Fiscale beleggingsinstelling valt buiten bereik Moeder-dochterrichtlijn

Article

Fiscale beleggingsinstelling valt buiten bereik Moeder-dochterrichtlijn

Het Hof van Justitie oordeelt dat een fiscale beleggingsinstelling niet kan worden aangemerkt als ‘vennootschap van een lidstaat’, omdat door het 0%-tarief effectief geen sprake is van onderworpenheid.

14 maart 2017

English version

Feiten en omstandigheden

Een in België gevestigde CV keerde in 2000 dividenden uit aan haar aandeelhouders. Twee aandeelhouders van de CV waren in Nederland gevestigde vennootschappen waarop het regime voor fiscale beleggingsinstellingen (fbi) van toepassing was. België hield op de dividenduitkeringen een roerende voorheffing in. Het Hof van Justitie (HvJ EU) werd gevraagd of deze inhouding aan de bron verenigbaar was met de bepalingen van de Moeder-dochterrichtlijn.


Moeder-dochterrichtlijn

De Moeder-dochterrichtlijn kent een verbod op bronheffingen in kwalificerende situaties. Hiervan is sprake wanneer de betrokken vennootschappen (I) beschikken over een kwalificerende rechtsvorm, (II) fiscaal in een EU-lidstaat gevestigd zijn, (III) er een aandelenbelang van ten minste 10% is en (IV) beide vennootschappen, zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld, onderworpen zijn aan een in de bijlage bij de Moeder-dochterrichtlijn genoemde winstbelasting. De discussie in onderhavige kwestie betrof de laatstgenoemde voorwaarde.


Fiscale beleggingsinstellingen

Een fbi is subjectief onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Het tarief is echter 0%, waardoor de fbi effectief geen vennootschapsbelasting betaalt. Om als fbi te kwalificeren moet, onder andere, alle winst van de fbi binnen acht maanden na afloop van het boekjaar waarin de winst is gemaakt worden uitgekeerd aan de achterliggende participanten.


Arrest van het HvJ EU

Het HvJ EU interpreteerde de onderworpenheidstoets zodanig dat het niet voldoende is dat een vennootschap, zoals de fbi, formeel binnen de werkingssfeer van de vennootschapsbelasting valt. Daarnaast moet namelijk een vennootschap van de toepassing van de richtlijn worden uitgesloten wanneer die belasting niet daadwerkelijk wordt betaald. Volgens het HvJ EU moet de toepassing van het 0%-tarief worden gelijkgesteld met niet-onderworpenheid. Omdat de fbi niet binnen het bereik van de Moeder-dochterrichtlijn valt hoeft de inhoudingsvrijstelling ook niet op grond van de richtlijn te worden toegepast.


Commentaar

Het arrest verschaft enige duidelijkheid over een van de toepassingsvoorwaarden van de Moeder-dochterrichtlijn. Vanuit wetenschappelijk perspectief is dit een interessante kwestie, omdat de meeste auteurs van mening waren dat subjectieve onderworpenheid al voldoende zou kunnen zijn. Dat blijkt nu niet het geval.

Toch wil het arrest niet zeggen dat dividenduitkeringen aan Nederlandse fbi’s altijd aan dividendbelasting onderworpen kunnen worden. Ook al is de Moeder-dochterrichtlijn dan niet van toepassing, de Europese verkeersvrijheden zijn dat mogelijk wel. Afhankelijk van de situatie van het geval dient dan alsnog een inhoudingsvrijstelling te worden toegekend. De Belgische rechter had het HvJ EU ook gevraagd of dat in dit geval zo was. Omdat de rechter geen onderbouwing van die vraag had gegeven, is het HvJ EU hier echter niet nader op ingegaan. De discussie ten aanzien van dit punt is dan ook nog niet ten einde.


Bron: Hof van Justitie 8 maart 2017, C-448/15 (Wereldhave Belgium), ECLI:EU:C:2017:180.

Vond u dit nuttig?