Fiscale eenheid tussen zustervennootschappen met Israëlische moedermaatschappij hoeft niet te worden toegestaan | Deloitte

Article

Fiscale eenheid tussen zustervennootschappen met Israëlische moedermaatschappij hoeft niet te worden toegestaan

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het fiscale eenheidsregime niet hoeft te worden toegepast op in Nederland gevestigde zustervennootschappen met een gemeenschappelijke moedermaatschappij in Israël.

15 december 2017

English version


Op 15 december 2017 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het fiscale eenheidsregime niet hoeft te worden toegepast op in Nederland gevestigde zustervennootschappen met een gemeenschappelijke moedermaatschappij in Israël.

Achtergrond

In 2014 oordeelde het Europese Hof van Justitie dat de Nederlandse fiscale eenheidsregels in strijd zijn met de Europese vrijheid van vestiging. Een in Nederland gevestigde moedermaatschappij kon immers een fiscale eenheid vormen met twee in Nederland gevestigde dochtervennootschappen. Wanneer de moedermaatschappij gevestigd was in een andere EU-lidstaat dan kon echter geen fiscale eenheid worden gevormd. Volgens het Europese Hof van Justitie moest Nederland ook een fiscale eenheid toestaan tussen uitsluitend de twee Nederlandse dochtervennootschappen van een overigens voor de fiscale eenheid kwalificerende binnen de EU of Europese Economische Ruimte gevestigde moedermaatschappij, zonder voeging van deze moedermaatschappij in de fiscale eenheid. Inmiddels is deze mogelijkheid in de Nederlandse wetgeving verankerd.

Feiten en omstandigheden

Het arrest van het Europese Hof van Justitie leidde tot de vraag of het daarin gegeven oordeel eveneens van belang was voor derdelandensituaties. In onderhavige kwestie betrof het een in Israël gevestigde moedervennootschap die alle aandelen bezat in twee eveneens in Israël gevestigde dochtervennootschappen. De dochtervennootschappen hadden belangen in drie in Nederland gevestigde vennootschappen. Twee van die Nederlandse vennootschappen bezaten samen alle aandelen in een vierde Nederlandse vennootschap. De in Nederland gevestigde vennootschappen hebben vervolgens een verzoek tot toepassing van het fiscale eenheidsregime gedaan.

Arrest

De Hoge Raad oordeelde dat het fiscale eenheidsverzoek terecht geweigerd is en casseerde daarmee de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden. Dat gerechtshof was van mening dat een fiscale eenheid tussen de in Nederland gevestigde vennootschappen wel moest worden toegestaan en dat de weigering van de fiscale eenheid een inbreuk vormde op de non-discriminatiebepaling in het belastingverdrag tussen Nederland en Israël.

In zijn arrest oordeelt de Hoge Raad dat een beroep op de non-discriminatiebepaling in beginsel wel mogelijk is. De Hoge Raad vervolgt echter met de overweging dat hier geen sprake is van een inbreuk op de non-discriminatiebepaling. De gevraagde fiscale eenheid van de uitsluitend in Nederland gevestigde dochtervennootschappen met gemeenschappelijke Israëlische aandeelhouders moest worden vergeleken met een vergelijkbare binnenlandse fiscale eenheid waarin die gemeenschappelijke aandeelhouders ook niet waren gevoegd in de fiscale eenheid. Omdat ook in dat geval een fiscale eenheid tussen uitsluitend de dochtermaatschappijen geweigerd zou zijn, is in onderhavige kwestie geen sprake van een inbreuk op de non-discriminatiebepaling.

EU-recht

Al in een eerder stadium was vastgesteld dat een beroep op het EU-recht in onderhavige kwestie belastingplichtige niet kon baten. De Hoge Raad verwijst dan ook niet naar de verkeersvrijheden of de eerdere zaak X (C-40/13). Het is duidelijk dat de Hoge Raad het discriminatieverbod uit het belastingverdrag restrictiever uitlegt dan de werking van het belemmeringenverbod van de Europese verkeersvrijheden. Met dit arrest is eindelijk duidelijkheid gekomen omtrent de vraag of een zuster-fiscale eenheid ook moet worden toegestaan in niet-EU-situaties.


Bron: Hoge Raad van 15 december 2017, nr. 16/02919, ECLI:NL:HR:2017:3128

Vond u dit nuttig?