Duitse bronbelasting is in strijd met Moeder-dochterrichtlijn

Article

Duitse bronbelasting is in strijd met Moeder-dochterrichtlijn

Duitsland hanteert een algemeen misbruikvermoeden dat is beperkt tot grensoverschrijdende situaties. Volgens het Europese Hof van Justitie is dit niet toegestaan onder de Moeder-dochterrichtlijn.

11 januari 2018

Het Europese Hof van Justitie oordeelde op 20 december 2017 dat Duitsland de vrijstelling van bronbelasting op dividenduitkeringen niet mocht weigeren om de reden dat een achterliggende aandeelhouder bij een direct belang ook niet voor de vrijstelling in aanmerking zou zijn gekomen. Volgens de hoogste Europese rechter vormt dit een inbreuk op de Moeder-dochterrichtlijn en de vrijheid van vestiging.

Feiten en omstandigheden

In twee vergelijkbare kwesties betrof het een Duitse vennootschap waarvan de aandelen gedeeltelijk of volledig werden gehouden door een houdstervennootschap in een andere EU-lidstaat. De aandelen in deze houdstervennootschap werden op hun beurt gehouden door een natuurlijk persoon.

De Duitse vennootschap keerde een dividend uit aan de EU-houdstervennootschap. Duitsland hield een bronheffing in, omdat wel bronbelasting had mogen worden ingehouden wanneer het belang in de Duitse vennootschap rechtstreeks door de natuurlijke persoon zou zijn gehouden. Aan het Europese Hof van Justitie werd de vraag voorgelegd of de inhouding van bronbelasting op de dividenduitkeringen in strijd was met het EU-recht.

Arrest

In beginsel is op deze dividenduitkering de Moeder-dochterrichtlijn van toepassing, waardoor Duitsland een vrijstelling van bronbelasting had moeten toepassen. Duitsland weigerde dit echter met een beroep op een in haar wetgeving opgenomen bewijsvermoeden van fraude of misbruik. Op grond van dat algemene vermoeden werd door de EU-houdstervennootschap heen gekeken. Omdat de achterliggende participant geen beroep op de vrijstelling van bronbelasting had kunnen doen, werd deze ook aan de houdstervennootschap ontzegd.

De Moeder-dochterrichtlijn staat toe om ingeval van fraude of misbruik de voordelen van de richtlijn niet toe te kennen. Volgens het Hof van Justitie mag dat echter niet, zoals in onderhavige kwestie, op grond van een algemeen vermoeden van misbruik, zonder dat de belastingdienst een begin van bewijs van het ontbreken van economische redenen of aanwijzingen van fraude en misbruik hoeft te overleggen. Bovendien kon door de belastingplichtige geen tegenbewijs worden geleverd. Het Hof van Justitie voegt hieraan toe dat het beheren van de activa van een dochtermaatschappij, of dat die moedermaatschappij uitsluitend uit dat beheer inkomsten verwerft, als zodanig onvoldoende is om te impliceren dat sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie. Om deze redenen moet Duitsland op de dividenduitkering alsnog de in de Moeder-dochterrichtlijn voorziene vrijstelling van bronbelasting toepassen.


Bron: Hof van Justitie van de EU van 20 december 2017, C-504/16 (Deister Holding), ECLI:EU:C:2017:1009.

Vond u dit nuttig?