbrengsten na invoering van de aan ATAD1 verbonden maatregelen. Wij verwachten dat deze standpunten in een later stadium zullen volgen.

Ofschoon het hier nog om een conceptwetsvoorstel gaat, raden wij aan de ontwikkelingen op de voet te volgen. Indien in de fase waarin het formele wetsvoorstel tot stand komt geen verdere wijzigingen worden doorgevoerd, verwachten wij namelijk dat een aantal regels verstrekkende gevolgen kunnen hebben.  

Vond u dit nuttig?