Franse dividendbelasting in strijd met EU-recht | Deloitte

Article

Franse dividendbelasting in strijd met EU-recht

Aanwezigheid van niet-EU aandeelhouder is geen vermoeden van misbruik waardoor de bewijslast moet worden omgedraaid.

12 september 2017

Feiten en omstandigheden

Een Franse vennootschap keerde in 2005 en 2006 een dividend uit aan haar in Luxemburg gevestigde moedermaatschappij. Deze werd op haar beurt via een op Cyprus gevestigde vennootschap gehouden door een in Zwitserland gevestigde moedermaatschappij. Vanwege deze indirecte aandeelhouder in een niet-EU lidstaat was de dividenduitkering door de Franse vennootschap onderworpen aan een Franse bronbelasting. Het Europese Hof van Justitie besliste dat deze bronbelasting in strijd was met de Moeder-dochterrichtlijn en de vrijheid van vestiging.


De Franse regeling

Frankrijk kent een bronbelasting op dividenduitkeringen. Op grond van de Europese Moeder-dochterrichtlijn mag op dividenduitkeringen tussen kwalificerende vennootschappen echter geen bronbelasting worden ingehouden. De Moeder-dochterrichtlijn bepaalde ten tijde van het hoofdgeding alleen ook dat nationale voorschriften ter bestrijding van fraude en misbruiken van kracht mogen blijven. Onder Frans recht was de inhoudingsvrijstelling niet van toepassing wanneer dividenden werden uitgekeerd aan een rechtspersoon die direct of indirect wordt gecontroleerd door een of meerdere personen die niet in een EU-lidstaat gevestigd zijn. Dit was slechts anders indien de ontvanger van het dividend aantoonde dat de keten van deelnemingen niet als voornaamste doel (of een van de voornaamste doelen) had om een fiscaal voordeel te behalen uit de vrijstelling.


Hof van Justitie

Het Europese Hof van Justitie heeft geoordeeld dat deze voorwaarde in de Franse regeling een inbreuk vormt op de Moeder-dochterrichtlijn en de vrijheid van vestiging. Frankrijk mag weliswaar anti-misbruikmaatregelen treffen, maar alleen dan wanneer deze noodzakelijk zijn. De Franse regeling was dat niet. Deze bevatte immers een algemeen vermoeden van misbruik vanwege de vestigingsplaats van de indirecte aandeelhouder, zonder dat in het concrete geval werd onderzocht of sprake is van fraude of misbruik. Dat gaat volgens het Hof te ver. De Franse belastingdienst mag zich niet verschuilen achter de verlegging van de bewijslast. Met andere woorden: Frankrijk zal zelf in een concreet geval moeten aangeven waarom sprake is van fraude of misbruik, zonder daarbij een algemeen bewijsvermoeden te hanteren dat de vestigingsplaats van een (indirecte) aandeelhouder leidt tot misbruik.

De Franse regeling is daarnaast in strijd met de vrijheid van vestiging. Indien de Franse vennootschap in kwestie het dividend aan een in Frankrijk gevestigde moedermaatschappij had uitgekeerd, dan was de bronbelastingvrijstelling zonder verdere beperkingen van toepassing geweest, ook al zou deze vennootschap indirect door een Zwitserse vennootschap worden gehouden. Volgens het Hof van Justitie is deze verschillende behandeling niet toegestaan. Het gevolg is dat Frankrijk de bronbelastingvrijstelling moet toepassen.


Implicaties voor Nederland

De Franse regeling is per 2016 aangepast. De gevolgen van het arrest voor Nederland lijken dan ook beperkt. De Nederlandse wetgeving kent nog maar weinig voordelen die beperkt worden op grond van de vestigingsplaats van een directe of indirecte aandeelhouder. Bovendien is de anti-misbruikbepaling in de Moeder-dochterrichtlijn inmiddels aangepast.


Bron: Hof van Justitie EU van 7 september 2017, C-6/16 (Eqiom en Enka), ECLI:EU:C:2017:641

Vond u dit nuttig?