Dwangsomregeling en recht op bezwaarkostenvergoeding verduidelijkt

Article

Dwangsomregeling en recht op bezwaarkostenvergoeding verduidelijkt

In een tweetal arresten heeft de Hoge Raad de reikwijdte van de dwangsomregeling en het recht van een belastingplichtige op een bezwaarkostenvergoeding verduidelijkt.

30 januari 2018

Beslistermijn

In de Algemene wet bestuursrecht is vastgelegd dat de belastingdienst binnen zes weken uitspraak op bezwaar doet nadat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken. Op die regel bestaan echter de nodige uitzonderingen. Zo geldt in de situatie waarin eerst pro-forma bezwaar wordt aangetekend dat de beslistermijn wordt opgeschort totdat motivering heeft plaatsgevonden. Vervolgens kan de inspecteur de beslissing eenzijdig met maximaal zes weken uitstellen en is verder uitstel mogelijk wanneer alle partijen daarmee instemmen.

Dwangsom bij niet-tijdig beslissen

Wanneer de belastingdienst uiteindelijk in gebreke blijft om uitspraak op bezwaar te doen, kan de belastingplichtige echter een beroep doen op de dwangsomregeling wegens niet-tijdig beslissen. Op grond hiervan verbeurt de inspecteur een dwangsom, die oploopt van € 20 tot € 40 voor elke dag dat hij in gebreke blijft, totdat het maximum van € 1.260 is bereikt. Daartoe is echter wel een voorafgaande ingebrekestelling vereist. Vervolgens heeft de inspecteur nog veertien dagen om op het bezwaarschrift te beslissen.

Recentelijk moest de Hoge Raad oordelen over de vraag of ook aanspraak kan worden gemaakt op een dwangsom als de inspecteur weliswaar binnen de termijn van de ingebrekestelling beslist, maar daarbij onzorgvuldig te werk gaat en het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk verklaart wegens termijnoverschrijding. Volgens de Hoge Raad is dat niet het geval. Ook een onzorgvuldig tot stand gekomen uitspraak op bezwaar is immers een beschikking.

Het voorgaande laat onverlet dat de belastingplichtige de niet-ontvankelijkverklaring in rechte kan betwisten en daarbij een verzoek kan indienen om integrale vergoeding van zijn proceskosten. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat daar aanleiding voor kan bestaan bij ernstig onzorgvuldig handelen van de inspecteur.  

Bezwaarkostenvergoeding

In het tweede arrest dat centraal staat in deze bijdrage, heeft de Hoge Raad echter ook een beperking aangebracht ten aanzien van het recht op een bezwaarkostenvergoeding. In die zaak draaide het om een naheffingsaanslag parkeerbelasting die was opgelegd wegens het invoeren van een foutief kenteken. Naar aanleiding van het daartegen ingediende bezwaarschrift, heeft de heffingsambtenaar laten weten dat aan het bezwaar tegemoet zou worden gekomen. Vervolgens heeft wel een telefonische hoorzitting plaatsgevonden tussen de gemachtigde van belanghebbende en de heffingsambtenaar waarin over een bezwaarkostenvergoeding is gesproken. Uiteindelijk heeft de heffingsambtenaar geweigerd om die te verlenen. Volgens Hof Amsterdam ten onrechte. Het Hof heeft echter geen vergoeding toegekend voor de telefonische hoorzitting, omdat de beslissing op bezwaar toen al was genomen. De Hoge Raad heeft dit oordeel bevestigd.


Bronnen: 

  • HR 26 januari 2018, 17/04365, ECLI:NL:HR:2018:94 
  • HR 26 januari 2018, 17/03083, ECLI:NL:HR:2018:96 
Vond u dit nuttig?