Deense vrijstelling van bronbelasting voor uitkeringen aan binnenlandse icbe’s in strijd met EU-recht | Deloitte Nederland

Article

Deense vrijstelling van bronbelasting voor uitkeringen aan binnenlandse icbe’s in strijd met EU-recht

Het HvJ EU oordeelt dat dividenden betaald aan buitenlandse icbe’s die vergelijkbaar zijn met Deense icbe’s voor dezelfde vrijstelling in aanmerking moeten komen.

27 juni 2018

Feiten en omstandigheden

Op 21 juni 2018 besliste het HvJ EU dat de Deense regels voor dividendbelastingvrijstelling die gelden voor binnenlandse instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) in strijd zijn met het vrije verkeer van kapitaal.

Deense regels

Naar Deens recht zijn dividenduitkeringen door Deense vennootschappen aan bepaalde Deense icbe’s vrijgesteld van bronbelasting. Het doel van de Deense wetgeving is om een gelijke belastingdruk te verzekeren voor belastingplichtigen die direct of middels een icbe beleggen in Deense vennootschappen. Deense icbe’s die in aanmerking komen voor de dividendbelastingvrijstelling zijn verplicht om dividend uit te keren of betaalbaar te stellen aan hun participanten, waarna Deense bronbelasting wordt geheven over de dividenduitkering aan de participanten. Door de vrijstelling over de initiële uitkering drukt slechts eenmaal bronbelasting op de dividenduitkeringen; alleen op de dooruitdeling door de icbe aan de participant. Dividenduitkeringen aan buitenlandse icbe’s komen echter niet in aanmerking voor de vrijstelling van Deense bronbelasting, zelfs niet als deze vergelijkbaar zijn met Deense icbe’s. Hierdoor ontstaan mogelijk een minder gunstige behandeling, omdat naast de uitdeling aan de buitenlandse icbe ook de uitdeling door deze icbe aan de achterliggende participant aan bronbelasting kan worden onderworpen.

Arrest HvJ EU

Het HvJ EU is van oordeel dat deze verschillende behandeling in strijd is met het vrije verkeer van kapitaal. Hoewel het doel van de Deense regeling een verschillende behandeling van buitenlandse icbe’s zou kunnen rechtvaardigen, gaat de regeling verder dan noodzakelijk om dit doel te bereiken. Volgens het HvJ EU kan het doel van het Deense systeem eveneens worden bereikt wanneer Denemarken de vrijstelling ook zou toestaan aan bepaalde buitenlandse icbe’s, op voorwaarde dat deze buitenlands icbe’s volledig samenwerken met de Deense belastingautoriteiten. Deze buitenlandse icbe’s zouden aan moeten tonen dat zij een vergelijkbare bronbelasting afdragen bij uitkering van het dividend over een gelijkwaardige heffingsgrondslag als binnenlandse icbe’s zouden doen. Zolang Denemarken niet op deze manier optreedt, moet het de vrijstelling van bronbelasting uitbreiden naar buitenlandse icbe’s.

Commentaar

Het besluit van het HvJ EU is mogelijk ook relevant voor Nederland. De doelstelling van de fiscale behandeling van Nederlandse FBI’s is vergelijkbaar met die van de Deense regeling waarover het HvJ EU zich heeft gebogen. Omdat de belastingdruk voor een persoon die investeert in een Nederlandse vennootschap niet zou moeten verschillen al naar gelang deze persoon dit rechtstreeks dan wel via een FBI doet, dient de bronbelasting in het laatste geval te worden verlaagd zodat slechts eenmaal sprake is van inhouding van belasting. Anders dan bij de Deense regeling, waarin sprake is van een uitzondering voor dividenduitkeringen aan icbe’s, kan volgens de Nederlandse regels een afdrachtvermindering worden geclaimd wanneer de FBI overgaat tot uitkering van dividend aan de participanten.

Ondanks deze technische verschillen kan een vergelijkbaar besluit van het HvJ EU worden verwacht wanneer het zich uitspreekt over het Nederlandse FBI-systeem. Over dit onderwerp is reeds een aantal zaken aanhangig bij het HvJ EU (C-156/17, Köln-Aktienfonds Deka, en C-157/17, X). Verwacht wordt dat veel buitenlandse beleggingsfondsen naar aanleiding van dit besluit zullen overwegen (nadere) vorderingen om teruggave van Nederlandse dividendbelasting in te dienen.


Bron: HvJ EU, 21 juni 2018, C-480/16 (Fidelity Funds), ECLI:EU:C:2018:480

Vond u dit nuttig?