Fatale aanslagtermijn geldt niet voor verliesvaststellingsbeschikking | Deloitte

Article

Fatale aanslagtermijn geldt niet voor verliesvaststellingsbeschikking

Volgens de Hoge Raad deelt een verliesvaststellingsbeschikking niet in het lot van een te laat opgelegde aanslag. Ook na het verstrijken van de aanslagtermijn kan de inspecteur het verlies van een jaar rechtsgeldig bij beschikking vaststellen.

26 februari 2018

Wettelijk aanslagtermijn

De bevoegdheid van de inspecteur om een aanslag op te leggen vervalt als uitgangpunt drie jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Deze termijn wordt echter verlengd met de periode waarvoor aan de belastingplichtige uitstel is verleend voor indiening van de aangifte, ongeacht in hoeverre feitelijk gebruik is gemaakt van dit uitstel. Voor tijdvakbelastingen als de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting neemt de driejaarstermijn direct na afloop van het heffingstijdvak een aanvang.

Legt de inspecteur een aanslag buiten de termijn op dan is deze niet van rechtswege nietig. De belastingplichtige zal uitdrukkelijk een beroep moeten doen op termijnoverschrijding. Sterker nog, als de belastingplichtige ook na verloop van de wettelijke termijn nog belang heeft bij het opleggen van een aanslag dan blijft de inspecteur daartoe verplicht. Recentelijk deed zich de vraag voor of de hierboven uiteengezette regels ook gelden voor de vaststelling van het in een (boek)jaar geleden verlies. Volgens de Hoge Raad is dat niet het geval.

Verliesvaststellingsbeschikking

In de betreffende zaak draaide het om een belastingplichtige die op 28 september 2010 aangifte vennootschapsbelasting 2009 had gedaan naar een negatief belastbaar bedrag van € 625.660. Voor het doen van aangifte was elf maanden uitstel verleend door de inspecteur. Als gevolg hiervan eindigde de aanslagtermijn op 30 november 2013.

De inspecteur heeft echter pas met dagtekening 3 januari 2014 een nihilaanslag opgelegd en het verlies over 2009 (in afwijking van de aangifte) op € 152.948 vastgesteld. Dit verlies is vervolgens achterwaarts verrekend met het positieve belastbare bedrag over 2006. Naar aanleiding van het door belastingplichtige gedane beroep op termijnoverschrijding heeft het gerechtshof de aanslag vernietigd. De verliesvaststellingsbeschikking is echter door het hof in stand gelaten.

In cassatie betoogde belanghebbende dat de verliesvaststellingsbeschikking het lot van de aanslag moet delen en dat, conform de eerder vastgestelde voorlopige aanslag, een verlies van € 625.660 in aanmerking moet worden genomen. De Hoge Raad heeft dit betoog echter verworpen en geoordeeld dat overschrijding van de wettelijke aanslagtermijn enkel tot gevolg heeft dat geen belastingschuld meer kan worden vastgesteld. Ons hoogste rechtscollege wijst er daarbij fijntjes op dat vernietiging van de verliesvaststellingsbeschikking de belastingplichtige juist in zijn belangen zou schaden. Zonder zo’n beschikking kunnen verliezen namelijk überhaupt niet worden verrekend.

Conclusie

Op het oordeel van de Hoge Raad valt wetssystematisch bezien weinig af te dingen. Het gevolg is echter wel dat de inspecteur in verliessituaties ook na het verstrijken van de aanslagtermijn nog correcties kan aanbrengen door het verlies op een lager bedrag vast te stellen. Overschrijding van de wettelijke aanslagtermijn maakt niet dat de inspecteur gebonden is aan de hoogte van het door een belastingplichtige aangegeven verlies.


Bron: HR 23 februari 2018, 17/00188, ECLI:NL:HR:2018:264

Vond u dit nuttig?