Fiscale aspecten van de Brexit

Article

Fiscale aspecten van de Brexit

Op 23 juni 2016 heeft het Verenigd Koninkrijk (VK) in een referendum besloten de EU te verlaten. Deze beslissing heeft ook gevolgen voor een aantal fiscale aangelegenheden.

24 juli 2018

1. Inleiding

English version

Op 23 juni 2016 heeft het Verenigd Koninkrijk (VK) in een referendum besloten de EU te verlaten. Op 29 maart 2017 is het VK de zogenoemde art. 50 procedure gestart die de formele uittreding uit de EU regelt. Deze procedure duurt twee jaar. Dat betekent dat het VK op 29 maart 2019 formeel uittreedt. In principe kan die termijn niet verkort of verlengd worden. Voor die datum moeten het VK en de EU onderling afspraken hebben gemaakt over de vormgeving van de uittreding, eventuele EU-rechtelijke bepalingen die mogelijk toch blijven gehandhaafd en eventueel overgangsrecht. Voor zover dat niet gebeurt, eindigt het lidmaatschap niettemin toch. Naar de huidige stand van zaken zijn er nog steeds geen concrete afspraken gemaakt over de uittreding. Er wordt ook nog gediscussieerd over de vormgeving: een harde of een zachte Brexit. Bij een harde Brexit vervallen in principe alle EU-regels en gaat het VK geheel haar eigen gang. Het VK wordt dan een echt derde land ten opzichte van de EU. Bij een zachte Brexit blijft een aantal regelingen van de EU op het VK van toepassing. Indien dat gebeurt is overigens momenteel nog onduidelijk welke regelingen blijven gehandhaafd en welke vervallen. In algemene zin zou het zowel voor het VK als voor de EU van groot belang zijn als alle regels omtrent het vrij goederen- en dienstenverkeer gecontinueerd worden. Maar zoals gezegd: het is op dit moment allemaal nog onduidelijk.
De uittreding van het VK uit de EU heeft vanzelfsprekend ook gevolgen voor een aantal fiscale aangelegenheden. Zolang het VK de EU formeel nog niet heeft verlaten, blijft het EU-recht, en daarmee de fiscale EU-regels, onverkort van toepassing.

Ten aanzien van de fiscale regelgeving zijn de volgende thema’s relevant:

  • omzetbelasting;
  • invoerrechten;
  • accijnzen;
  • kapitaalsbelasting;
  • diverse richtlijnen ten aanzien van directe belastingen;
  • het arbitrageverdrag;
  • staatsteunregels/Code of conduct;
  • richtlijnen inzake bijstand bij heffing, resp. invordering van belastingen;
  • belastingverdragen.

Daarnaast is regelgeving ten aanzien van de heffing van sociale verzekeringsrechten en premies van belang. Buiten het terrein van de regelgeving behoeft de rechtspraak van het Hof van Justitie aandacht. Hierna bespreken wij de bovenstaande thema’s. Alvorens daarop in te gaan maken wij eerst een aantal algemene opmerkingen.

2. Enkele algemene aspecten

Het vertrek van het VK uit de EU heeft betekenis voor Engeland, Wales, Schotland en Noord-Ierland. Het leek niet ondenkbaar dat een of meer van deze gebieden proberen om alsnog in de EU te blijven, maar naar de huidige stand van zaken is dat zeer onwaarschijnlijk. Het zou daarbij met name kunnen gaan om Schotland. Daarnaast heeft de uittreding ook gevolgen voor de tot het VK behorende Kanaaleilanden en het eiland Man, alsmede overige verbonden gebieden zoals Gibraltar en enkele in het Caribisch gebied gelegen eilanden. Op al deze gebieden is namelijk het EU-recht deels van toepassing. In principe eindigt ook de (partiële) toepassing van het EU-recht in die gebieden.

In de tweede plaats is van belang dat de fiscale gevolgen in essentie mede afhankelijk zijn van twee door het VK te maken kernkeuzes:

  1. Wordt het VK lid van bijvoorbeeld de EER, waartoe IJsland, Noorwegen en Liechtenstein behoren en waarop een belangrijk deel van het EU-recht van toepassing is? Gaat het VK een overeenkomst aan zoals Zwitserland die met de EU heeft, of kiest men voor een geheel zelfstandige status die dan overigens ook stellig tot verdragen met de EU en met EU-lidstaten moet leiden? Naar de huidige stand van zaken bestaat hierover nog steeds geen duidelijkheid. Naar wij verwachten komt een afzonderlijke status tot stand.
  2. EU-regelgeving die momenteel geldend is, zal voor een belangrijk deel zijn geïmplementeerd in het nationale recht van het VK. Dat geldt met name voor EU-richtlijnen, die lidstaten immers moeten implementeren in het nationale recht. De meeste fiscale EU-regelgeving is gebaseerd op richtlijnen. Na de uittreding is weliswaar het EU-recht niet meer van toepassing – tenzij daar andere afspraken over worden gemaakt, bijvoorbeeld omdat het VK toetreedt tot de EER (zie hiervoor) – maar zolang het VK de nationale wetgeving niet aanpast, blijft deze de facto van toepassing. Anders gezegd: aan EU-regelgeving ontleende nationale wetgeving blijft van toepassing totdat deze wordt gewijzigd of afgeschaft. Op dit moment is het geheel onduidelijk hoe het VK hiermee omgaat.

Hierna is voor de belastingheffing uiteengezet wat de gevolgen zijn van de uittreding door het VK indien ervan uit wordt gegaan dat geen ander verdrag wordt gesloten en sprake is van een harde Brexit. Wel is aangegeven of de EU-regelgeving in beginsel gehandhaafd blijft indien het VK deel gaat uitmaken van de EER.

3. Indirecte belastingen

a. Omzetbelasting

De omzetbelasting – btw – is in de EU vergaand geharmoniseerd op basis van een richtlijn en een enkele verordening. Op enkele onderdelen kunnen de lidstaten een eigen invulling geven aan de btw, bijvoorbeeld waar het de tarieven betreft (binnen bepaalde marges) en op het vlak van enkele vrijstellingen. Zolang het VK zijn nationale regelgeving niet aanpast, blijft het huidige btw-stelsel van toepassing. Na vertrek uit de EU kan het VK daarin geheel naar eigen goeddunken aanpassingen aanbrengen, of zelfs overstappen naar een geheel ander stelsel van omzetbelasting. Vooralsnog verwachten wij dat het VK het huidige stelsel handhaaft en eventueel op onderdelen aanpassingen aanbrengt.

Bij een eventuele toetreding tot de EER geldt de BTW-richtlijn niet.


b. Douane- of importheffingen

Tussen de lidstaten van de EU worden geen importheffingen toegepast. Alleen ten opzichte van derde landen is dat het geval. Zodra het VK uit de EU treedt, kan het importheffingen invoeren ten opzichte van EU-lidstaten en kunnen lidstaten importheffingen toepassen ten aanzien van invoer uit het VK, zoals men dat ook kan doen ten opzichte van derde landen.

Bij toetreding tot de EER blijven importheffingen verboden en verandert er derhalve in principe niets.


c. Accijnzen

Accijnzen zijn binnen de EU in zekere mate geharmoniseerd, maar lidstaten hebben daarbij ook een grote mate van vrijheid. Indien het VK de EU verlaat, kan het de accijnzen handhaven maar ook aanpassen of afschaffen. De accijnzen zijn verschuldigd in de staat waar de goederen worden geconsumeerd. Accijnzen geheven in het VK zijn dus van belang voor alle aldaar geconsumeerde goederen waarop die drukken, ongeacht of ze in het VK zijn geproduceerd of in het VK zijn ingevoerd.

Bij toetreding tot de EER geldt de accijnsregelgeving niet.


d. Kapitaalsbelasting

Het VK kent – anders dan Nederland – een kapitaalsbelasting die kort gezegd wordt geheven ter zake van het bijeenbrengen van aandelenkapitaal. Op een dergelijke belasting is de EU kapitaalsbelastingrichtlijn van toepassing. Zodra het VK de EU verlaat kan het de kapitaalsbelasting inrichten naar eigen inzicht. Het ligt niet in de rede dat de kapitaalsbelasting wordt afgeschaft.

Bij toetreding tot de EER geldt de kapitaalbelastingrichtlijn niet.

4. Directe belastingen

a. Algemeen

Ten aanzien van de directe belastingen zoals de vennootschapsbelasting, de loonbelasting en de inkomstenbelasting, zijn de lidstaten in beginsel geheel vrij in de vormgeving. Wel zijn er enkele richtlijnen die een aantal aspecten betreffende de directe belastingen regelen. Deze richtlijnen zijn net als bij de indirecte belastingen in het nationale recht geïmplementeerd. Dat betekent dus dat de uittreding van het VK uit de EU op zich geen gevolgen heeft ten aanzien van de geïmplementeerde richtlijnen zolang de nationale regelgeving van het VK niet wordt aangepast.

b. Moeder-dochterrichtlijn

Ingevolge de Moeder-dochterrichtlijn mag in (grensoverschrijdende) moeder-dochterverhoudingen, mits sprake is van een aandelenbelang van ten minste 10%, geen bronbelasting bij de dochtervennootschap worden geheven op uitgekeerde dividenden en mag dat dividend bij de moedervennootschap in beginsel niet worden belast. Indien het VK geen wijziging aanbrengt in zijn nationale regelgeving, blijven deze regels gelden. Indien de regels worden aangepast of vervallen, is het in principe van belang wat er ten aanzien van uitgekeerde dividenden is geregeld in de belastingverdragen tussen het VK en de andere lidstaten. In de regel vindt dan een verlaging van de dividendbelasting plaats afhankelijk van de omstandigheden.

Het VK past overigens zelf geen dividendbelasting toe op uitgaande dividenden. Nederland heft in principe 15% en verlaagt die op grond van het verdrag.

Indien het VK toetreedt tot de EER kan het zelf bepalen of de Moeder-dochterrichtlijn van toepassing is.


c. Interest- en royaltyrichtlijn

Deze richtlijn voorziet in een vrijstelling van bronbelasting bij interest-, respectievelijk royaltybetalingen bij de uitbetalende vennootschap indien sprake is van een direct belang van ten minste 25% (of indien sprake is van een gezamenlijke moedervennootschap die een direct belang van ten minste 25% in beide vennootschappen houdt). Hiervoor geldt hetzelfde als is opgemerkt ten aanzien van de Moeder-dochterrichtlijn.
Het VK heft bronbelastingen op uitgaande interest en royalty’s. Nederland kent dergelijke belastingen niet.
Indien het VK toetreedt tot de EER kan het zelf bepalen of de interest- en royaltyrichtlijn van toepassing is.


d. Fusierichtlijn

De fusierichtlijn voorziet in een vrijstelling van belasting over meerwaarden bij grensoverschrijdende fusies, splitsingen, aandelenruilen en omzettingen. Zolang het VK de nationale regels ongewijzigd laat, verandert er niets. Het ligt in de rede aan te nemen dat deze faciliteit in beginsel gehandhaafd blijft.

Indien het VK toetreedt tot de EER kan het zelf bepalen of de fusierichtlijn van toepassing is.


e. Anti-BEPS-richtlijn

De anti-BEPS-richtlijn richt zich tegen oneigenlijk gebruik van belastingregels door internationale ondernemingen. Deze richtlijn treedt ingaande 2019 en deels per 2020 in werking. Het is denkbaar dat het VK hier onderdelen van overneemt (ten aanzien van de zogenoemde earnings stripping maatregelen is dit reeds gebeurd). Het kan ook zijn dat onderdelen van deze richtlijn op basis van OESO-afspraken (moeten) worden ingevoerd.


f. Richtlijn inzake Mandatory Disclosure

Deze richtlijn verplicht lidstaten regelgeving tot stand te brengen op basis waarvan tussenpersonen agressieve belastingadviezen aan de Belastingdienst moeten verstrekken. De Belastingdiensten moeten die informatie dan delen met de Belastingdiensten in andere lidstaten voor zover de multinational daar is gevestigd.
Het VK heeft in zekere zin al een dergelijke regeling. De verwachting is dat de onderhavige richtlijn door het VK niet wordt geïmplementeerd.


g. Concept richtlijnen

Er zijn momenteel vier conceptrichtlijnen waarvan overigens onduidelijk is of die ooit in werking treden. Deze zullen voor het VK niet meer van belang zijn, tenzij het VK (deels) anders besluit.

  1. CCTB/CCCTB-richtlijn die moet leiden tot een eenduidig winstbegrip. Wij verwachten dat het VK deze niet overneemt.
  2. FTT-richtlijn inzake de invoering van de financial transaction tax. Wij verwachten dat het VK deze niet invoert.
  3. Richtlijn inzake de invoering van een digitale dienstenbelasting. Wij verwachten dat het VK deze niet invoert.
  4. Richtlijn inzake een fictieve vaste inrichting ten behoeve van digitale diensten, Wij verwachten dat het VK deze niet invoert. Wel is denkbaar dat wanneer hierover op OESO-niveau overeenstemming bestaat het VK een dergelijke regeling wel tot stand brengt.

Van deze richtlijnen is niet bekend of die ook voor de EER gelden.

5. Overige regelgeving

a. Het arbitrageverdrag

Het arbitrageverdrag voorziet in een procedure betreffende geschillen omtrent transferpricing. Het arbitrageverdrag is vanaf het moment van uittreding van het VK niet meer van toepassing. Geschillen over transferpricing moeten nadien opgelost worden op basis van de onderlingoverlegbepaling zoals opgenomen in de door het VK overeengekomen belastingverdragen.

Het arbitrageverdrag geldt niet bij toetreding tot de EER.


b. Richtlijnen inzake administratieve bijstand bij heffing en invordering van belastingen

Deze richtlijnen zijn geïmplementeerd in de nationale regelgeving en blijven derhalve in zoverre van toepassing. Het VK kan de regels ter zake doen laten vervallen of aanpassen vanaf het moment van uittreding. Wel zijn in belastingverdragen enigszins vergelijkbare bepalingen te vinden. Deze gaan echter veel minder ver dan de richtlijnen. Evenwel kent de OESO ook vergaande regels ten aanzien van met name de automatische uitwisseling van inlichtingen bij heffing, die even ver gaan als de EU-richtlijn ter zake. Het ligt dan ook in de rede dat het VK op dit punt niet tot essentiële aanpassingen overgaat.

De bijstandsrichtlijnen gelden ook voor de toepassing van de EER.


c. Staatssteun

In het EU-verdrag is een bepaling opgenomen die staatssteun verbiedt als aan een viertal voorwaarden is voldaan. Deze bepaling is na de uittreding niet langer van toepassing, zodat het VK allerlei vormen van staatssteun kan toepassen. Ook de zogenoemde Code of conduct die schadelijke belastingconcurrentie verbiedt, is niet langer van toepassing. Wel kan het zijn dat de diverse door de OESO (in het kader van het BEPS-project) ontwikkelde actieplannen hier beperkingen aanbrengen.

De staatssteunbepalingen gelden ook onder toepassing van de EER. Dat is echter niet het geval voor de Code of conduct.


d. Sociale verzekeringen

De sociale verzekeringen zijn binnen de EU gecoördineerd door middel van een verordening. Deze bewerkstelligt kort gezegd dat inwoners van lidstaten altijd in slechts één lidstaat verzekerd zijn en daar dus premies betalen en uitkeringen ontvangen. Een verordening is niet geïmplementeerd in de nationale regelgeving. Zodra het VK uittreedt, betekent dit dat de nationale regelgeving van het VK van toepassing wordt. Aangezien er op het sociale verzekeringsterrein vrijwel geen verdragen zijn gesloten, zal dit in grensoverschrijdende gevallen gemakkelijk tot dubbele verzekeringsplicht kunnen leiden, of juist tot het geheel ontbreken van verzekeringsplicht. Het VK zal dus vermoedelijk ter zake verdragen gaan sluiten om dit te voorkomen. Overigens bestaat er nog wel een ‘slapend’ verdrag met Nederland. In principe wordt dat automatisch weer van toepassing zodra het VK de EU verlaat.

De sociale zekerheidsverordening geldt onder de toepassing van de EER.

6. Rechtspraak Hof van Justitie

Zodra nationale regelgeving mogelijk in strijd is met het EU-recht – voor zover het de fiscaliteit betreft gaat het met name om de toepassing van de vrije verkeersbepalingen en de staatssteunregels – kan die regelgeving aan het Europese Hof van Justitie worden voorgelegd. Dit kan zowel gebeuren door de nationale rechter als door de Europese Commissie. Het oordeel van de Europese rechter is dwingend. Ten gevolge van de uittreding van het VK kan het recht van het VK niet meer worden getoetst aan het EU-recht en komen deze procedures niet meer voor. Ook de tot op heden gewezen rechtspraak van de Europese rechter heeft voor het VK formeel geen betekenis meer zodra het uittreedt. Een voorbeeld waar dit voor geldt zijn grensoverschrijdende fiscale eenheden die niet meer kunnen worden afgedwongen op basis van het EU-recht. Een ander punt betreft het beroep dat momenteel in verhouding met derde landen kan worden gedaan op het vrije kapitaalverkeer; ook dat zal na uittreding niet meer mogelijk zijn.

Wat betreft de rechtspraak geldt formeel dat deze niet voor de EER geldt. Evenwel zijn de bepalingen inzake het vrije verkeer voor de EER gelijkluidend aan die van het EU-recht en bestaat daarvoor een rechtsingang bij de EFTA-court. Deze toetst het EER-recht op een vergelijkbare wijze als de Europese rechter. De facto kan dus onder het EER-recht wel worden getoetst.

7. Afronding

Het is duidelijk dat veel van de gevolgen die de uittreding met zich brengt afhankelijk zijn van de ontwikkelingen en besluitvorming tijdens het proces van uittreding. Tot op heden zijn er nog nauwelijks concrete besluiten genomen. Wat dat betreft begint de tijd te dringen.

Vaststaat dat nu een belangrijk deel van de fiscale regels is opgenomen in het nationale recht van het VK, er in zoverre niets wijzigt zolang die regels niet worden aangepast of afgeschaft. Verder is sterk bepalend of het VK toetreedt tot de EER, hetgeen wij overigens niet verwachten. De reden hiervan is onder andere dat dan ook het vrije personenverkeer gerespecteerd moet worden, hetgeen juist een van de belangrijkste punten is op grond waarvan het VK uittreedt. Tot slot zullen belastingverdragen een belangrijkere rol kunnen gaan spelen ten aanzien van met name bronheffingen en is het zeer essentieel dat het VK niet meer is gebonden aan de Europese rechtspraak. In het kader van de bestrijding van het ontwijken van belastingen verandert er naar verwachting minder, omdat het VK de facto gebonden is aan de BEPS-actieplannen van de OESO.

Vond u dit nuttig?