Titel

Article

Eindejaarstips en eindejaarscorrecties btw

De laatste btw-aangifte van het jaar is altijd een bijzondere aangifte omdat die gebruikt wordt om een aantal correcties te maken. In dit bericht wordt daarom een overzicht gegeven van de belangrijkste correcties en aandachtspunten voor deze aangifte. In deze alert worden tevens de belangrijkste wijzigingen voor de btw per 1 januari 2018 besproken. Voorafgaand hieraan geven wij u een actiepuntenlijstje. U kunt aan de hand van de linkjes eenvoudig doorklikken naar de diverse onderdelen in deze alert.

19 december 2017

Actiepunten

English version

Vanaf 1 januari 2018:

In de laatste btw-aangifte over 2017:

Vóór 26 januari 2018:

  • Bij een optie btw-belaste levering van onroerend goed in 2016: 90% of 70%-verklaring koper onroerende zaak:
  • In geval de huurder niet voldoet aan het 90%- of 70%-vereiste melding bij inspecteur en verhuurder

Beiden: zie 90%- of 70%-verklaring bij levering en verhuur van onroerende zaken
In de eerste aangifte van 2018:

Binnen zes weken na indienen en betalen laatste btw-aangifte 2017:

  • In overleg met uw adviseur: bezwaar tegen eigen btw-aangifte voor herziening in het eerste jaar

Vóór 1 april 2018:

De eindejaarscorrecties

Privégebruik auto van de zaak


Gedurende het boekjaar mag een ondernemer alle btw op kosten voor de auto van de zaak in aftrek brengen. Aan het einde van het boekjaar geeft hij btw aan ter zake van het privégebruik van hemzelf en/of de werknemers. In beginsel wordt de te betalen btw berekend aan de hand van de verhouding tussen het aantal werkelijk gereden privékilometers en het totaal aantal kilometers op basis van de daadwerkelijk gemaakte uitgaven. Daarbij wordt woon-werkverkeer gezien als privé. De ondernemer kan gebruikmaken van een goedkeuring waarbij hij 2,7% van de cataloguswaarde (inclusief btw en bpm) van de auto aangeeft als correctie op de eerder genoten aftrek. De ondernemer mag een percentage van 1,5% in plaats van 2,7% hanteren vanaf het vijfde jaar volgende op het jaar van eerste ingebruikname. Dit mag hij ook indien hij geen btw bij de aanschaf van de auto in aftrek heeft gebracht. De verschuldigde btw geeft de ondernemer aan in rubriek 1d van de laatste btw-aangifte van het jaar.

Als de werknemer voor het privégebruik van een auto van de zaak een eigen bijdrage verschuldigd is, dient de werkgever over deze ontvangen bijdrage btw te voldoen. Is de betaalde eigen bijdrage lager dan de normale waarde dan dient de ondernemer echter btw te voldoen over de normale waarde. De normale waarde komt overeen met wat de ondernemer in de markt zou moeten betalen om de auto voor privégebruik ter beschikking te kunnen stellen aan de werknemer. De ondernemer mag als normale waarde de forfaits van 2,7% en 1,5% hanteren.

Correctie ander privégebruik

Ook voor ander privégebruik door de ondernemer, zijn personeel of relaties dienen correcties plaats te vinden in de laatste btw-aangifte. Voorbeelden zijn verstrekkingen in de kantine, relatiegeschenken, personeelsuitjes en kerstpakketten. Indien de verstrekkingen aan een werknemer of relatie niet uitkomen boven de €227 per boekjaar, kan de correctie achterweg blijven. Voor de kantine bestaat een speciale regeling.

In de praktijk betekent dit dat ondernemers die weten dat zij de €227-grens zullen overschrijden, de btw op de kosten voor personeelsvoorzieningen en relatiegeschenken niet in aftrek mogen brengen. Indien een ondernemer echter verwacht dat de €227-grens niet zal worden overschreden, mag hij de btw op deze kosten gedurende het jaar in aftrek brengen. Als aan het einde van het jaar alsnog blijkt dat de €227-grens is overschreden, dient hij de ten onrechte in aftrek gebrachte btw aan te geven in rubriek 1d van de btw-aangifte.

Herziening

De mate van aftrek van voorbelasting wordt bepaald op het moment dat de ondernemer goederen of diensten aanschaft. Indien de ondernemer de goederen of diensten gebruikt voor btw-belaste doeleinden mag de volledige btw in aftrek worden gebracht. Indien de goederen of diensten worden gebruikt voor vrijgestelde doeleinden mag de btw niet in aftrek worden gebracht. Indien de goederen of diensten gebruikt worden voor btw-belaste en btw-vrijgestelde doeleinden mag de voorbelasting naar rato in aftrek worden gebracht.

Indien de ondernemer de goederen of diensten niet direct gebruikt, is bepalend wat de bestemming van de goederen of diensten is om vast te stellen of en in welke mate recht op aftrek bestaat. Vervolgens wordt op het moment van ingebruikname bezien of de aftrek die is bepaald op basis van de bestemming van de goederen of diensten wel juist is. Mocht het daadwerkelijke gebruik afwijken van de bestemming dan is de ondernemer alsnog btw verschuldigd (bij meer gebruik voor vrijgestelde prestaties in plaats van belaste prestaties) of kan hij btw terugvragen (bij meer gebruik voor belaste prestaties). Aan het einde van het boekjaar wordt nogmaals op basis van gegevens van het gehele boekjaar bekeken of de mate van aftrek aanpassing behoeft, omdat het gebruik gedurende het boekjaar afwijkt van het gebruik op het tijdstip van eerste ingebruikname.

De aftrek van btw op de aanschaf van onroerende zaken en roerende zaken waarop wordt afgeschreven wordt vervolgens nog een aantal boekjaren gevolgd. Voor onroerende zaken is deze periode negen jaar na het boekjaar van ingebruikname en voor roerende zaken vier jaar na het boekjaar van ingebruikname. Mogelijk geldt als gevolg van Europese jurisprudentie de herziening over een langere periode ook voor bepaalde (investerings)diensten.

Gedurende deze jaren dient aan het eind van elk boekjaar de aftrek te worden beoordeeld. Als het gebruik in het afgelopen boekjaar tot een andere btw-aftrek dan de aftrek in het boekjaar van ingebruikname leidt (méér btw-vrijgesteld of méér btw-belast), dient er te worden gecorrigeerd (herziening). De grondslag hiervoor is niet de totale btw die de ondernemer heeft betaald voor de verwerving van de goederen of diensten, maar elk jaar 10% (onroerende zaken) of 20% (roerende zaken) van die btw. De herziening blijft in een boekjaar achterwege als de in dat jaar werkelijk voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting niet meer dan 10% verschilt van het in het boekjaar van ingebruikname in aftrek gebrachte bedrag aan voorbelasting.

De correcties als gevolg van de herziening dienen te worden vermeld in rubriek 5b van de btw-aangifte.

Naar aanleiding van recente Europese jurisprudentie kan naar onze mening worden betwijfeld of de herzieningsregeling zoals Nederland die hanteert in lijn is met de Europese btw-richtlijn. In voorkomend geval kan het interessant zijn om – in overleg met uw adviseur - een beroep te doen op de mogelijk afwijkende regeling uit de btw-richtlijn.

Pro rata algemene kosten

De btw op algemene kosten kan in aftrek worden gebracht op basis van de zogenaamde pro rata. Dit is de verhouding tussen de belaste vergoedingen die de ondernemer ontvangt ten opzichte van de totale vergoedingen. Aan het einde van elk jaar dient te worden vastgesteld wat de pro rata voor dat jaar is.

Als de omzetten het werkelijke gebruik niet weerspiegelen, kan de pro rata worden vastgesteld op basis van het werkelijk gebruik. Bij onroerende zaken is dit veelal aan de orde. Zowel de belastingplichtige als de belastingdienst kan in stelling brengen dat de pro rata moet worden berekend op basis van werkelijk gebruik. Degene die de pro rata op basis van werkelijk gebruik wil toepassen heeft daarbij wel een bewijslast. Vaak kunt u afspraken maken met de inspecteur over de toepassing van een pro rata op basis van werkelijk gebruik.

90%-verklaring en 70%-verklaring bij levering en verhuur van onroerende zaken

De verkoop en verhuur van onroerende zaken is in beginsel vrijgesteld van btw. In beide gevallen is het echter mogelijk om te opteren voor btw-heffing indien de koper respectievelijk huurder de onroerende zaak voor ten minste 90% gebruikt voor belaste prestaties. In bepaalde gevallen volstaat 70% belast gebruik (zie Besluit ‘Levering en verhuur van onroerende zaken’(19 september 2013, nr. BLKB 13/1686M), (bijvoorbeeld voor arbodiensten, reisbureaus, postvervoersbedrijven en openbare radio-en televisieorganisaties).

Een koper van een onroerende zaak dient te verklaren dat hij in het boekjaar van levering en het daaropvolgende boekjaar heeft voldaan aan deze 90%-norm. Dit dient te gebeuren binnen vier weken na afloop van deze periode. Voor onroerende zaken waarbij in 2016 is geopteerd voor een belaste levering, dient de koper dus uiterlijk 28 januari 2018 deze 90%-verklaring af te geven. Indien de onroerende zaak niet in het boekjaar van levering of het daaropvolgende boekjaar in gebruik is genomen, vervalt de optie. Op basis van een goedkeuring van de staatssecretaris van Financiën mag deze referentieperiode onder voorwaarden worden opgeschort indien als gevolg van werkzaamheden aan de onroerende zaak deze niet door de koper in gebruik is genomen voor het einde van de referentieperiode.

In geval van belaste verhuur dient de huurder aan het eind van elk boekjaar na te gaan of hij dat boekjaar aan de 90%-norm heeft voldaan. Indien hij hieraan niet heeft voldaan, dient hij dit binnen vier weken na afloop van het boekjaar te melden bij de verhuurder en de inspecteur van de huurder. Vervolgens moet de btw worden gecorrigeerd (tenzij het niet voldoen aan de 90% norm onverwacht is) en moet de huursom worden aangepast indien en voor zover het huurcontract daarin voorziet.

Terugvorderen buitenlandse btw

Indien een ondernemer in 2017 facturen heeft ontvangen met buitenlandse EU-btw, dan kan deze btw worden teruggevraagd via de Nederlandse Belastingdienst. Een verzoek hiervoor moet uiterlijk 30 september 2018 worden ingediend. Indien het gaat om een bedrag van ten minste € 50 dan kunt u al vanaf 1 januari 2018 om teruggaaf vragen. U krijgt de btw dan – indien geen nadere gegevens moeten worden verstrekt – binnen vier maanden terug (tenzij uw verzoek wordt afgewezen). Overigens kunt u ook al gedurende het jaar voor een periode van tenminste drie maanden een teruggaafverzoek indienen indien de terug te vorderen btw € 400 of meer bedraagt.

Een teruggaafverzoek voor buitenlandse btw moet in Nederland worden ingediend via een speciale internetsite van de Belastingdienst, te vinden op deze website. Hiervoor zijn inloggegevens nodig. Indien u deze nog niet heeft, kunnen deze worden aangevraagd via deze link. Indien u de inloggegevens wel hebt, maar bent vergeten, vraag deze dan niet opnieuw aan, maar neem contact op met de Belastingtelefoon (0800-0543).

NB: Indien u in het EU-land dat de btw moet teruggeven belastbare prestaties verricht, waarbij u de btw moet voldoen, kunt u geen gebruik maken van het teruggaafverzoek. U moet dan op reguliere wijze btw-aangifte doen in dat EU-land en kunt in die aangifte btw in aftrek brengen.

Correcties eerdere tijdvakken

Correcties van over eerdere tijdvakken gedane btw-aangiften dienen te worden verwerkt in een afzonderlijke suppletieaangifte. Hiervoor is een digitaal formulier opgesteld. Sinds 1 januari 2012 zijn ondernemers verplicht om onjuist ingediende aangiften omzetbelasting te suppleren of zelf te herstellen, formeel zodra het de ondernemer bekend is dat hij een btw-correctie moet aanbrengen (art. 10a AWR; art. 15 Uitv.besl. OB 1968).

Bij relatief kleine correcties gedurende het jaar wordt in beginsel geaccepteerd dat deze tezamen in één suppletieaangifte voor het gehele jaar worden gecorrigeerd. Bedraagt de btw-correctie in totaal minder dan € 1.000 (te ontvangen of te betalen), dan mag de suppletie worden verwerkt in de eerstvolgende aangifte. De suppletieaangifte voor het jaar 2017 moet bij voorkeur vóór 1 april 2018 worden ingediend. Bij indiening vóór 1 april 2018 hoeft geen belastingrente te worden betaald. Wel is het mogelijk dat een verzuimboete door de belastingdienst wordt opgelegd. Bij indiening vanaf 1 april 2018 moet wel belastingrente worden betaald en bestaat de mogelijkheid dat de belastingdienst een vergrijpboete oplegt.
Vanaf 1 januari 2018 kunnen ondernemers de suppletieaangiften alleen nog maar digitaal doorgeven. Dit kan op een van de volgende wijzen worden gedaan:

  • Door in te loggen op de website van de Belastingdienst
  • Door het gebruik van de eigen software
  • Door uw adviseur dit digitaal door te laten geven

Teruggaaf van btw op oninbare vorderingen

Wanneer uw afnemer het door u in rekening gebrachte bedrag vermeerderd met btw geheel of gedeeltelijk niet betaalt heeft u geheel of gedeeltelijk recht op teruggaaf van de door u voldane btw in het tijdvak waarin de oninbaarheid van uw vordering kan worden vastgesteld. Het recht op teruggaaf ontstaat uiterlijk één jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden. Indien vorderingen bijvoorbeeld in januari 2017 opeisbaar zijn geworden dan kunt u de btw op deze (niet betaalde) vorderingen terugvragen in de eerste btw-aangifte van 2018. Wanneer de oninbaarheid van dergelijke vorderingen al in bijvoorbeeld december 2017 komt vast te staan, ontstaat op dat moment recht op teruggaaf.

Voor vergoedingen die opeisbaar zijn geworden in 2016 geldt een overgangsregeling, waarbij de termijn van één jaar geacht wordt te zijn aangevangen op 1 januari 2017. Dit brengt met zich dat voor deze vorderingen btw-teruggaaf kan worden verkregen op 1 januari 2018, tenzij al eerder duidelijk is geworden dat de vordering niet wordt betaald.

De teruggaaf van btw kan via de btw-aangifte worden gedaan in plaats van (voorheen) via een apart verzoek. Indien later alsnog sprake is van een (gedeeltelijke) betaling van de oninbaar geachte vordering zult u de teruggevraagde btw op deze (gedeeltelijke) betaling weer verschuldigd worden.

Als tegenhanger van de één-jaarstermijn bij teruggaaf, is overigens voor de niet-betalende afnemer opgenomen dat hij de afgetrokken doch niet betaalde btw in ieder geval verschuldigd wordt één jaar na het tijdstip van opeisbaarheid van de vergoeding. Betaalt hij daarna alsnog, dan krijgt hij opnieuw recht op aftrek. Ook dit kan plaatsvinden via de reguliere btw-aangifte. Voor niet betaalde schulden die opeisbaar zijn geworden in 2016 geldt geen overgangsregeling. Deze btw moet in 2017 worden voldaan, in het tijdvak waarin de één-jaarstermijn verloopt.

Wijzigingen btw met ingang van 2018

Op 19 september 2017 heeft het kabinet het Belastingplan 2018 en aanverwante wetsvoorstellen bij de Tweede Kamer ingediend. De beoogde inwerkingtredingsdatum van de maatregelen is 1 januari 2018. Deze wetsvoorstellen zijn op 23 november jl. aanvaard door de Tweede Kamer, maar moeten nog worden goedgekeurd door de Eerste Kamer. Wij verwachten dat de Eerste Kamer hier op korte termijn duidelijkheid over zal verschaffen.

Aanscherping definitie geneesmiddelen

Tussen 17 juli en 14 augustus 2017 heeft het Ministerie van Financiën een internetconsultatie geopend over de aanscherping van de definitie van geneesmiddelen voor de toepassing van het verlaagd btw-tarief. In het Belastingplan 2018 is deze aanscherping van de definitie van geneesmiddelen zonder wijziging opgenomen.

Door de aanscherping van de wetgeving zullen producten vanaf 1 januari 2018 alleen onder het verlaagde btw-tarief van 6% vallen, indien voor deze producten een (parallel)handelsvergunning is afgegeven zoals bedoeld in de Geneesmiddelenwet of indien zij daar expliciet van zijn vrijgesteld. Producten die op basis van hun presentatie als geneesmiddel thans delen in het verlaagde btw-tarief, terwijl ze vanuit het perspectief van de Geneesmiddelenwet en Europese regelgeving voor cosmetica, geneesmiddelen en medische hulpmiddelen evident niet als geneesmiddel in het handelsverkeer mogen worden gebracht, zullen vanaf 1 januari 2018 niet meer onder het verlaagde btw-tarief vallen.

Aanpassing tariefbepalingen met betrekking tot zeeschepen

De lidstaten van de EU zijn op grond van de btw-richtlijn verplicht een nultarief toe te passen voor onder andere de levering van schepen die op volle zee worden gebruikt voor passagiersvervoer tegen betaling, vrachtvervoer, visserij en dergelijke. De vrijstelling geldt ook voor de bevoorrading van die schepen en voor een groot aantal diensten met betrekking tot die schepen en voor de levering van voorwerpen die met de schepen vast verbonden zijn of voor hun exploitatie dienen.

Volgens de Europese Commissie voorziet Nederland in een te ruime toepassing van het nultarief doordat in de huidige formulering het nultarief is gekoppeld aan zeeschepen als zodanig, zonder dat daarbij de eis is gesteld dat die zeeschepen ook daadwerkelijk worden gebruikt voor de vaart op volle zee. In het Belastingplan was aangekondigd dat vanaf 1 januari 2018 de bewoordingen nader afgestemd zouden worden op die van de Btw-richtlijn waardoor het nultarief nader wordt beperkt. De beperking houdt in dat het nultarief alleen van toepassing is indien het zeeschip voor 70% of meer wordt gebruikt voor de vaart op volle zee. De inwerkingtreding van de nieuwe btw-behandeling van zeeschepen wordt echter met een jaar uitgesteld tot 1 januari 2019.

Ondernemers die zeeschepen verkopen zullen worden geconfronteerd met de lastige vraag of btw is verschuldigd voor de levering van een schip, aangezien dit afhankelijk is van het gebruik van het schip door de koper. Er is in dit geval niet voorzien in een verleggingsregeling. Als gevolge van het uitstel hebben ondernemers nu heel 2018 de tijd om deze wijziging in hun administratie door te voeren.

Afschaffing landbouwregeling

Zoals met Prinsjesdag 2016 al was aangekondigd wordt met ingang van 1 januari 2018 de landbouwregeling in de btw afgeschaft. Op grond van de landbouwregeling blijven landbouwers e.d. buiten de heffing van btw, maar kunnen zij ook de btw op door hen gemaakte kosten niet in aftrek brengen. Ondernemers kunnen ervoor kiezen om de reguliere btw-regels toe te passen. Steeds minder bedrijven maken gebruik van de landbouwregeling en daarom wordt deze afgeschaft.

Als gevolg van de afschaffing van de landbouwregeling komt ook het verlaagde tarief voor een aantal goederen en diensten die aan landbouwers e.d. worden verricht te vervallen.

Landbouwers die thans gebruik maken van de landbouwregeling zullen te maken krijgen met een sfeerovergang, waardoor zij de btw op voor 1 januari 2018 gedane investeringen moeten herzien.

Het overgangsrecht bestaat uit twee onderdelen. In de eerste plaats moet de landbouwer die tot 1 januari 2018 gebruik maakt van de landbouwregeling en vanaf 1 januari 2018 de normale btw-regels gaat toepassen de btw die hem in rekening is gebracht wegens de aanschaf van zijn investeringsgoederen die op 1 januari 2018 bij hem in gebruik zijn, voor de resterende herzieningsperiode in een keer in aftrek brengen in 2018 op grond van de herzieningsregels. De landbouwer krijgt hiervoor gedurende heel het jaar 2018 de tijd. Hij kan dit bijvoorbeeld in één keer doen in het laatste kwartaal van 2018. Het betreft hier goederen en diensten waarvoor aannemelijk is gemaakt dat deze voor de resterende herzieningsperiode voor belaste handelingen zullen worden gebruikt.

In de tweede plaats voorziet de overgangsregeling erin dat de in rekening gebrachte btw op goederen en diensten die door de landbouwer voor 1 januari 2018 zijn aangeschaft, maar die met ingang van 1 januari 2018 nog niet in gebruik zijn genomen, in 2018 voor het volledige btw-bedrag in aftrek moet worden gebracht overeenkomstig de gewijzigde bestemming van deze goederen of diensten. Het moment van ingebruikname in 2018 is dan het uiterlijke moment om de btw in aftrek te brengen.

Aansprakelijkheid voor pandhouder, hypotheekhouder en executant

Wanneer een pand- of hypotheekhouder dan wel executant namens de eigenaar goederen verkoopt, kan hij zich ook verhalen op de eventuele btw-opbrengst. Hierdoor loopt de Nederlandse Belastingdienst btw-inkomsten mis. Per 1 januari 2018 wordt een hoofdelijke aansprakelijkheid ingevoerd voor de pand- of hypotheekhouder dan wel executant voor de voldoening van deze btw. Deze aansprakelijkheid voor de verschuldigde btw geldt overigens alleen indien de pand- of hypotheekhouder, dan wel de executant, wist of behoorde te weten dat de btw niet of niet volledig door de belastingschuldige is voldaan en ook niet of niet volledig door de belastingschuldige zal worden voldaan.

Vond u dit nuttig?